Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:193
RECHTBANK DEN HAAG JL (D) Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Leiden Vonnis van 7 januari 2026 in de hoofdzaak met zaaknummer 11372893 \ CV EXPL 24-3470 van: [partij A] , wonende te [woonplaats] ([land]), eisende partij, hierna te noemen: [partij A], gemachtigde: mr. A. Quispel, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij B] B.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1], gemachtigde: mr. V. Oskam, gedaagde partij sub 1, hierna te noemen: [partij B], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij C] B.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2], gemachtigden: mrs. V.R. Pool en A. Etienne, gedaagde partij sub 2, hierna te noemen: [partij C], en in de vrijwaringszaak met zaaknummer 11596622 \ CV EXPL 25-738 van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij B] B.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1], gemachtigde: mr. V. Oskam, eisende partij, tegen 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij C] B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2], gemachtigden: mrs. V.R. Pool en A. Etienne, gedaagde partij sub 1, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij D] B.V. , statutair gevestigd te [vestigingsplaats 3] en kantoorhoudende te [plaats 1], gemachtigde: mr. F.F. Wiersma, gedaagde partij sub 2, hierna te noemen: [partij D], en in de vrijwaringszaak met zaaknummer 11596717 \ CV EXPL 25-739 van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij C] B.V. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2], gemachtigden: mrs. V.R. Pool en A. Etienne, eisende partij, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij D] B.V. , statutair gevestigd te [vestigingsplaats 3] en kantoorhoudende te [plaats 1], gemachtigde: mr. F.F. Wiersma, gedaagde partij. 1 De procedure in de hoofdzaak met zaaknummer 24-3470 1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit: - de vonnissen in incident van 19 februari 2025; - de conclusie van antwoord van [partij B], met producties; - de conclusie van antwoord van [partij C], met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de aanvullende producties van [partij B]; - de aanvullende producties van [partij A]; - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. in de vrijwaringszaak met zaaknummer 25-738 1.3. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in vrijwaring van 11 maart 2025, met producties; - de conclusie van antwoord van [partij C], met producties; - de conclusie van antwoord van [partij D], met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. in de vrijwaringszaak met zaaknummer 25-739 1.5. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in vrijwaring van 11 maart 2025, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de aanvullende producties van [partij C]; - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen. 1.6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken 2.1. [partij A] is op 17 april 2023 in dienst getreden bij [partij B] op basis van een uitzendovereenkomst. 2.2. [partij B] heeft op 23 december 2021 een overeenkomst gesloten met [bedrijfsnaam] B.V. (hierna te noemen: [bedrijfsnaam]). [bedrijfsnaam] bemiddelt tussen toeleveranciers en afnemers Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in de hoofdzaak met zaaknummer 24-3470 4.1. De vraag die in de hoofdzaak centraal staat is of [partij B] (als formeel werkgever) en [partij C] (als materieel werkgever) hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die [partij A] stelt te hebben geleden en stelt nog te zullen lijden als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023. Toepasselijkheid artikel 7:658 lid 4 BW 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] de formele werkgever van [partij A] is en dat tussen [partij A] en [partij C] geen arbeidsovereenkomst bestaat. [partij A] en [partij C] verschillen wel van mening over het antwoord op de vraag of [partij C] als materieel werkgever ex artikel 7:658 lid 4 BW van [partij A] kan worden aangemerkt. De kantonrechter zal deze vraag hieronder eerst beantwoorden. 