Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1964
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,435 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:1964 text/xml public 2026-02-05T16:20:39 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 NL25.33943 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1964 text/html public 2026-02-05T16:20:09 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1964 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / NL25.33943 Beroep niet tijdig, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33943 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 11 december 2023. 1.1 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Dit besluit is echter naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiseres diende te nemen. Eiseres heeft de minister op 23 mei 2024, na het verstrijken van de termijn, verzocht alsnog binnen twee weken een beslissing te nemen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 3. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. 4. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 6. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. 8. Anders dan eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding voor een wegingsfactor gemiddeld nu het enkel een beroep niet tijdig beslissen betreft. Wat betreft het aantal proceshandelingen waarvoor punten moeten worden toegekend, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toekennen van meer dan 1 punt gelet op de proceshandelingen die in A1 van de Bijlage bij het Besluit Proceskosten Bestuursrecht zijn opgenomen. 9. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235. ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.