Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:18971
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 23-4790 (scheiding) / FA RK 24-1129 (verdeling) Zaaknummer: C/09/650183 (scheiding) / C/09/661451 (verdeling) Datum beschikking: 9 juni 2026 Scheiding Beschikking op het op 22 juni 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende te [land 1] , advocaat: mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende te [land 2] , advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam. Procedure Bij beschikking van 12 september 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing ten aanzien van de partneralimentatie, de afwikkeling van het huwelijkse vermogen en de proceskosten aangehouden tot 15 november 2024 pro forma. In de beschikking is onder meer bepaald dat op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 1] van toepassing is en dat in het kader van de afwikkeling van het huwelijkse vermogen op de periode vanaf 18 augustus 1997 tot en met 15 oktober 2020 het Nederlandse recht van toepassing is en vanaf 15 oktober 2020 het recht van [land 2] . Partijen zijn – kort samengevat – in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de partneralimentatie naar [jurisdictie 1] , over te benoemen taxateurs in het kader van de verdeling, over de verdeling naar [jurisdictie 2] en nadere stukken over te leggen. In de beschikking is bepaald dat hiertegen tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. De man heeft tussentijds hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank van 12 september 2024 vernietigd voor zover die ziet op de bepaling dat op het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie [jurisdictie 1] van toepassing is en bepaald dat op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 2] van toepassing is. Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van de rechtbank van 12 september 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige bekrachtigd. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: de brief van 28 november 2024 van de zijde van de man; de brief van 20 mei 2025 van de zijde van de man; de brief van 19 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9-formlier van 21 augustus 2025 van de zijde van de vrouw; de brief van 14 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; de ‘akte uitlating en overlegging producties, tevens houdende wijziging verzoeken’ van 15 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; de brief van 15 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man; de ‘akte uitlating en overlegging producties’ van 15 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; de brief van 17 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw. de brief van 17 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de man. Op 14 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw (via videoverbinding), bijgestaan door mr. M.M.E. Bowmer en mr. H.E.M. Davidson, en de man, bijgestaan door mr. C.L.M. Smeets. Door de advocaat van de vrouw (mr. Bowmer) en door de advocaat van de man (mr. Smeets) zijn pleitnotities overgelegd. Beoordeling De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de echtscheidingsbeschikking op 10 maart 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Capelle aan den IJssel. Partneralimentatie/verzoek vrouw tot toekenning ‘compensatory allowance’ Toepasselijke recht Zoals het gerechtshof Den Haag heeft beslist is op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 2] van toepassing. De vrouw heeft haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij nu verzoekt: primair: de man te veroordelen om uiterlijk binnen acht weken na de door de rechtbank te wijzen beschikking ee Indien de schuldenaar het eenmalige bedrag niet kan betalen volgens de voorwaarden van de voorgaande alinea, zal de rechtbank van eerste aanleg de regeling bepalen voor de betaling van het eenmalige bedrag over een aantal jaren, bepaald op basis van