4.3. [partij A] baseert de aansprakelijkheid van [partij C] op artikel 7:658 lid 4 BW. Dit artikel bepaalt dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Deze bepaling strekt ertoe bescherming te bieden aan personen die zich - voor wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen - in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. De Hoge Raad heeft in het arrest Davelaar/Allspan (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616) uitgewerkt wanneer een niet-werkgever zoals [partij C] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is. Toegepast op deze zaak is daarvoor nodig: ( i) dat [partij A] voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van [partij C]. Bij de beoordeling hiervan gaat het om de omstandigheden van het geval en moet - onder meer - worden gekeken naar de feitelijke verhoudingen tussen betrokkenen, de aard van de verrichte werkzaamheden, en de mate waarin [partij C], al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft gehad op de werkomstandigheden van [partij A] en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s, en; ( ii) dat de werkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van [partij C]. Hierbij moet het gaan om werkzaamheden die [partij C] in het kader van de uitoefening van haar beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten. Deze bepaling is niet beperkt tot werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van [partij C] kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen. 4.4. [partij C] heeft weersproken dat zij invloed had op de veiligheid van [partij A]. Zij stelt dat zij de gehele uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden heeft uitbesteed aan [partij D]. Daartoe hebben [partij C] en [partij D] op 15 juni 2016 een overeenkomst gesloten. [partij D] was verantwoordelijk voor het verzorgen van de benodigde training, het geven van instructies over de werkwijze en de geldende (schoonmaak)procedures en het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook het toezicht op de naleving van deze instructies werd volgens [partij C] uitgevoerd door (objectleiders van) [partij D], die tevens gekleed waren in overalls voorzien van het logo van [partij D]. Bovendien was er tijdens de uitvoering van de nachtelijke schoonmaakwerkzaamheden niemand aanwezig van [partij C], aldus [partij C]. Volgens [partij C] beperkte haar invloed zich uitsluitend tot het verstrekken van documenten aan de leiding van [partij D] waarop staat aangegeven op welke wijze bepaalde machines dienen te worden schoongemaakt en het leveren van een standaardpakket van chemische reinigingsmiddelen aan [partij D]. [partij C] meent dan ook dat niet zij, maar [partij D] verantwoordelijk was voor de veiligheid van [partij A]. Verder stelt [partij C] - onder verwijzing naar haar activiteiten vermeld in het Zij heeft daartoe aangevoerd dat niemand het ongeval heeft gezien; uit de rapporten van Cordaet van 13 december 2023 en 3 april 2024 en de registratie van het ongeval van [partij D] blijkt immers dat er geen getuigen van het ongeval waren. Ook is volgens [partij B] onduidelijk waaraan [partij A] zijn hoofd precies heeft gestoten. [partij C] heeft de toedracht van het ongeval niet betwist. 4.11. De kantonrechter overweegt als volgt. De toedracht van het ongeval is door [partij A] concreet omschreven en deze is ook opgenomen in de registratie van het ongeval door [partij D]. Op de overgelegde foto’s is te zien dat de transportband metalen onderdelen bevat. Niet is weersproken dat de randen daarvan scherp zijn. Evenmin is weersproken dat [partij A] daar op die avond en nacht moest schoonmaken. De kantonrechter is van oordeel dat de betwisting door [partij B] tegenover deze door [partij A] concreet gestelde toedracht zo algemeen geformuleerd is, dat dit niet kan gelden als een gemotiveerde betwisting. De kantonrechter gaat daar dan ook als onvoldoende gemotiveerd aan voorbij. De kantonrechter neemt dus als vaststaand aan dat [partij A] zich ten tijde van het ongeval onder de transportband (zoals weergegeven op foto 1 en 2 in het rapport van Cordaet van 13 december 2023) bevond, dat hij uit een gebukte positie omhoog kwam en dat hij zijn hoofd heeft gestoten tegen een scherpe rand van een metalen onderdeel van de transportband. Zorgplicht 4.12. Nu vaststaat dat [partij A] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, zijn [partij B] en [partij C] daarvoor hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 2 en 4 BW, tenzij zij aantonen dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [partij A]. Dat het ongeval is gebeurd door opzet van [partij A] of omdat hij roekeloos heeft gehandeld, is gesteld noch gebleken. [partij B] en [partij C] moeten dus stellen (en zo nodig bewijzen) dat zij alle maatregelen hebben getroffen die redelijkerwijs van hen verlangd hadden kunnen worden om het ongeval te voorkomen. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. 4.13. In het kader van het antwoord op de vraag of [partij B] en [partij C] voldoende maatregelen hebben getroffen, is het volgende van belang. Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Hoewel artikel 7:658 BW volgens vaste rechtspraak niet beoogt om een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever aan de zorgplicht heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Welke (veiligheids)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (zie HR 14 april 1978, NJ 1979/245 ( Messaoudi/Hoechst Holland )). 