Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:18709
Inkomstenbelasting, box 3-heffing. De inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dit inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag sparen en beleggen per 1 januari van het kalenderjaar (de peildatum). De heffingsgrondslag is hiermee duidelijk. Anders dan eiser stelt, is een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment niet nodig. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/7270 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 oktober 2025 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2] en mr. [medewerker belastingdienst 3]. Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 57.725 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 30.800. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 88.525. 2. In de aangifte zijn de volgende bezittingen en schulden opgenomen: Bezittingen Bank- en spaartegoeden € 191.000 Aandelen en obligaties € 79.552 Onroerende zaken in NL € 3.385.341 Totaal € 3.838.786 Schulden Andere schulden € 2.938.598 Drempel € 6.400 -/- Totaal € 2.932.198 3. De grondslag voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen is als volgt berekend: Totale waarde bezittingen € 3.838.786 Schulden € 2.932.198 -/- Rendementsgrondslag € 906.588 Heffingsvrij vermogen € 100.000 -/- Heffingsgrondslag box 3 inkomen € 806.588 Aandeel eiser grondslag box 3 € 713.208 Aandeel partner grondslag box 3 € 93.380 4. De aanslag IB/PVV 2021 is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Het voordeel uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 30.800, conform artikel 5.2 van de Wet IB 2001 (tekst 2021). 5. Toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een lager voordeel uit sparen en beleggen. Door eiser is en wordt ook geen beroep gedaan op de Wet tegenbewijsregeling box 3. Geschil 6. In geschil is of de box 3-heffing in de aanslag IB/PVV 2021 terecht is. Meer specifiek is in geschil of in de Wet IB 2001 een genietingsmoment voor box 3 ontbreekt, als gevolg waarvan het niet mogelijk is om het (forfaitair bepaalde) voordeel uit sparen en beleggen te belasten. 7. Eiser stelt dat in de Wet IB 2001 een genietings moment (dan wel genietingstijdstip) voor box 3 ontbreekt, waardoor de verschuldigde box 3-heffing nihil bedraagt. Als gevolg van het ontbreken van een wetsbepaling die het genietingsmoment definieert, is volgens eiser de Wet IB 2001 voor wat betreft de box 3-heffing in strijd is met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), alsook met artikel 1 EP EVRM en ook met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het legaliteitsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiser concludeert dat het inkomen uit sparen en beleggen niet kan worden belast en dat de aanslag dienovereenkomstig dient te worden verminderd. 8. Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Gedingstukken 9. De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft eraan te twijfelen dat verweerder met zijn aanvulling op de stukken van 17 december 2025 alle op zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, daaronder begrepen de interne schriftelijke correspondentie/communicatie over deze zaak. Eiser heeft geen concrete stukken genoemd die ten onrechte niet zijn overgelegd en ook overigens is voor die conclusie in de gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden. Er is dus geen sprake van een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Genietingsmoment in box 3 10. Artikel 2.3 van de Wet IB 2001 luidt: “De inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten: a) belastbare inkomen uit werk en woning; b) belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en c) belastbare inkomen uit sparen en beleggen.” 11. Artikel 5.1 van de Wet IB 2001 luidt: “Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).” 12. Artikel 5.2 van de Wet IB 2001 (tekst 2021) luidt: “1. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 0,03% van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met 5,69% van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II (forfaitair rendement). De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De omvang van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, onderscheidenlijk rendementsklasse II, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. (…)” 13. Artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt: “De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.” 14. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat met het begrip 'genoten' inkomen wordt bedoeld dat het bij de belastingplichtige moet zijn opgekomen of op grond van specifieke bepalingen geacht moet worden bij een belastingplichtige te zijn opgekomen : “Voorgesteld wordt om met ingang van het kalenderjaar 2001 voor de inkomsten sparen en beleggen een forfaitair rendement te introduceren. Uitgangspunt van het voorgestelde systeem is - kort samengevat- dat een belastingplichtige voortaan bij wege van wetsfictie geacht wordt met de tot zijn rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen (dat zijn bezittingen en schulden) altijd een bepaald netto- rendement te (kunnen) behalen dat in de belastingheffing kan worden betrokken; vandaar dat wordt gesproken over een forfaitair rendement. (…) 'De heffingsgrondslagen (de belastingobjecten) voor de inkomstenbelasting bestaan voor alle belastingplichtigen uit de drie in deze bepaling opgenomen categorieën belastbaar inkomen, die elk een eigen regime en een eigen tarief hebben. In deze bepaling komt de zogenoemde boxensystematiek tot uiting. Daarmee wordt een wezenlijk kenmerk aangegeven van de systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…) Voor alle drie de categorieën belastbaar inkomen is vastgelegd dat het gaat om door de belastingplichtige zelf genoten inkomen. Het woord 'genoten' geeft aan dat, wil inkomen of een inkomensbestanddeel bij de belastingplichtige belastbaar zijn, het bij hem moet zijn opgekomen of op grond van specifieke bepalingen geacht moet worden bij hem te zijn opgekomen. Het begrip genieten heeft daarmee dezelfde betekenis als onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.” 15. Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de Wet IB 2001 volgt dat inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dit inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag sparen en beleggen per 1 januari van het kalenderjaar (de peildatum). De heffingsgrondslag is hiermee duidelijk. Anders dan eiser stelt, is een afzonderlijke bepaling voor het genietings moment , zoals neergelegd in artikel 3.146 Wet IB 2001 of het huidige artikel 5.34 Wet IB 2001, niet nodig. 16. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de (recente) jurisprudentie van de Hoge Raad over box 3, daaronder begrepen het zogenoemde Kerstarrest . Zo heeft de Hoge Raad in het Kerstarrest onder rechtsoverweging 3.3.3 overwogen [ voetnoten door de rechtbank weggelaten ]: “Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat in 2017 onveranderd is gebleven dat het forfaitaire stelsel van Hoofdstuk 5 Wet IB 2001 ertoe strekt belasting te heffen over het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dit sluit aan bij de algemene strekking van de Wet IB 2001 om een heffing in het leven te roepen naar de, aan het daadwerkelijk genoten inkomen ontleende, draagkracht. Dit betekent dat naar de strekking van de wet buiten de heffing moeten blijven de voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten, maar had kunnen behalen als hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad.” Uit dit arrest en meer specifiek deze passage, kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat de Hoge Raad geen afzonderlijke, expliciete bepaling van een genietingsmoment voor het box 3-inkomen in de wet nodig acht om box 3-inkomen te kunnen belasten. Ook in alle overige (recente) jurisprudentie van de Hoge Raad over de box 3-heffing is geen ondersteuning te vinden voor de door eiser bepleite tegengestelde conclusie. Deze kwestie zou dan in eerdere uitspraken aan de orde moeten zijn gekomen, ook indien dit punt niet zo concreet naar voren is gebracht als door eiser in deze procedure is gedaan. Anders dan eiser meent, zou daarmee dan niet buiten de rechtsstrijd zijn getreden. 17. Eisers standpunt over een vereist wettelijk vastgelegd genietings moment in box 3 acht de rechtbank onjuist. Dat in het voorgestelde box 3-stelsel wel is voorzien in een duidelijke, expliciete bepaling van het genietingsmoment, maakt dat niet anders. De rechtbank acht de wettelijke bepalingen inzake de box 3-heffing, zeker in samenhang bezien met de vele jurisprudentie daarover, op dit punt ook voldoende duidelijk en ziet geen aanleiding daarover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Overige gronden 18. Nu de rechtbank eiser niet volgt in zijn standpunt dat de Wet IB 2001 ten onrechte geen genietingsmoment inzake box 3 bevat, treffen al eisers overige argumenten/beroepsgronden - zoals onder meer de gestelde schending van diverse (rechts)beginselen - die immers allemaal gebaseerd zijn op dezelfde aanname, ook geen doel. Daarbij komt dat voor zover eiser zich beroept op het Handvest, hem daar in de onderhavige zaak geen beroep op toekomt. Nu de Wet IB 2001 niet beoogt enig Unierecht ten uitvoer te brengen, heeft verweerder in deze zaak dus geen uitvoering gegeven aan een Unierechtelijke bepaling zodat het Handvest in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Dit betekent dat de beroepsgronden van eiser die hun grond vinden in het Handvest, ook om deze reden falen. 19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 36, 37, 78 en 79. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Het wetsvoorstel is op 16 mei 2025 gepubliceerd, Kamerstuk 36 748, nr. 1. Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5436.