de middelen van de schuldenaar, waarbij maandelijkse of jaarlijkse betalingen worden geïndexeerd volgens de regels van toepassing op onderhoud. …” Artikel 205-1 MBW luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid): “De echtscheiding wordt tegen een van de echtgenoten uitgesproken als deze uitsluitend op zijn of haar schuld is gebaseerd. De echtgenoot tegen wie de scheiding wordt uitgesproken, verliest alle voordelen die hem door zijn echtgenoot zijn verleend door huwelijkscontract of op welke manier dan ook. De andere echtgenoot behoudt de voordelen die hem of haar door zijn of haar echtgenoot zijn verleend, zelfs als deze op wederzijdse basis is toegekend.” Artikel 205-2 MBW luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid): “De echtgenoot ten laste van wie de scheiding is uitgesproken, heeft geen recht op schadevergoeding. Hij kan echter, in uitzonderlijke geval, een vergoeding ontvangen als, rekening houdend met de lengte van hun gezamenlijke leven en de professionele keuze die hij of zij in dezelfde periode heeft gemaakt, ten gunste van de opvoeding van de kinderen of om de carrière van zijn echtgenoot te bevorderen ten koste van zijn eigen partner, het duidelijk oneerlijk lijkt om hem als gevolg van de scheiding een financiële compensatie te weigeren.” Kan de vrouw aanspraak maken op ‘compensatory allowance’? De man heeft zich, onder verwijzing naar artikel 205-1 MBW, primair op het standpunt gesteld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een ‘compensatory allowance’ omdat de vrouw tijdens het huwelijk overspel heeft gepleegd. Daarmee heeft de vrouw naar [jurisdictie 2] uitsluitend schuld aan de echtscheiding en kan er van een ‘compensatory allowance’ geen sprake meer zijn. De vrouw heeft zich op verschillende gronden tegen dit standpunt van de man verweerd. Allereerst heeft de vrouw naar voren gebracht dat een ‘compensatory allowance’ niet toegekend wordt wanneer de echtscheiding is uitgesproken op basis van schuld van uitsluitend de echtgenoot die aanspraak maakt op deze allowance. Volgens de vrouw valt in het onderhavige geval het einde van het huwelijk niet meer aan de ene echtgenoot dan aan de andere echtgenoot te wijten. Zij stelt onder meer dat ook de man tijdens het huwelijk overspel heeft gepleegd. Daarnaast doet de vrouw een beroep op rechtsverwerking. Volgens de vrouw heeft de man zijn recht om op deze uitzondering een beroep te doen verwerkt nu de echtscheiding – mede op verzoek van de man – naar Nederlands recht is uitgesproken op neutrale gronden, te weten duurzame ontwrichting. Het had daarom volgens de vrouw op de weg van de man gelegen om de rechtbank te verzoeken om de beslissing ten aanzien van de echtscheiding aan te houden ten einde de schuldvraag te behandelen. Verder heeft de vrouw betoogd dat het beoordelen van de schuldvraag in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het Nederlandse rechtsstelsel is totaal vreemd met het idee dat het recht op alimentatie teniet kan worden gedaan doordat een partij aan de echtscheiding schuldig wordt verklaard. Tot slot heeft de vrouw er op gewezen dat, zoals volgt uit artikel 205-2 MBW, bij wijze van uitzondering het recht van degene door wiens schuld het huwelijk is geëindigd op een ‘compensatory allowance’ blijft bestaan, indien het vanwege de duur van het huwelijk, beroepskeuzes in verband met de opvoeding van de kinderen, bevordering van de carrière van de echtgenoot ten koste van de eigen carrière, het onbillijk zou zijn een financiële compensatie te ontzeggen. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op de uitzonderingsbepaling van artikel 205-2 MBW slaagt. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Partijen zijn bijna 28 jaar gehuwd geweest. Binnen het huwelij Dit betekent dat de man in de toekomst onverminderd op dezelfde wijze als voorheen vanuit deze ondernemingen kan blijven werken en inkomen kan genereren. Voor de vrouw geldt dit, mede gelet op haar chronische ziekte MS, niet. Uit de jaarrekening van [bedrijfsnaam 2] 2023 blijkt dat de man in dat jaar als directeur een beloning (en kostenvergoedingen) een bedrag van bijna € 1.000.000,-- (onbelast) heeft ontvangen. Het boekjaar 2023 werd vervolgens afgesloten met een verlies van € 1906,--. Ook uit de eerdere jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 2] blijkt dat er forse beloningen werden toegekend aan de directie, terwijl er geen winsten in de onderneming werden gemaakt. Het ging om beloningen van (afgerond) € 1.500.000,-- (2020), € 1.000.000,-- (2021) en € 750.000 (2022) per jaar. Deze beloningen werden tot 2023 nog boekhoudkundig verdeeld over de man en de vrouw (die formeel mede directeur was), maar onweersproken is door de vrouw gesteld dat de beloningen feitelijk onder beheer van de man bleven. De vrouw heeft ook geen werkzaamheden verricht. Weliswaar is de beloning van de man volgens de jaarrekening van 2024 in dat jaar teruggebracht naar € 555.000,-- en is (anders dan in de daaraan voorafgaande jaren) € 176.000,-- winst in de onderneming achtergebleven, maar in 2024 heeft de man zijn werkzaamheden ook verricht vanuit de in 2023 nieuw opgerichte [bedrijfsnaam 3] . Van deze onderneming in [land 3] heeft de man echter geen financiële gegevens overgelegd. Wel bevindt zich in het dossier de door de vrouw als productie 4 overgelegde e-mail van de man van 14 juni 2023 waarin de man aan de vrouw heeft laten weten dat als de vrouw niet onmiddellijk zou aftreden als directeur van [bedrijfsnaam 2] , hij die onderneming zou liquideren en verder zou gaan onder een andere bedrijfsnaam. Kort hierna heeft de man [bedrijfsnaam 3] opgericht. Het had op de weg van de man gelegen om openheid van zaken te geven over de geldstromen in deze laatste onderneming, hetgeen hij niet heeft gedaan. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat er per saldo nagenoeg niets is veranderd aan het inkomen van de man en dat het erop gehouden kan worden dat de man nog steeds jaarlijks om en nabij € 1.000.000,-- als inkomen uit zijn ondernemingen genereert. Daar tegenover staat dat de vrouw nimmer inkomen heeft gegenereerd. De vrouw heeft gesteld dat een ‘compensatory allowance’ van € 2.295.000,-- recht doet aan haar behoefte. Zij is hierbij uitgegaan een ‘compensatory allowance’ van € 15.000,-- x 153 maanden. De man heeft – naast betwisting van de hoogte van het maandelijkse bedrag van € 15.000,-- – hier geen andere berekening of benadering van de ‘compensatory allowance’ tegenover gesteld. Gelet op voormelde inkomensstromen en ervan uitgaande dat de man dit inkomen na de echtscheiding nog steeds kan genereren, acht de rechtbank het bij het bepalen van de hoogte van de ‘compensatory allowance’ niet onredelijk om uit te gaan van een bedrag van € 15.000,-- per maand om deze inkomensongelijkheid te compenseren. De rechtbank neemt voorts als aanknopingspunt een periode van 100 maanden. De man heeft dan de leeftijd bereikt van 67 jaar. De rechtbank is van oordeel dat het niet onrealistisch is te verwachten dat de man tot die leeftijd eerder genoemd inkomen genereert. Indien uitgegaan wordt van € 15.000,-- x 100 maanden komt dit neer op een bedrag van € 1.500.000,--. De rechtbank vindt dit gelet op alle omstandigheden een redelijk bedrag dat recht doet aan de inkomensongelijkheid van partijen na de echtscheiding. De man heeft verzocht om in het geval de rechtbank aan de vrouw een ‘compensatory allowance’ toekent, te bepalen dat hij dit in 5 termijnen kan betalen. De vrouw heeft zich niet verzet tegen een betaling in termijnen. Het recht van [land 2] laat toe dat de ‘compensatory allowance’ in (maximaal) 5 termijnen betaald wordt. De rechtbank acht, gelet op de hoogte van het totaalbedrag en het verwachte jaarlijkse inkomen van de man, 5 jaarlijkse termijnen aangewezen. Op Voor zover deze onderneming nog bestaat, zal de rechtbank de aandelen van deze onderneming toedelen aan de