4.14. [partij C] heeft slechts gesteld dat op haar geen zorgplicht rust omdat zij niet als materieel werkgever van [partij A] kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor al is overwogen, volgt de kantonrechter [partij C] daarin niet. Nu [partij C] niet heeft gesteld dat en hoe zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, is zij om die reden als inlenende partij op grond van artikel 7:658 lid 4 BW (mede) aansprakelijk voor de schade die [partij A] op 6 mei 2023 tijdens de uitoefening v Onder deze specifieke omstandigheden kan dan ook niet worden gezegd dat het schoonmaken van installaties met metalen onderdelen waarvan de randen scherp zijn een alledaagse dan wel een huis-, tuin- en keukenactiviteit is, dan wel dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvoor in beginsel geen zorgplicht geldt, althans waarvoor een werkgever geen maatregelen behoeft te treffen, dan wel instructies hoeft te geven of dient te waarschuwen. [partij B] had daarom rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een ongeval zich zou voordoen en een werknemer zich mogelijk zou bezeren aan metalen onderdelen van de installaties met scherpe randen. Dat er mogelijk sprake is geweest van enige onoplettendheid bij het omhoog komen van [partij A] vanuit zijn gebukte positie, zoals [partij B] stelt, maakt het voorgaande niet anders. [partij B] moet als werkgever rekening houden met het ervaringsfeit van mogelijke onoplettendheid van een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. 4.18. De kantonrechter is van oordeel dat het verstrekken van werkkleding (een isolerende jas) en veiligheidsschoenen en de verwijzing door [partij B] naar de verschillende documenten die [partij B] aan [partij A] ter beschikking heeft gesteld, onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat [partij B] aan de hiervoor bedoelde zorgplicht heeft voldaan. [partij B] heeft immers niet aangewezen waar in de door haar aan [partij A] verstrekte instructies enige vorm van waarschuwing met betrekking tot het specifieke gevaar voor stoten is geduid. Evenmin blijkt dat er tijdens de opleiding van [partij A] voor de door hem behaalde certificaten of diploma’s aandacht is besteed aan de gevaren van het schoonmaken van installaties met metalen onderdelen waarvan de randen scherp zijn, waarbij het risico op stoten bestaat. Van [partij B] als formeel werkgever mocht worden verlangd dat zij erop toe zou zien dat de aan haar werknemer verstrekte instructies daadwerkelijk toereikend waren en dat de instructies dus aandacht besteedden aan het gevaar op stoten. Dit klemt te meer nu er een dependance van [partij B] is gevestigd op de bedrijfslocatie van [partij C], [partij B] de feitelijke situatie dus kende en er wekelijks overleggen plaatsvonden tussen de vertegenwoordigers van [partij C] en [partij B] waarbij ongevallen en incidenten op de werkvloer werden besproken. Gesteld noch gebleken is dat [partij B] erop heeft toegezien dat [partij A] werd voorzien van een instructie of waarschuwing ten aanzien van dit specifieke gevaar. Denkbaar is verder dat op de werkplek waarschuwingsborden zouden staan en dat de scherpe randen van de metalen onderdelen van de installaties zouden zijn voorzien van een stootrand. Daargelaten de vraag wie die maatregelen feitelijk had kunnen of moeten treffen, had [partij B] vanuit de op haar als werkgever rustende zorgplicht jegens [partij A] het gevaar kunnen en moeten signaleren en al dan niet via derden er op moeten toezien dat maatregelen werden genomen. Dit zijn betrekkelijk eenvoudige maatregelen die zonder al te veel kosten genomen hadden kunnen en moeten worden. Uit het voorgaande volgt dat [partij B] onvoldoende heeft gesteld waaruit kan blijken dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om het ongeval op 6 mei 2023 te voorkomen of de kans daarop te beperken. 4.19. Nu [partij B] en [partij C] niet hebben aangetoond dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [partij A] op 6 mei 2023 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. De in dit kader gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. Schadestaatprocedure 4.20. De kantonrechter acht de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure eveneens toewijsbaar. Dat [partij A] schade heeft geleden en mogelijk lijdt door het ongeval is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt. Meer is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig. De kantonrechter ziet ge Dat [partij C] in haar verhouding tot [partij B] verantwoordelijk was voor het opstellen van toereikende voorschriften en instructies, blijkt ook uit de door [partij B] ter zitting beschreven werkwijze - die niet door [partij C] is betwist - namelijk dat [partij C] de voorschriften en instructies opstelde en aan [partij B] toezond, waarna [partij B] de instructies aan de uitzendkrachten ter beschikking stelde. [partij B] was in de verhouding tot [partij C] dus slechts verantwoordelijk