Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:19421
Eiser verwijt de Staat dat hij in twee strafzaken niet is geïnformeerd over de voortgang van de strafprocedure terwijl hij in beide zaken slachtoffer is. Daardoor heeft hij in beide zaken geen vordering benadeelde partij kunnen indienen. In één van de zaken is hij ook nog door de Staat onjuist geïnformeerd over de behandeling van zijn aangifte. Eiser vordert een verklaring voor recht dat de Staat daarmee onjuist heeft gehandeld en hiervoor aansprakelijk is, evenals schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de Staat in beide strafzaken onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser. Tot toewijzing van een schadevergoeding komt de rechtbank niet, nu toewijzing van de vordering benadeelde partij van eiser in de strafprocedures niet aannemelijk was. De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen evenals het verzoek tot schadevergoeding. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaak- en rolnummer: C/09/692216 / HA ZA 25-843 Vonnis van 8 juli 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats], eiser, hierna te noemen: eiser, advocaat: mr. R.H. Bouwman, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M. Beekes. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Eiser verwijt de Staat dat hij in twee strafzaken niet is geïnformeerd over de voortgang van de strafprocedure terwijl hij in beide zaken slachtoffer is. Daardoor heeft hij in beide zaken geen vordering benadeelde partij kunnen indienen. In één van de zaken is hij ook nog door de Staat onjuist geïnformeerd over de behandeling van zijn aangifte. Eiser vordert een verklaring voor recht dat de Staat daarmee onjuist heeft gehandeld en hiervoor aansprakelijk is, evenals schadevergoeding. 1.2. De rechtbank oordeelt dat de Staat in beide strafzaken onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser. Tot toewijzing van een schadevergoeding komt de rechtbank niet nu toewijzing van de vordering benadeelde partij van eiser in de strafprocedures niet aannemelijk was. De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen evenals het verzoek tot schadevergoeding. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 24 september 2025, met de producties 1 tot en met 29; de conclusie van antwoord; de akte aanvullende producties van de zijde van eiser, met de producties 30 tot en met 60; de akte aanvullende producties van de zijde van eiser, met de producties 61 en 62; de reactie van de Staat op de aanvullende producties; de reactie van eiser daarop; en de akte houdende een reactie op productie 59 van de Staat. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarvan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. 3 De feiten 3.1. Eiser is een vlogger. Hij raakte in een conflict met een andere vlogger, [naam 1]. Op 24 september 2020 deed eiser aangifte tegen [naam 1] van bedreiging, poging zware mishandeling/poging doodslag, van het doen van valse aangiftes en van opruiing. Hij meldde daarbij dat in de nacht van 10 op 11 september 2020 in de straat waarin zijn vader woonde, een explosief was afgegaan. 3.2. Op 15 en 22 september 2020 zijn bij de woning van de moeder van eiser explosieven afgegaan. 3.3. Op 23 februari 2022 deed eiser aangifte tegen [naam 2] (hierna: [naam 2]) van het lekken van (adres)gegevens van hem en enkele van zijn familieleden. Eiser gaf daarbij aan dat [naam 2] deze gegevens aan [naam 1] had verkocht en dat de vlogger de intentie had om hem te doden. 3.4. Op 15 augustus 2022 diende eiser een klacht in bij de afdeling Veiligheid, Integriteit & Klachten van de politie (hierna: het VIK). Hij vond dat zijn aangifte tegen [naam 2] niet op de goede manier was behandeld. Daarop liet de klachtenbehandelaar bij het VIK op 22 augustus 2022 aan eiser weten dat het niet behandelen van een aangifte geen klachtwaardige handeling was, en dat hij, tegen de beslissing geen onderzoek te doen, bezwaar kon maken bij het Openbaar Ministerie (OM). 