man tegen een waarde van nihil zodat er ten aanzien hiervan niets te verrekenen valt. [bedrijfsnaam 6] De man heeft gesteld er vanuit deze onderneming al jaren geen zakelijke activiteiten meer zijn verricht, dat deze onderneming geen bankrekening heeft gehad en dat deze onderneming alleen nog bestaat omdat de vrouw weigert de opheffingsdocumenten te tekenen. Nu de vrouw deze stellingen van de man onvoldoende heeft betwist en verder niet is gebleken dat [bedrijfsnaam 6] enige waarde heeft, zal de rechtbank de aandelen van deze onderneming toedelen aan de man tegen een waarde van nihil zodat er ten aanzien hiervan niets te verrekenen valt. [bedrijfsnaam 2] SARL Bij de berekening van de ‘compensatory allowance’ heeft de rechtbank hiervoor reeds overwogen dat zij ervan uit gaat dat de ondernemingen [bedrijfsnaam 2] feitelijk fungeren als vehikel voor de man om op fiscaal vriendelijke wijze inkomsten te genereren en dat de inkomsten daaruit door partijen vervolgens feitelijk ook steeds werden geconsumeerd. Dit geldt ook voor [bedrijfsnaam 2] SARL. Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2023 en 2024 van deze onderneming blijkt niet dat er sprake is van opgebouwde reserves. Evenmin is er sprake van onroerend goed of andere substantiële vaste activa. Op grond hiervan en met inachtneming van het feit dat met de toekomstige cashflow al rekening is gehouden bij de bepaling van de ‘compensatory allowance’ gaat de rechtbank ervan uit dat de aandelen in deze onderneming geen reële of substantiële te verdelen waarde vertegenwoordigen, anders dan de intrinsieke waarde van € 15.000,-- zoals blijkt uit de jaarrekening 2024. De rechtbank zal, gelet op het verzoek van de man, de aandelen in de onderneming toedelen aan de man. De rechtbank zal aan de (aandelen in deze) onderneming een waarde toekennen van € 15.000,--, zodat de man in het kader van de verrekening een bedrag van € 7.500,-- aan de vrouw dient te voldoen. Ad 3. Bankrekeningen Partijen hebben overeenstemming bereikt over het feit dat zij de saldi van alle bankrekeningen willen verdelen per datum indiening verzoekschrift, dat wil zeggen 22 juni 2023 (peildatum). Aan de zijde van de vrouw bestaan de volgende bankrekeningen met de volgende saldi per peildatum: - ANZ Access Advantage [bankrekening 1] met saldo AUD 3.115,60. Aan deze hoofdrekening zijn drie interne online spaarrekeningen verbonden: [spaarrekening 1] met saldo AUD 1.010,--; [spaarrekening 2] met saldo AUD 2.465,52; [spaarrekening 3] met saldo AUD 1.845,71; ANZ Spaarrekening [spaarrekening 4] met saldo AUD 0,--; ANZ Plusrekening [plusrekening] met saldo AUD 0,--. Het totale saldo van deze rekeningen bedraagt: AUD 8.346,92. De man kan zich vinden in deze saldi. De rechtbank zal de saldi van deze bankrekeningen toedelen aan de vrouw, onder verrekening met de man van de helft van het totale saldo op de peildatum. Aan de zijde van de man bestaan de volgende bankrekeningen: Revolut; partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat uitgegaan kan worden van het saldo € 16.917,-- per peildatum; LCL bankrekening [bankrekening 2] ; partijen verschillen van mening over het saldo op deze rekening per peildatum. De vrouw gaat uit van een saldo van € 151.251,--. De man gaat uit van een saldo van € 110.000,--. Nu van deze bankrekening geen exacte opgave is gedaan per peildatum, zal de rechtbank de bedragen middelen en uitgaan van een saldo van afgerond € 130.000,-- per peildatum. Het totale saldo van deze rekeningen bedraagt: € 146.917,--. De rechtbank zal de saldi van deze bankrekeningen toedelen aan de man, onder verrekening met de vrouw van de helft van het totale saldo op de peildatum. Verder hebben partijen nog de volgende gezamenlijke bankrekeningen: ANZ Access Advantage [bankrekening 3] ; partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat uitgegaan kan worden van het saldo AUD 1.075,-- per peildatum; LC De Bitcoin Op de zitting is besproken dat het