voor het ter beschikking stellen van die (door [partij C] opgestelde) instructies aan de uitzendkrachten. Dat [partij C] en [partij B] ook zijn overeengekomen dat op [partij B] de verplichting rustte om zorg te dragen voor de opleiding en training van de uitzendkrachten, doet daar niet af. Die opleiding en training betrof immers niet de concrete veiligheidsvoorschriften betreffende de werkomstandigheden bij [partij C], waar het in deze procedure om gaat. Dat betekent dat [partij C] - in de contractuele verhouding tot [partij B] - verantwoordelijk was voor (het toezicht op) de veiligheid van [partij A] tijdens de uitoefening van zijn schoonmaakwerkzaamheden. Voor zover [partij C] nog heeft bedoeld te betogen dat zij [partij B] niet hoeft te vrijwaren omdat zij die verantwoordelijkheid aan [partij D] heeft uitbesteed, faalt dit betoog. Dit betreft immers de contractuele relatie tussen [partij C] en [partij D] en [partij B] staat daarbuiten. 4.27. Zoals in de hoofdzaak al is overwogen, staat vast dat [partij A] tijdens de uitoefening van zijn schoonmaakwerkzaamheden bij [partij C] enige (letsel)schade - in ieder geval in de vorm van een snijwond op zijn hoofd - heeft geleden. Voorts is in de hoofdzaak overwogen dat (in ieder geval een deel van) de schade die [partij A] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden het gevolg is van het ontbreken van adequate veiligheidsinstructies op de werkvloer (zoals een waarschuwing voor stoten). Nu [partij C] hier - in de contractuele relatie tot [partij B] - verantwoordelijk voor was, staat vast dat [partij C] jegens [partij B] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen hen gesloten overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat deze tekortkoming niet aan [partij C] is toe te rekenen. Nu [partij B] in de hoofdzaak is veroordeeld tot vergoeding van deze schade, staat vast dat [partij B] enige vorm van schade in de zin van artikel 6:74 BW zal lijden. Hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter het causaal verband tussen de tekortkoming van [partij C] en de schade van [partij B] voldoende vast. 4.28. De conclusie is dat [partij C] [partij B] moet vrijwaren voor de door [partij B] aan [partij A] te vergoeden schade. Deze vordering van [partij B] zal dan ook worden toegewezen, op de wijze zoals in het dictum vermeld. 4.29. Gesteld noch gebleken is welk belang [partij B], naast de (toewijzende) veroordeling zoals hiervoor genoemd, heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht, zodat deze zullen worden afgewezen. Vordering jegens [partij D] 4.30. [partij B] stelt zich op het standpunt dat [partij D] haar moet vrijwaren voor de door [partij B] aan [partij A] te vergoeden schade. [partij B] stelt dat [partij D] - naast [partij C] - als materieel werkgever van [partij A] ex artikel 7:658 lid 4 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [partij A] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023, omdat [partij D] de op haar rustende zorgplicht jegens [partij A] heeft geschonden. Volgens [partij B] moet [partij D] haar in hun onderlinge verhouding volledig vrijwaren, omdat [partij D] de leiding en de volledige zeggenschap had over de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden van [partij A]. Toepasselijkheid artikel 7:658 lid 4 BW 4.31. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing is op de relatie tussen [partij D] en [partij A]. Op [partij B] rusten de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast van haar stelling, aangezien z De vervolgvraag is of [partij D] als partij die - naast [partij B] en [partij C] - hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [partij A], gehouden is om [partij B] volledig te vrijwaren voor de door [partij B] aan [partij A] te vergoeden schade. 4.37. Artikel 6:102 lid 1 BW bepaalt dat als op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, zij daartoe hoofdelijk zijn verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding tegenover elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Uitgangspunt daarbij is dat de schade wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Een andere uitkomst is denkbaar als de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (de zogenoemde billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW). 4.38. Vaststaat dat tussen [partij B] en [partij D] geen contractuele relatie bestaat en dat zij dus geen onderlinge draagplicht hebben afgesproken. De kantonrechter zal daarom nagaan in welke mate de aan [partij B] en [partij D] toe te rekenen omstandigheden tot de schade van [partij A] hebben geleid. Bij die beoordeling zal de kantonrechter uitgaan van de hiervoor (in de hoofdzaak) vermelde zorgplichtschendingen, te weten het ontbreken van adequate veiligheidsinstructies en het toezicht op de naleving daarvan, alsmede het ontbreken van maatregelen zoals waarschuwingsborden en een stootrand. Het gaat erom in welke mate [partij B] en [partij D] aan deze zorgplichtschendingen hebben bijgedragen. 