3.5. Het OM begon tegen [naam 3] (hierna: [naam 3]), een vriend van [naam 1], een omvangrijke strafrechtelijke procedure, waarin [naam 3] werd verdacht van het afpersen van meerdere personen en daarmee verband houdende woningaanslagen. In deze procedure is [naam 3] ook vervolgd voor het opdrachtgeven voor de aanslag op de woning van de moeder van eiser op 22 september 2020. 3.6. Op 27 september 2022 is door de rechtbank Gelderland vonnis gewezen in deze procedure. Daarin werd [naam 3] onder andere veroordeeld voor (het opdrachtgeven tot) de explosie bij de woning van de moeder van eiser. De moeder van eiser heeft in die procedure een vordering benadeelde partij ingediend, die voor een gedeelte is toegewezen. Eiser is in het vooronderzoek van deze procedure als getuige gehoord. 3.7. Het OM begon ook tegen [naam 2] een strafprocedure. Dit leidde ertoe dat de rechtbank Gelderland bij vonnis van 6 november 2023 [naam 2] veroordeelde tot twee jaar gevangenisstraf voor computervredebreuk en voor betrokkenheid bij het voorbereiden van aanslagen. Voor betrokkenheid bij de tenlastegelegde aanslag op de woning van de moeder van eiser op 22 september 2020 is [naam 2] vrijgesproken. De aanslag in de straat van de vader van eiser was niet tenlastegelegd. De moeder van eiser had ook in deze procedure een vordering benadeelde partij ingediend, maar daarin is zij (vanwege de vrijspraak) niet-ontvankelijk verklaard. 3.8. Op 18 juli 2024 stelde eiser het OM aansprakelijk voor de gestelde schade die hij leed als een gevolg van het nalaten hem te informeren over de strafzaak tegen [naam 2]. 3.9. Op 24 september 2024 informeerde het OM eiser dat de klacht was doorgestuurd naar het arrondissementsparket Den Haag. 3.10. Op 19 december 2024 is eiser door het arrondissementsparket Den Haag bij brief in kennis gesteld van een sepotbeslissing. De hoofdofficier van justitie achtte het alsnog instellen van vervolging van [naam 2] niet wenselijk, in verband met de recente bestraffing (tot twee jaar gevangenisstraf). 3.11. Naar aanleiding van dat bericht diende eiser op 4 januari 2025 een klaagschrift op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in. 3.12. Op 19 februari 2025 adviseerde de advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag (hierna: de A-G) het hof om eiser in zijn klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Er was inmiddels gebleken dat er toch een strafzaak tegen [naam 2] had plaatsgevonden mede naar aanleiding van de aangifte van eiser. Verder heeft de A-G geschreven: “Ik kan echter niet volstaan met deze juridische conclusie. Klager is door het OM niet behoorlijk behandeld (zoals de Nationale Ombudsman als toets aanlegt). Klager heeft geen enkele informatie ontvangen over het doorzenden van zijn aangifte (en dat moet wel gebeurd zijn, anders kon zijn aangifte in [gemeente] niet in Midden Nederland terecht zijn gekomen). Vervolgens heeft het OM Midden Nederland klager op geen enkele wijze op de hoogte gesteld van de procedure en de rechten die klager had. Het ontgaat mij hoe het kan dat zijn aangifte leidt tot het ten laste leggen van feit 3, maar de bel ‘slachtofferrechten’ niet is gaan luiden. Als gevolg hiervan heeft klager ter zitting geen vordering benadeelde partij kunnen indienen. Hierna is vervolgens het AP Den Haag niet volledig ingelicht: er werd gesteld dat klager niet betrokken was in de procedure in Midden Nederland en dat zijn moeder een schadevergoeding had gekregen, terwijl dit beide onjuist was. In Den Haag heeft de behandeling van de klacht van klager te veel tijd gevraagd en is er vervolgens onjuist beslist (sepot recente bestraffing) doordat het AP Den Haag uitging van onjuiste gegevens. Dit alles maakt dat ik klager excuses aanbiedt voor deze onjuiste behandeling van zijn aangifte van een ernstige zaak. Dit had echt anders gekund en het had anders gemoeten. Helaas neemt dit niet weg, dat klager in deze klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat artikel 12 Sv alleen maar ziet op klachten over het niet vervolgen. Ten aanzien van de civiele aansprakelijkheid (de vordering benadeelde partij die klager nooit heeft kunnen indienen) is het AP Den Haag nu (terecht) van oordeel dat het AP Midden Nederland onjuist gehandeld heeft en klager tegemoet zal moeten komen. De stukken worden daarom naar het AP Midden Nederland gezonden. Ik heb de raadsman omtrent al het hiervoor genoemde geïnformeerd op 17 februari 2025.” 