Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:20164
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61664 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf ). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsrecht op grond van de artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord.1 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de minister het verblijfsrecht mocht intrekken. Het bestreden besluit bevat wel een motiveringsgebrek, maar dit betekent niet dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Met het besluit van 29 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) van rechtswege is geëindigd per 28 augustus 2021. 4. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 6. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.V. Babkina als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook waren twee begeleiders van eiser van [bedrijf 1] aanwezig. 1. Het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 7. Eiser heeft de Britse nationaliteit en heeft op [geboortedatum] 2021 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsdocument op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord. Op 27 september 2021 heeft de minister de aanvraag ingewilligd. 8. Naar aanleiding van een melding van de gemeente is bij de minister twijfel ontstaan of eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Uit het door de minister ingestelde onderzoek is gebleken dat eiser een bijstandskering ontvangt en ook in het verleden een bijstandsuitkering heeft ontvangen. 9. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser in de periode van 15 juli 2021 tot en met 27 augustus 2021 in Nederland in loondienst werkte en rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb. Vervolgens ontving eiser van 15 december 2021 tot en met 30 april 2023 een bijstandsuitkering. Niet is gebleken dat na het eindigen van de werkzaamheden van eiser per 27 augustus 2021 is voldaan aan een van de andere voorwaarden van artikel 8:12 van het Vb. Ook is niet gebleken dat eiser onvrijwillig werkloos was en werkzoekend. Daarnaast is niet gebleken dat eiser kon beschikken over voldoende middelen van bestaan waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. De minister stelt daarom vast dat het verblijfsrecht van eiser per 28 augustus 2021 van rechtswege is geëindigd. 10. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt in het kader van de toelaatbaarheid van de verwijdering. De minister vindt het belang van de Nederlandse staat om eiser te verwijderen uit Nederland zwaarder wegen dan het belang van eiser om Nederland niet te hoeven verlaten. Tot slot ziet de minister geen reden om eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM.2 11. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het rechtmatig verblijf van eiser op grond van het Terugtrekkingsakkoord is geëindigd vanaf 28 augustus 2021. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiser na 21 augustus 2021 had moeten worden aangemerkt als economisch actieve of niet-economisch actieve gemeenschapsonderdaan in de z gemeenschapsonderdaan ter beschikking staan. De herkomst van de middelen is hierbij niet van belang.6 Daarnaast kan er onderscheid worden gemaakt tussen economisch inactieve gemeenschapsonderdanen met of zonder regelmatige inkomsten. Als er niet wordt voldaan aan het normbedrag en de beschikbare inkomsten of het banksaldo liggen beneden het normbedrag, dan wordt aan de hand van de persoonlijke omstandigheden beoordeeld of het aannemelijk is dat de gemeenschapsonderdaan toch gedurende ten minste twaalf maanden (gerekend vanaf de indiening van de aanvraag) in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien. 18. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet heeft hoeven aanmerken als economisch niet actief in de zin van artikel 8.12, eerste lid, onder b, van het Vb. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan het normbedrag dat volgt uit artikel 3.72 van het Vb. Eiser heeft na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op 27 augustus 2021 met enige regelmaat geld ontvangen van zijn moeder (zo blijken uit het dossier bijvoorbeeld overboekingen op 25 oktober 2021, 22 december 2021 en 2 februari 2022). Ook heeft eiser in augustus 2021 voorschotten ontvangen op zijn salaris. Deze betalingen mogen worden betrokken in de beoordeling, maar dit betekent niet hieruit de conclusie kan worden getrokken dat eiser kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud. Dat eiser verzoekt om voorschotten op zijn salaris is immers een aanwijzing dat dit juist niet het geval is. Hierbij is ook van belang dat eiser de eerste drie maanden (na 27 augustus 2021) weliswaar geen beroep heeft gedaan op sociale voorzieningen, maar hierna voor een langere periode wel een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Tussenconclusie 19. De minister heeft eiser niet hoeven aan te merken als een economisch actieve of een economisch niet actieve gemeenschapsonderdaan na 27 augustus 2021. De rechtbank is daarom van oordeel dat het rechtmatig verblijf van eiser op grond van het Terugtrekkingsakkoord is geëindigd op 28 augustus 2021. Belangenafweging 20. Eiser voert aan dat de minister een incomplete en onevenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Bij de belangenafweging dient de minister de duur van het beroep op bijstand en de hoogte van het uitgekeerde bedrag mee te wegen. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 7 november 2018,7 waaruit volgt dat de minister moet onderzoeken of het gaat om tijdelijke problemen en dat de minister in ieder geval rekening moet houden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de al uitgekeerde bijstand. Daarnaast heeft de minister bij de beoordeling van de door eiser gepleegde strafbare feiten niet het EU-criterium voor openbare orde toegepast. Dat is in strijd met het Terugtrekkingsakkoord en het eigen beleid van de minister, zoals vastgelegd in paragraaf B13/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verder heeft eiser een verklaring van [naam] van 21 november 2024 overgelegd, waaruit blijkt dat hij al (zeker) sinds 2020 in Nederland verblijft. Eiser verblijft dus al langer in Nederland dan dat de minister aanneemt. Eiser heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat de 6 Dit volgt uit het arrest Singh van het Hof van Justitie van 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:476. 7 ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585. duur van het verblijf van eiser van belang is in het kader van de belangenafweging. 21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mogen laten uitvallen. De minister heeft in zijn beoordeling mogen meewegen dat eiser voor de duur van 16 maanden een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee ten laste is geweest van de Nederlandse samenleving. Ook heeft de minister de door eiser gepleegde strafbare feiten mogen betrekken. Nu het verblijfsrecht van eiser niet is ingetrokken om redenen van openbare orde, zoals bedoeld in artikel 27 van de Verblijfsrichtlijn,8 maar van rechtswege is geëindigd omdat ei