4.39. Voor het antwoord op de vraag welke aan [partij B] en [partij D] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan (de zorgplichtschendingen die debet zijn aan) de schade van [partij A], acht de kantonrechter de volgende omstandigheden relevant. Zoals hiervoor onder 4.34. is overwogen, liepen objectleiders van [partij D] (en niet van [partij B]) op de locatie van het arbeidsongeval. Zij hielden toezicht tijdens de werkzaamheden. Op die manier had [partij D] dus invloed (kunnen hebben) op de veiligheid van de werkomstandigheden van [partij A]. De zeggenschap over de uit te voeren werkzaamheden en het gezag over [partij A] tijdens het werk rustte dus volledig op [partij D]. De verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving van de schoonmakers lag dus in hoge mate bij [partij D]. [partij D] was daarmee naar het oordeel van de kantonrechter de meest gerede partij om het risico op stoten te signaleren, daar maatregelen tegen te treffen dan wel dit risico te melden aan de partij die tot het nemen van maatregelen in staat was. Die partij had [partij B] kunnen zijn voor wat betreft het verstrekken van instructies (al dan niet indirect via [partij C]), of [partij C] voor wat betreft het plaatsen van stootranden of waarschuwingsborden. De kantonrechter is gelet op het feit dat het in de eerste plaats op de weg van [partij D] had gelegen om het gevaar te signaleren en maatregelen te (laten) treffen, van oordeel dat [partij D] voor 100% draagplichtig is voor de schade die [partij A] heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023. Nu in de hoofdzaak al is overwogen dat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van [partij A], ziet de kantonrechter voor een billijkheidscorrectie geen grond. De conclusie is dat [partij D] in haar verhouding tot [partij B] 100% draagplichtig is voor de schade die [partij A] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023. De vordering van [partij B] om [partij D] te veroordelen om [partij B] te vrijwaren, zal dan ook worden toegewezen. Jegens [partij C] en [partij D] Proceskosten 4.40. [partij C] en [partij D] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom ieder de helft van de pro [partij C] stelt dat [partij D] op grond van deze overeenkomst zou zorgdragen voor de georganiseerde schoonmaak en professionele begeleiding, waaronder het toezicht op de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden. Voorts volgt uit de afspraken uit deze overeenkomst dat [partij D] persoonlijke beschermingsmiddelen (spuitpakken en laarzen) zou verzorgen. Gelet op de ernst van de door [partij D] gemaakte fouten en de afwezigheid van een (noemenswaardige) rol van [partij C] daarin en het feit dat partijen geen onderlinge verdeling hebben afgesproken, moet [partij D] [partij C] volledig vrijwaren, aldus [partij C]. 4.47. [partij D] voert als verweer aan dat partijen op 30 november 2023 een nieuwe overeenkomst hebben gesloten waarmee de afspraken over het toezicht op de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden uit de overeenkomst van 15 juni 2016 zijn komen te vervallen. Dat die afspraak niet meer gold ten tijde van het arbeidsongeval van [partij A] op 6 mei 2023, blijkt volgens [partij D] ook uit het feit dat de vergoeding die [partij D] hiervoor van [partij C] zou ontvangen sinds 2017 niet meer is betaald. Verder stelt [partij D] dat schoonmaakmedewerkers van [partij B] die bij [partij C] tewerk zijn gesteld zich in een ander gedeelte van het terrein van [partij C] bevonden. [partij D] had dus geen zeggenschap over de schoonmaakwerkzaamheden die werden uitgevoerd door medewerkers van [partij B], aldus [partij D]. Bovendien was [partij C], en niet [partij D], verantwoordelijk voor het leveren van de hogedrukslangen om de installaties mee schoon te maken. Tot slot beroept [partij D] zich op artikel 8 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene leveringsvoorwaarden, waaruit volgens [partij D] volgt dat [partij C] haar moet vrijwaren voor de aanspraak van [partij A]. 