3.13. Eiser richtte zich daarna tot het arrondissementsparket Midden Nederland, dat hem doorverwees naar het arrondissementsparket Oost Nederland (hierna: het AP). 3.14. [naam 3] is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor de hiervoor onder 3.5 genoemde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van ruim 26 jaar. 3.15. [naam 2] is, ook bij arrest van 4 april 2025, door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, in verband met het lekken van gegevens van meerdere personen. 3.16. Op 11 mei 2025 gaf eiser op verzoek van het AP zijn schadeposten en de omvang van zijn schade door. 3.17. Op 24 juni 2025 informeerde de hoofdofficier van justitie van het AP eiser als volgt: “In uw mail van 13 maart 2025 heeft u verzocht om een tegemoetkoming, omdat uw cliënt, […], door een nalatigheid van het Openbaar Ministerie niet in staat zou zijn gesteld zich te voegen in de strafrechtelijke procedure met parketnummer […] in de zaak van verdachte [[naam 2].] Bevindingen Ik heb de zaak bestudeerd en merk het volgende op. Op 23 februari 2022 heeft uw cliënt, net als zijn moeder, aangifte gedaan tegen [[naam 2]] wegens het lekken van privégegevens. Doordat de gegevens van uw cliënt en diens familie zijn gelekt, zijn er op de adressen van de moeder en vader van uw cliënt diverse aanslagen gepleegd. [[naam 2]] is vervolgd voor het lekken van privégegevens (computervredebreuk) en voor medeplegen/medeplichtigheid van/aan de gepleegde aanslagen. […] Beoordeling Zoals opgemerkt was de aangifte niet bekend, waardoor deze dus ook niet meegenomen had kunnen worden. Desalniettemin ben ik van mening dat uw aangifte wel meegenomen had moeten worden zodat uw cliënt zich als benadeelde partij had kunnen voegen. Ondanks het voorgaande ben ik van mening dat u in dit geval geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding. Ik licht dit toe. In gevallen waarin een benadeelde partij, zoals uw cliënt, ondanks een verzoek daartoe, ten gevolge van een verzuim van het Openbaar Ministerie niet in staat is gesteld zich te voegen in het strafgeding, kan een tegemoetkoming voor de geleden schade worden aangeboden, omdat een relatief eenvoudige mogelijkheid tot verhaal van de schade op de dader verloren is gegaan. Ik wijs er echter met nadruk op dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schade die een benadeelde partij ten gevolge van het strafbaar feit heeft geleden. Deze schade is immers geen gevolg van het verzuim van de officier van justitie. Het recht op schadevergoeding jegens de dader, die hiervoor aansprakelijk is, is niet verloren gegaan. Voor het toekennen van een tegemoetkoming als hierboven is beschreven, moet worden voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet uit de stukken blijken dat het de bedoeling van de benadeelde partij was zich te voegen in het strafproces en ten tweede moet toewijzing van de vordering in het kader van het strafproces mogelijk zijn geweest. In het onderhavige geval neem ik aan dat uw cliënt voeging heeft beoogd, waardoor is voldaan aan de eerste voorwaarde. Aan de tweede voorwaarde, namelijk dat toewijzing van de vordering mogelijk moet zijn geweest, is niet voldaan. De moeder van uw cliënt heeft zich gevoegd als slachtoffer in de procedure omdat er door de gelekte privégegevens aanslagen zijn gepleegd op haar huis. Zij is echter niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat [[naam 2]] is vrijgesproken van medeplegen/medeplichtigheid van/aan de gepleegde aanslagen. Indien uw aangifte in de