Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1967
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
916 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:1967 text/xml public 2026-02-05T17:24:06 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 NL25.34597 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1967 text/html public 2026-02-05T17:22:34 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1967 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / NL25.34597 intrekken beroep. pkv. verzoek kennelijk gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.34597 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , verzoekster, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. N.M. Weteling), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep. 1.1. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet zal verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indienen van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 3. De rechtbank stelt vast dat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen door tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoekster. 4. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in de brief van 2 december 2025 heeft toegezegd de proceskostenvergoeding aan verzoeker te zullen betalen. Conclusie en gevolgen 5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde. Beslissing De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.