4.48. De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 30 november 2023 een nieuwe overeenkomst hebben gesloten. De vraag is of de afspraken uit deze overeenkomst al golden ten tijde van het arbeidsongeval van [partij A] op 6 mei 2023, zoals [partij D] stelt en [partij C] betwist. [partij D] heeft daarover op zitting gezegd dat de nieuwe afspraken al vóór 30 november 2023 mondeling waren besproken en dat deze daarmee al van toepassing waren op 6 mei 2023. De kantonrechter is van oordeel dat [partij D] dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij C], onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij betrekt de kantonrechter dat de overeenkomst van 30 november 2023 wel is overgelegd, maar dat [partij D] niet heeft onderbouwd vanaf wanneer de afspraken uit deze overeenkomst eerder dan 30 november 2023 zouden zijn ingegaan. Het mondeling spreken over een nieuw te sluiten overeenkomst is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de overeenkomst ook dan al is ingegaan. Ook het verweer van [partij D] dat de afspraken uit de overeenkomst van 15 juni 2016 zijn komen te vervallen omdat de vergoeding voor het toezicht en de controles op de kwaliteit van de schoonmaak op de medewerkers van zowel [partij B] als [partij D] sinds 2017 niet meer werd betaald door [partij C], volgt de kantonrechter niet. [partij C] heeft tijdens de zitting gesteld dat zij die vergoeding - ook na 2017 nog - heeft betaald en heeft uitgelegd dat de vergoeding die is komen te vervallen, een andere vergoeding betrof. Dat heeft [partij D] vervolgens niet weersproken, zodat de kantonrechter dat als vaststaand aanneemt. Dat betekent dat de kantonrechter de overeenkomst van 15 juni 2016 als uitgangspunt neemt. 4.49. Zoals onder 4.37. tot en met 4.39. in de vrijwaringszaak met zaaknummer 25-738 is overwogen, moet de vraag wie in welke mate draagplichtig is voor de schade van [partij A] worden beantwoord aan de hand van de vraag wie in welke mate aan de zorgplichtschendingen (te weten het ontbreken van adequate veiligheidsinstructies en het toezicht op de naleving daarvan, alsmede het ontbreken van maatregelen zoals waarschuwingsborden en een stootrand) heeft bijgedragen. In De proceskosten van [partij C] worden begroot op: - explootkosten € 119,40 - salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 796,40 in de vrijwaringsincidenten 4.53. De kantonrechter heeft de beslissing omtrent de proceskosten in de vrijwaringsincidenten van [partij B] tegen [partij C] en [partij D] en van [partij C] tegen [partij D] aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. 4.54. In het vrijwaringsincident van [partij B] zijn [partij D] en [partij C] in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom ieder de helft de proceskosten van [partij B] betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [partij B] op nihil. 4.55. In het vrijwaringsincident van [partij C] is [partij D] in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten van [partij C] betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [partij C] op nihil. 5 De beslissing De kantonrechter in de hoofdzaak met zaaknummer 24-3470 5.1. verklaart voor recht dat [partij B] en [partij C] jegens [partij A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023, 5.2. veroordeelt [partij B] en [partij C] hoofdelijk tot betaling van de door [partij A] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, 5.3. veroordeelt [partij B] en [partij C] ieder voor de helft in de proceskosten aan de zijde van [partij A] van € 764,00, onverminderd de eventueel hierover verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.4. verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst af het meer of anders gevorderde, in de vrijwaringszaak met zaaknummer 25-738 5.6. veroordeelt [partij C] om [partij B] te vrijwaren voor al hetgeen waartoe [partij B] in de hoofdzaak jegens [partij A] is veroordeeld, met inbegrip van de proceskosten waartoe [partij B] in de hoofdzaak is veroordeeld, 5.7. veroordeelt [partij D] om [partij B] te vrijwaren voor al hetgeen waartoe [partij B] in de hoofdzaak jegens [partij A] is veroordeeld, met inbegrip van de proceskosten waartoe [partij B] in de hoofdzaak is veroordeeld, 5.8. veroordeelt [partij C] en [partij D] ieder voor de helft in de proceskosten aan de zijde van [partij B] van € 799,35, onverminderd de eventueel hierover verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij C] en [partij D] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.9. veroordeelt [partij C] en [partij D] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.10. verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst af het meer of anders gevorderde, in de vrijwaringszaak met zaaknummer 25-739 5.12. veroordeelt [partij D] om aan [partij C] te betalen datgene waartoe [partij C] in verband met de door [partij A] gestelde schade is veroordeeld, met inbegrip van de proceskosten waartoe [partij C] in de hoofdzaak is veroordeeld, 5.13. veroordeelt [partij D] in de proceskosten van € 796,40 aan de zijde van [partij C], onverminderd de eventueel hierover verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij D] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.14. veroordeelt [partij D] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.15. verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad, 5.16. wijst af het meer of anders gevorderde, in het vrijwaringsincident van [partij B] tegen [partij C] en [partij D] 5.17. veroordeelt [partij C] en [pa