strafrechtelijke procedure zou zijn betrokken zou ook uw cliënt in zijn vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk zijn verklaard. […], ziet het OM, gelet op het voorgaande, in deze kwestie geen aanleiding om over te gaan tot vergoeding van de geleden schade. Gezien bovenstaande wijs ik uw verzoek om een tegemoetkoming af. Dit laat onverlet de mogelijkheid om de schade via een civielrechtelijke procedure te verhalen op de dader. […]” 3.18. Op 4 juli 2025 verzocht eiser om een heroverweging, waarop de hoofdofficier van justitie bij brief van 7 augustus 2025 liet weten te persisteren bij het eerdere standpunt. 3.19. Daarmee nam eiser geen genoegen, waarop hij de Staat dagvaardde. 4 Het geschil 4.1. Eiser vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de Staat onjuist gehandeld heeft tegenover eiser; II. voor recht verklaart dat de Staat tegenover eiser aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW)); III. de Staat veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.898.030,45, te vermeerderen met rente en kosten; en IV. de Staat veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. 4.2. Eiser vindt dat het OM en daarmee de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door hem niet te informeren over de voortgang van de strafzaken. Daardoor kon hij geen aangifte meer doen tegen [naam 3] en kon hij geen schadevergoeding vorderen in beide zaken. Daarmee heeft de Staat inbreuk gemaakt op zijn slachtofferrechten. Ook vindt eiser dat de Staat hem in zaak tegen [naam 2] niet goed heeft geïnformeerd in reactie op zijn klachten. Daarom moet de Staat zijn schade vergoeden. 4.3. De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiser, of tot afwijzing van de vorderingen van eiser, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eiser in de kosten van deze procedure. 4.4. De Staat erkent dat hij eiser als slachtoffer had moeten aanmerken in de strafzaak tegen [naam 2], maar hij vindt dat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen, omdat eiser, net als zijn moeder, in de strafzaak tegen [naam 2] niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in zijn vordering benadeelde partij. Wat betreft het onjuist informeren van eiser betreurt de Staat deze gang van zaken, maar acht deze niet onrechtmatig. Voor de strafzaak tegen [naam 3] betwist de Staat dat hij eiser had moeten aanmerken als slachtoffer. 4.5. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Onrechtmatige daad? 5.1. Artikel 6:162 lid 1 BW bepaalt dat hij die tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Artikel 6:162 lid 2 BW bepaalt dat als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met dat wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, voor zover er geen rechtvaardigingsgrond is. De strafzaak tegen [naam 2] 5.2. Partijen zijn het erover eens dat de Staat eiser had moeten informeren over de strafzaak tegen [naam 2], zodat eiser zich, zoals hij wilde, in die procedure als benadeelde partij had kunnen voegen. Doordat de Staat dat niet heeft gedaan, heeft hij inbreuk gemaakt op de slachtofferrechten die aan eiser toekomen op grond van Titel IIIA, tweede afdeling, van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee heeft de Staat in strijd met de wet gehandeld. Niet is gesteld of gebleken dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond was. Dit betekent dat de Staat ten aanzien van deze zaak onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. Dit geldt niet voor de omstandigheid dat de Staat eiser onjuist heeft geïnformeerd over zijn aangifte. Hoewel deze vaststelling op zichzelf juist is, heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de Staat daarmee ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. 