Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:19069
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/2007 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser (gemachtigde: I.N.D.J. Rissema, LLB), en de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening van 8 november 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een pleitnota ingediend. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder is mr. [naam 1] verschenen. De zaak van eiser is ter zitting tegelijk behandeld met zaken van de gemachtigde met de zaaknummers 25/2001, 25/2003, 25/2005, 25/2011, 25/2012, 25/2013, 25/2014, 25/2779, 25/2783 en 25/4176. De rechtbank heeft op 24 februari 2026 het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en [naam 2] verschenen. De zaak van eiser is ter zitting tegelijk behandeld met de zaken van de gemachtigde met de zaaknummers 24/9428, 25/1583, 25/1999, 25/2001, 25/2003, 25/2005, 25/2011, 25/2012, 25/2013 en 25/2014. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken nadere informatie te verstrekken over bepaalde kostenposten. Daarbij is aan de gemachtigde toegezegd dat hij in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren. Partijen hebben desgevraagd verklaard dat zij afzien van een nadere zitting. Verweerder heeft de nadere informatie op 25 maart 2026 verstrekt. Op 26 maart 2026 heeft verweerder een aanvulling van de nadere informatie verstrekt. De gemachtigde heeft bij brief van 9 april 2026 gereageerd op de nadere informatie en de aanvulling daarop van verweerder. Overwegingen Feiten 1. Op 5 november 2024 om 21:50 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd aan de [straatnaam] te Delft (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip alleen mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning. 2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto op de parkeerlocatie geen parkeerbelasting was voldaan en dat de auto zonder geldige parkeervergunning stond geparkeerd. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 64 aan kosten in rekening gebracht. 3. Eiser heeft in bezwaar gesteld dat de kosten te hoog zijn vastgesteld. Verweerder heeft daarop de volgende kostenonderbouwing overgelegd: Kostenonderbouwing naheffingsaanslag 2024 a. vaste informatieverwerkingskosten € 441.390 b. variabele informatieverwerkingskosten € 439.205 c. kosten van afschrijving € 76.864 d. kosten van interest € 7.095 e. personeelskosten € 1.495.428 f. overheadkosten € 523.400 Totaal € 2.983.382 Prognose opgelegde naheffingen 44000 Kosten per naheffing € 68 Vastgesteld tarief (2024) € 64 4. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de voormelde kostenposten als volgt nader toegelicht: “ Vaste informatieverwerkingskosten; Onder deze kosten wordt begrepen de automatiseringskosten en de kosten voor het onderhouden van de parkeerapparatuur op straat, scanauto en dergelijke. (…) Variabele informatieverwerkingskosten; Hieronder worden begrepen de kosten voor het innen van naheffingsaanslagen, het afhandelen van beroep en bezwaar (juridische kosten) en bankkosten. (…) Kosten van afschrijving en kosten van interest; Onder deze kosten vallen de afschrijvingskosten en rentekosten van parkeerapparatuur en aangelegde parkeerpl Aldus heeft verweerder de kosten te hoog vastgesteld. 10. Verweerder heeft de stelling van eiser gemotiveerd bestreden. Beoordeling van het geschil Kader 11. De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet. Op grond van de delegatie van het zesde lid van artikel 234 Gemeentewet zijn nadere regels over de in rekening te brengen kosten gesteld in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit). 12. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt welke kosten bij een naheffingsaanslag in rekening kunnen worden gebracht. Dat zijn de kosten van categorieën a tot en met f die worden genoemd in de hiervoor onder 6 en 7 weergegeven kostenoverzichten. Zij mogen alleen in rekening worden gebracht voor zover zij gelden als ‘lasten ter zake’. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit is het woord samenhangen in deze bepaling gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen. Van samenhang in die zin is daarmee slechts dan geen sprake als de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Hierbij geldt dat de gemeente geen kosten mag verhalen die weliswaar lasten ter zake zijn, maar niet op de gemeente drukken omdat zij al op andere wijze dan bij naheffing van parkeerbelasting worden verhaald. Artikel 2, lid 2, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per naheffing aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling in beginsel doen op basis van een jaarlijks op te stellen raming van de kosten en een raming van het aantal naheffingen. De ramingen kunnen evenwel ook het gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. 