aandeel in de Bitcoin reeds wordt genoemd in het door de man als productie 5 overgelegde overzicht van vermogensbestanddelen per 1 oktober 2020. Dit betekent dat de afwikkeling van het aandeel in de Bitcoin, anders dan de rechtbank in haar tussenbeschikking van 12 september 2024 heeft overwogen, naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld en deel uit maakt van de gemeenschap van goederen. Aan ieder komt alsdan de helft van de waarde van het aandeel in de Bitcoin toe. Dat de man eenzijdig heeft besloten om het aandeel in de Bitcoin aan zijn zoon te schenken, maakt dit niet anders. Zoals eerder overwogen geldt voor de waardering de datum van de feitelijke verdeling. Uit praktische overwegingen zal de rechtbank een datum bepalen die daar dicht bijzit, en daarom de datum van de zitting, 14 april 2026, aanhouden. Uit het door de man als productie 13 overgelegde waarde-overzicht per 27 augustus 2023 blijkt dat de man 0,512 Bitcoin aanhield. In zijn verzoekschrift geeft de man aan dat dit aandeel in de Bitcoin aan een van beiden toegedeeld ofwel gesplitst dient te worden. De rechtbank zal er daarom vanuit gaan dat op de peildatum 22 juni 2023 0,512 Bitcoin deel uit maakte van de gemeenschap van goederen. Uit openbare bronnen beschikbare informatie volgt dat de waarde van de Bitcoin op 14 april 2026 USD 74.165,--. 0,512 x USD 74.165 = USD 37.972,48 bedroeg. De man dient derhalve de helft van laatstgenoemd bedrag aan de vrouw te vergoeden. Nu de man de Bitcoin, zoals hij gesteld heeft, aan zijn zoon heeft geschonken, komt deze niet meer voor verdeling in aanmerking. De overige bestanddelen Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop de verdeling naar [jurisdictie 2] zal moeten worden vastgesteld, waaronder de peildatum voor de omvang en voor de waardering, waarbij zij eveneens moesten stellen en onderbouwen waar dit concreet toe leidt. De vrouw heeft zich voor wat betreft de peildatum op het standpunt gesteld dat de naar het recht van [land 2] de beschikking waarin de Monegaskische rechter de echtscheidings-procedure bevestigt, de peildatum is voor de omvang van en samenstelling van de bestanddelen. Nu volgens de vrouw een dergelijke beschikking in [land 2] dicht op het begin van het proces wordt afgegeven, sluit volgens de vrouw de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 22 juni 2023, als beste bij deze peildatum aan. De man sluit zich aan bij wat de vrouw naar voren heeft gebracht, met dien verstande dat het volgens hem niet relevant is wanneer de peildatum is, nu er uitsluitend sprake is van privévermogen. De rechtbank zal partijen voor wat betreft de peildatum volgen en de peildatum 22 juni 2023 hanteren. De vrouw heeft verder gesteld dat naar het recht van [land 2] geen wijziging van het regime plaatsvindt enkel door het van toepassing worden van het [jurisdictie 2] . Om het regime daadwerkelijk te wijzigen, is het volgens de vrouw noodzakelijk dat partijen een gerechtelijke procedure aanhangig maken, terwijl zij hieraan voorafgaand bij de notaris een contract tot wijziging van het regime – oftewel huwelijkse voorwaarden – moeten aangaan. De rechtbank gaat aan deze stelling van de vrouw voorbij omdat dit geen steun vindt in de wet. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 1243 van het [wetboek] en dan met name naar de laatste alinea. Dit artikel luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid): “Indien het de belangen van de familie rechtvaardigt, kunnen de echtgenoten bij notariële akte hun huwelijksvermogensregeling of overeenkomsten die op hun gemeenschap van toepassing zijn, wijzigen. De wijziging is onderhevig aan bevestiging door de Court of First Instance. De aanvraag en de beslissing over rechterlijke bevestiging worden gepubliceerd overeenkomstig de artikelen 819–823. De door de rechtbank bevestigde wijziging treedt in werking tussen de partijen als de bevestiging onbetwistbaar is geworden. Het mag niet worden a Over