5.2.1. Eiser stelt door dit handelen schade te hebben geleden. Door de aanslagen heeft hij PTSS opgelopen, waarvoor hij onder behandeling is. Het handelen van de Staat heeft er aan bijgedragen dat die klachten zijn verergerd en de gevoelens van onveiligheid prominenter aanwezig zijn. Door het uitblijven van hulp, steun en zorg vanuit de overheid heeft eiser het constante idee vogelvrij te zijn. Eiser wijst erop dat hij in het strafproces door de rechter een schadevergoeding toegewezen had kunnen krijgen, waaraan de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan koppelen. Daardoor zou eiser daadwerkelijk verhaal zijn geboden, omdat de Staat bij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel uiteindelijk het toegekende bedrag (voor zover nog niet voldaan door de veroordeelde) uitkeert als het vonnis onherroepelijk is geworden. 5.3. De Staat betwist dat zijn handelen tot enige schade bij eiser heeft geleid. 5.4. De rechtbank overweegt dat de Staat terecht heeft opgemerkt dat in een geval, waarin de Staat ten onrechte een slachtoffer niet heeft geïnformeerd over een strafzaak, het slachtoffer niet zonder meer recht heeft op vergoeding van de schade die hij door het strafbare feit heeft geleden. Wel is onder omstandigheden denkbaar dat een tegemoetkoming kan worden geboden, omdat een relatief eenvoudige mogelijkheid tot verhaal van de schade op de dader verloren is gegaan door het handelen van de Staat. Daarvoor moet wel vaststaan dat het de bedoeling van het slachtoffer was om zich te voegen in het strafproces en toewijzing van de vordering benadeelde partij in het strafproces moet mogelijk en aannemelijk zijn geweest. 5.5. Tussen partijen staat vast dat het de bedoeling van eiser was om zich te voegen in het strafproces tegen [naam 2]. De vraag is of ook is voldaan aan het tweede vereiste, namelijk dat toewijzing van de vordering van eiser in het strafproces tegen [naam 2] mogelijk en ook aannemelijk was. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. 5.6. [naam 2] is in hoger beroep veroordeeld voor de computerbreuk en vrijgesproken voor betrokkenheid bij de aanslag op de woning van de moeder van eiser. Voor zover de vordering benadeelde partij van eiser ziet op de aanslag, zou toewijzing van die vordering niet aannemelijk zijn geweest nu [naam 2] voor dat feit is vrijgesproken. Zijn moeder is in haar vordering benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaard. Dat zou voor eiser niet anders zijn geweest. 5.7. Voor de computervredebreuk is [naam 2] wel veroordeeld. De vraag is dan welke gevorderde schade samenhangt met dit strafbare feit. De schade van eiser bestaat uit de volgende, bij productie 59 door eiser beschreven, posten: Materieel Inkomensschade € 404.836,09 Huurkosten € 25.380,00 Toekomstige huurkosten € 35.740,00 Vervangingswaarde inboedel € 15.000,00 Schadeposten beveiliging € 41.679,30 Misgelopen inkomsten Boek- en documentaire project € 596.725,00 [naam] Supplements € 518.500,00 1e Hulp NL € 350.000,00 Opbrengst onderneming € 343.045,45 Immateriële schade PTSS € 60.000,00 Verergering PTSS € 65.000,00 5.8. De rechtbank overweegt dat eiser voor de gevorderde immateriële schade het oorzakelijk verband met de computervredebreuk onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft wel, gedeeltelijk zwart gelakte, stukken overgelegd, waarin wordt gesproken over PTSS, maar niet duidelijk is wat daarvan de oorzaak is. Ook is de gestelde verergering van de PTSS en dat die verband houdt met het handelen van de Staat, niet onderbouwd. Dit betekent dat de gevorderde immateriële schade voor zover deze verband houdt met de strafzaak tegen [naam 2] zou worden afgewezen. 