Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:18774
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-2076 (bodemprocedure) FA RK 26-2179 (voorlopige voorziening) Zaaknummer: C/09/700544 (bodemprocedure) C/09/700751 (voorlopige voorziening) Datum beschikking: 8 juni 2026 Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Beschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het gewijzigde verzoekschrift, tevens houdende een aanvullend verzoek van 18 maart 2026; - het F9-formulier van 17 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage; - het F9-formulier van 20 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen; - het F9-formulier van 29 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen; - het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken; - het F9-formulier van 11 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage. Op 11 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: De moeder, bijgestaan door haar advocaat; De vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten - De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. - Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] . - De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit. - Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 februari 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het gezamenlijk gezag aan beide ouders toekomt, dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag zal ophalen uit school en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader zal ophalen. Verzoek en verweer De moeder verzoekt – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – en onder wijziging van de beschikking d.d. 6 februari 2025 en de tussen ouders eerder gemaakte afspraken welke zijn vastgelegd in het ouderschapsplan d.d. 2 april 2025: - de eerder vastgestelde zorg-/omgangsregeling te wijzigen en te bepalen dat de vader en [minderjarige] voortaan één keer per week omgang hebben onder professionele begeleiding/ waarbij de dag en de tijden afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de begeleiding/ althans een regeling die de rechtbank passend en juist acht, zo nodig onder vermelding van strikte veiligheidseisen; - haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; - de kosten tussen partijen te compenseren; - een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming om te adviseren over het gezag en de omgang tussen [minderjarige] en de vader; Bij wijze van voorlopige voorziening: - de eerder vastgestelde zorg-/omgangsregeling voorlopig te wijzigen en te bepalen dat de vader en [minderjarige] voortaan één keer per week omgang hebben onder professionele begeleiding, waarbij de dag en de tijden afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de begeleiding, althans een (voorlopige) regeling die de rechtbank passend en juist acht. De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de moeder te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 6 februari 2025 vastgestelde zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vader verblijft, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder na betekening van de in dezen te wijzen beschikking in gebreke blijft aan Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Ontvankelijkheid Het is de rechtbank gebleken dat er sinds eind januari 2026 geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige] , waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling De moeder verzoekt haar alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Volgens de moeder is de situatie sinds de beschikking van 6 februari 2025 en het opstellen van het ouderschapsplan gewijzigd. Zij stelt dat sprake is van een verslechtering van de communicatie en niet van een verbetering, waar de rechtbank bij de beschikking van 6 februari 2025 van uit ging. Volgens de moeder zijn er veiligheidsincidenten geweest, heeft de vader hij afspraken niet nageleefd en de noodzakelijke hulpverlening geblokkeerd. Ook zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . Volgens de moeder ontbreekt de minimale basis voor het hebben van gezamenlijk gezag. Er is geen sprake van samenwerking of overleg tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag leidt tot het risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders. Het traject bij [hulpverlener] loopt erg moeizaam omdat vader geen toestemming verleent voor de benodigde zorg voor [minderjarige] zoals traumabehandeling. Volgens de moeder wordt voldaan aan beide criteria uit artikel 1:253c BW, zodat zij verzoekt haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] . De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Hij stelt dat het gezamenlijk gezag nog maar recent is toegewezen, namelijk op 6 februari 2025. Daarbij is overwogen dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat aan de strenge voorwaarden voor afwijzing was voldaan. Er is geen risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. De vader heeft geen gezagsbeslissingen tegengehouden. Hij heeft meer informatie nodig over de traumabehandeling bij [hulpverlener] voor hij daarmee in kan stemmen. Dit wegens zijn eigen ervaringen met traumabehandeling. De vader is er bang voor buiten beeld te raken als de moeder alleen met het gezag wordt belast. Temeer omdat op dit moment de omgang tussen hem en zijn zoon door de moeder is stopgezet. De vader stelt dat de moeder eenzijdig de communicatie en samenwerking onmogelijk maakt door de zorgregeling op te schorten, steeds nieuwe voorwaarden te stellen en hem de toegang tot [minderjarige] te ontzeggen. De rechtbank constateert dat de communicatie tussen de ouders en het onderlinge vertrouwen is verstoord, maar dat los daarvan geen feiten of omstandigheden zijn vast komen te staan waaruit de rechtbank opmaakt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin [minderjarige] klem of verloren raakt of anderszins in zijn belangen wordt geschaad. De door de moeder gestelde aantijgingen richting de vader dat hij niet mee werkt aan gezagsbeslissingen, onder andere ten aanzien van het traject van [minderjarige] bij [hulpverlener] , is niet onderbouwd met stukken. De rechtbank ziet op dit moment geen grond om de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten. Gezamenlijk gezag is immers het uitgangspunt van de wetgever. Slechts als sprake is van één van de in artikel 1:253c BW genoemde voorwaarden, kan het gezamenlijke gezag worden beëindigd. Aan deze strenge voorwaarden is niet voldaan. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de moeder om haar alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, afwijzen. Nu beide ouders met het gezag belast blijven, zal de rechtbank hierna spreken van een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling. Verdeling van de zorg- en opvoedingst