de huidige waarde van de BMW hebben partijen geen uitlatingen gedaan. De rechtbank zal de BMW toedelen aan de vrouw. Nu de Porsche Cayenne is ingeruild kan deze niet meer worden toegedeeld aan de man. De rechtbank zal echter wel bepalen dat de man de lening die hij is aangegaan voor de Porsche Cayenne voor zijn rekening dient te nemen. Over en weer zijn partijen geen verrekening van de waarden verschuldigd. De rechtbank kan op dit punt niet anders kan beslissen, nu beide partijen onvoldoende stukken hebben overgelegd met betrekking tot beide auto’s en de geldlening. Pensioen Zoals reeds overwogen in de beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 zijn partijen overeengekomen dat zij beiden hun eigen pensioen zullen behouden. Verrekening voorschotten Partijen zijn het erover eens dat de door de man aan de vrouw betaalde voorschotten – niet zijnde het maandelijkse bedrag van AUD 15.000,-- dat de man uit hoofde van levensonderhoud aan de vrouw heeft voldaan – in de finale verrekening zullen worden meegenomen. Nu hierover geen verzoek is ingediend zal de rechtbank hierover niet beslissen. Proceskosten De vrouw verzoekt aanvullend om veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg. De man heeft verzocht de proceskosten zoals te doen gebruikelijk te compenseren. De rechtbank zal de rechtbank de proceskosten, zoals te doen gebruikelijk in procedures van familierechtelijke aard, compenseren als hierna vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze algemene regel af te wijken. Verzoeken benoeming deskundige en het overleggen van informatie Uit het voorgaande vloeit voort dat de verzoeken tot het benoemen van een deskundige en het overleggen van (financiële) informatie bij gebrek aan belang dienen te worden afgewezen. De rechtbank zal aldus beslissen. Beslissing De rechtbank: * bepaalt dat de man aan de vrouw een ‘compensatory allowance’ dient te voldoen van € 1.500.000,--, te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van € 300.000,--, waarbij de 1e termijn voldaan moet worden uiterlijk op 1 augustus 2026 en de opvolgende 4 termijnen jaarlijks steeds uiterlijk op 1 augustus, iedere termijn te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag waarop de man de betreffende termijnbetaling aan de vrouw moet hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening; * stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen naar Nederlands recht als volgt vast: 1. aan de man worden toegedeeld: 1.1 de aandelen van [bedrijfsnaam 5] ,tegen een waarde van nihil; 1.2 de aandelen van [bedrijfsnaam 6] , tegen een waarde van nihil; 1.3 de aandelen van [bedrijfsnaam 2] SARL, onder verrekening van de helft van de waarde van € 15.000,--, derhalve € 7.500,--, met de vrouw; 1.4 de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum 22 juni 2023: Revolut (saldo € 16.917,--); LCL bankrekening [bankrekening 2] (saldo € 130.000,--); onder verrekening van de helft van het totale saldo van € 146.917,--, derhalve € 73.458,50, met de vrouw; 1.5 de helft van het saldo op de bankrekening ANZ Access Advantage [bankrekening 3] (saldo AUD 1.075), derhalve AUD 537,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen; 1.6 de helft van het saldo op de LCL bankrekening [bankrekening 4] (saldo € 6.437,--), derhalve 3.218,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen; 1.7 de inboedel in [land 2] , zonder verrekening van de waarde met de vrouw; 1.8 de eigen kleding en sieraden, zonder verrekening van de waarde met de vrouw; 2. aan de vrouw worden toegedeeld: 2.1 de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum 22 juni 2023: ANZ Access Advantage [bankrekening 1] (saldo AUD 3.115,60), met aan deze hoofdrekening drie interne online verbonden spaarrekeningen: [spaarrekening 1] (saldo AUD 1.010,--); [spaarrekening 2] (saldo AUD 2.465,52); [spaarrekening 3] (saldo AUD 1.845,71); ANZ Spaarrekening [spaarrekening 4] (saldo AUD 0,--); ANZ Plusrekening [plusreken