5.9. Wat betreft de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Eiser stelt dat de inkomensschade en de misgelopen inkomsten het gevolg zijn van de (verergerde) PTSS. Zoals hiervoor overwogen, heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat het handelen van de Staat de oorzaak is van de (verergering van de) PTSS. Dit betekent dat ook het causaal verband met de inkomensschade en de misgelopen inkomsten onvoldoende is onderbouwd. Waarom huurkosten, toekomstige huurkosten, de vervangingswaarde van de inboedel en de schadeposten beveiliging als rechtstreekse schade zijn aan te merken als een gevolg van de computervredebreuk, heeft eiser onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat eiser stelt bij zijn vader te hebben gewoond en betrokkenheid bij de aanslag op de woning van zijn vader niet aan [naam 2] is ten laste gelegd. Bovendien heeft eiser de schadeposten vervangingswaarde van de inboedel en beveiliging onvoldoende onderbouwd. Dit leidt ertoe dat ook het materiële deel van de gevorderde schadevergoeding voor zover die verband houdt met de strafzaak tegen [naam 2], zou worden afgewezen. De strafzaak tegen [naam 3] 5.10. De vraag is vervolgens of de Staat met betrekking tot de strafzaak tegen [naam 3] ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. De rechtbank oordeelt van wel en overweegt daartoe het volgende. 5.11. Uit artikel 51a Sv volgt dat onder een slachtoffer onder meer wordt verstaan: “ degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden ”. Dit sluit aan bij het begrip benadeelde partij als omschreven in artikel 51f Sv, waarin staat dat “ degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces .” 5.12. De rechtbank overweegt dat in de tenlastelegging van [naam 3] onder meer staat opgenomen dat hij wordt verdacht van een poging tot moord op eiser. Bij deze verdenking bestaat er de mogelijkheid dat eiser rechtstreeks schade heeft geleden als een gevolg van dit strafbare feit. Eiser had dus aangemerkt moeten worden als slachtoffer. De Staat had eiser daarom tijdig moeten informeren over deze strafzaak en hem in de gelegenheid moeten stellen om zich als benadeelde partij in deze procedure te voegen. 5.13. De Staat heeft nog aangevoerd dat eiser geen aangifte heeft gedaan van deze aanslag en ten tijde van de aanslag ook niet in de woning woonde, en dat dit mede de aanleiding was om eiser niet als slachtoffer aan te merken in de procedure. De rechtbank merkt op dat dit argument voornamelijk gericht lijkt te zijn op de vraag of eiser mogelijk materiële schade heeft geleden door de aanslag. Voor de vraag of eiser als slachtoffer moet worden aangemerkt is echter eveneens van belang of hij door de aanslag immateriële schade heeft geleden. Die mogelijkheid bestaat ook als iemand niet zelf in de betreffende woning woont. Dit leidt ertoe dat de Staat ook met betrekking tot deze strafzaak onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. 5.14. Vervolgens is ook hier de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding. Zoals hiervoor overwogen moet daarvoor wel vaststaan dat het de bedoeling van het slachtoffer was om zich in het strafproces te voegen en dat toewijzing van de vordering benadeelde partij in het strafproces mogelijk en aannemelijk was. Tussen partijen staat vast dat het de bedoeling van eiser was om zich te voegen in het strafproces tegen [naam 3]. De discussie richt zich op de vraag of toewijzing van de vordering van eiser mogelijk en aannemelijk was. 5.15. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de rechtbank hiervoor overwogen dat uit de stukken niet blijkt wat de oorzaak van de PTSS is. Daarmee is ook hier het causale verband tussen het handelen van de Staat en de PTSS onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de verergering van de PTSS. Ook hier is onvoldoende onderbouwd dat deze in causaal verband staat tot het handelen van de Staat. Dit betekent dat de gevorderde immateriële schade voor zover deze verband houdt met de strafzaak tegen [naam 3] zou worden afgewezen. 5.16. Ten aanzien van de materiële schade komt de rechtbank ook tot de conclusie dat deze moet worden afgewezen. Eiser stelt ook hier dat de inkomensschade en de misgelopen inkomsten het gevolg zijn van de (verergerde) PTSS. Zoals hiervoor overwogen, heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat het handelen van de Staat de oorzaak is van de (verergering van de) PTSS. Dit betekent dat ook het causaal verband met de inkomensschade en de misgelopen inkomsten onvoldoende is onderbouwd.