13. Artikel 2 van het Besluit strekt ertoe dat het bedrag aan kostenverhaal zó wordt vastgesteld, dat op jaarbasis niet meer kosten worden verhaald dan het geraamde totaalbedrag van de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen (de verhaalbarekostenlimiet). De verhaalbarekostenlimiet heeft wezenlijk dezelfde strekking als de opbrengstlimiet die op grond van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet geldt voor rioolheffing respectievelijk leges. Bij de beoordeling van de vraag of de begrenzing van de verhaalbarekostenlimiet in acht wordt genomen, moet daarom zoveel mogelijk worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de opbrengstlimiet van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet. 14. De aansluiting bij die rechtspraak brengt mee dat de verordening op het punt van het kostenverhaal slechts dan in zijn geheel onverbindend is, als het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat (i) de vaststelling van de verhaalbare kosten berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, en bovendien (ii) het vastgestelde bedrag in betekenende mate, dat wil zeggen 10 procent of meer uitgaat boven het bedrag aan kosten dat de gemeente maximaal mag verhalen. In alle andere gevallen waarin de limiet wordt overschreden is het kostenverhaal slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan wat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen. 15. De aansluiting bij de rechtspraak over de opbrengstlimiet van de artikelen 228a en 229b van de Gemeentewet betekent voor wat betreft de stelplicht en bewijslast dat, als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet aan de orde stelt en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen verschaft, van de heffingsambtenaar alleen kan worden verlangd verdergaand inzicht te verschaffen voor zover de belanghebbende vervolgens voldoende gemotiveerd stelt dat ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een la Verweerder heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat deze post ziet op de afschrijving van een softwarepakket en van de scanauto. Eiser heeft vervolgens niet in twijfel gesteld dat deze afschrijvingen ‘kosten ter zake’ zijn. De variabele informatieverwerkingskosten 20. Eiser stelt dat onder de post variabele informatieverwerkingskosten ten onrechte kosten voor bezwaar en beroep in aanmerking zijn genomen. Deze kosten worden gemaakt voor een ander doel dan de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, namelijk voor het bieden van rechtsbescherming. 21. Volgens verweerder staan de kosten van de behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures in een noodzakelijk verband tot de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, omdat daarzonder die procedures overwegend erin uitmonden dat de naheffingsaanslagen worden vernietigd. 22. De vraag of de gemeente ervoor zou kiezen rechtsbescherming te bieden ter zake van door haar opgelegde naheffingsaanslagen, kan in het midden blijven: die keuze heeft de wetgever voor haar gemaakt. Die keuze brengt mee dat de gemeente er niet aan ontkomt kosten voor de behandeling van bezwaren en beroepen te maken omdat, zoals door verweerder terecht naar voren is gebracht, de door haar opgelegde naheffingsaanslagen anders overwegend geen stand zullen houden. Daarmee is het vereiste verband tussen die kosten en de inning van niet-betaalde parkeerbelasting gegeven. 23. Verder stelt eiser dat ten onrechte kosten van betalingsverkeer in aanmerking worden genomen. Die kosten worden overwegend gemaakt om geld van de parkeerautomaten op de bankrekening van de gemeente te krijgen en houden in zoverre geen verband met het innen van niet-betaalde parkeerbelasting, aldus eiser. 24. Met de nader door hem verstrekte informatie heeft verweerder verduidelijkt dat de kosten van betalingsverkeer bestaan uit: • algemene bankkosten; • kosten van de betalingen via belproviders; • kosten van de betalingen via parkeerautomaten; en • kosten voor de betalingen van naheffingen. Verweerder heeft tegenover het standpunt van eiser gesteld dat de post ‘betalingsverkeer’ meer dan zijdelings verband houdt met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, omdat aan het opleggen van een naheffingsaanslag de constatering voorafgaat dat niet is betaald. Die constatering wordt gedaan aan de hand van bankgegevens, waarmee de kosten van het betalingsverkeer in een noodzakelijk verband staan tot het kunnen opleggen van de naheffingsaanslag. Voorts zijn ook met de betaling van de naheffingsaanslagen als zodanig bankkosten gemoeid. 25. De rechtbank acht aannemelijk dat een onmiddellijke en voor de gemeente toegankelijke vastlegging van de voldoening van parkeerbelasting een noodzakelijk element is binnen het systeem van controle en (na)heffing, terwijl van de bankkosten die gemoeid zijn met de betalingen op naheffingsaanslagen het verband met de inning van de belasting voor zich spreekt. Daarmee zijn de bankkosten naar het oordeel van de rechtbank ‘ter zake’. Kosten van afschrijving en interest op investeringen 26. Eiser stelt dat de posten ‘afschrijvingen’ en ‘interest van investeringen’ – alleen met uitzondering van de dakkoffer – onvoldoende samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Parkeerregime [stadsdeel 1] ziet op onderzoek in de wijk. Parkeerdrukmeting staat niet in verband met de inning van niet-betaalde belasting omdat ten tijde van die meting überhaupt geen belasting wordt geheven. Parkeer- en straatverbeteringen in de wijk dienen een ruimtelijk en regulerend doel; de aanleg van extra parkeerplaatsen heeft betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, niet op de heffing van parkeerbelasting. De afschrijvingen en interest verband houdend met parkeerapparatuur op straat zijn volgens eiser niet ‘kosten ter zake’ om de hiervoor genoemde reden. Het parkeerinformatiesysteem PRIS houdt volgens hem geen verband met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. 27. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in de [sta