Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:1841
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.3825 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (V-nummer: [V-nummer]), geboren op [geboortedatum] 1988, Turkse nationaliteit eiser, (gemachtigde: mr. R. Deniz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. L. Hartog). Zitting hebben: mr. S. van Lokven, rechter, en mr. K.M.R.L. Kamp, griffier. Procesverloop Verweerder heeft eiser op 20 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft op 22 januari 2026 beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en aansluitend mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring; - gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.680,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00. Overwegingen 1. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, twee zogenoemde zware gronden en drie zogenoemde lichte gronden opgevoerd om dit te motiveren. 2. Eiser heeft als gronden tegen de maatregel aangevoerd dat hij in het bewaringsgehoor in de Engelse taal is gehoord zonder tussenkomst van een tolk omdat de verbinding met een tolk in de Turkse taal wegviel en de maatregel reeds daarom onrechtmatig is opgelegd. Eiser wenst tevens de toepassing van het arrest Adrar door verweerder aan de rechtbank voor te leggen. Eiser heeft door de handelwijze van verweerder de druk gevoeld om een asielaanvraag in te dienen. Verweerder dwingt eiser hier namelijk toe door een maatregel op de asielgrond op te leggen. Eiser heeft hierdoor overhaast moeten beslissen terwijl hij liever zijn aanvraag voor een reguliere procedure wilde afronden. Eiser wil een startup in Nederland en zal daarin ook succesvol zijn. Eiser vindt voorts dat verweerder had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel gelet op het signaleren van een mogelijk refoulementrisico. In dat geval had eiser ook de tijd gehad om zijn asielwens eerst goed te overwegen hangende zijn reguliere procedure. Eiser heeft tot slot de zware en lichte gronden betwist. 3. Verweerder heeft zich in reactie op de beroepsgronden op het standpunt gesteld dat de maatregel rechtmatig is opgelegd. Verweerder heeft de werkwijze om te voldoen aan het arrest Adrar toegelicht. Indien een vreemdeling in het bewaringsgehoor verklaart te vrezen bij terugkeer maar geen asielaanvraag indient, vat verweerder dit op als een asielwens en zal verweerder de vreemdeling -na oplegging van de maatregel op de asielgrond- horen om het refoulementrisico te kunnen beoordelen. Indien de vreemdeling in dat gehoor alsnog een wens om een aanvraag in te dienen uit, beschouwt verweerder deze uiting als een asielverzoek. Verweerder acht het formeel indienen van een asielaanvraag daarom niet bepalend voor de mogelijkheid om een vreemdeling in bewaring te stellen op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. 4. De rechtbank zal de maatregel opheffen en motiveert dit als volgt. 5. Eiser is in bew Gedurende deze termijn zal nog niet aan terugkeer gewerkt worden en de maatregel zal gelet op de beschermingswens dan ook in eerste instantie op grond van artikel 59b Vw worden opgelegd.” (…) 10. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Adrar de vragen van deze rechtbank en zittingsplaats heeft beantwoord die betrekking hadden op de omvang van de verplichtingen die de bewaringsrechter heeft bij het beoordelen of een in rechte vaststaand terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Het Hof heeft in dit arrest verduidelijkt dat “de bevoegde nationale autoriteit, in het kader van de in artikel 15 van richtlijn 2008/115 vastgestelde voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring, met name moet nagaan of er een redelijk vooruitzicht is op verwijdering van de illegaal verblijvende onderdaan van een derde land dan wel of dergelijke juridische overwegingen zich tegen zijn verwijdering verzetten.” . Tevens heeft het Hof uitgelegd dat “wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende redenen zijn om aan te nemen dat een illegaal verblijvende derdelander in het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico op behandelingen die door die bepalingen van het Handvest worden verboden, tegen die derdelander geen verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd zolang dat risico voortduurt, zoals overigens uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 [zie in die zin arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punten 58 en 59].” . 11. Verweerder is bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 verplicht om rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en is -te allen tijde- verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Indien verweerder een vreemdeling die onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt in bewaring stelt, dient verweerder na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering in de weg staan. Indien dit het geval is, kan de bewaringsmaatregel namelijk niet tot de verwijdering strekken en is geen sprake van zicht op uitzetting. Indien moet worden beoordeeld of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan de verwijdering is het in rechte vaststaande terugkeerbesluit het uitgangspunt en is het aan de vreemdeling om te stellen dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet zijn betrokken bij de vaststelling van dat terugkeerbesluit. De beoordeling of het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering in de weg staat vergt altijd en ongeacht wat door de vreemdeling naar voren wordt gebracht, een actuele beoordeling door verweerder en een zelfstandige actuele beoordeling door de rechter. 12. De rechtbank overweegt dat het in een situatie als in de onderhavige procedure aan de orde is, het voor verweerder lastig is om te voldoen aan de verplichtingen die uit richtlijn 2008/115 volgen. Dit laat onverlet dat indien sprake is van illegaal verblijf, richtlijn 2008/115 van toepassing is. Eiser heeft in zijn bewaringsgehoor verklaard te vrezen voor terugkeer naar zijn land van herkomst en heeft deze vrees ook geconcretiseerd. Uit de eerder genoemde arresten Ararat en Adrar volgt dat eiser geen asielaanvraag hoeft in te dienen om beschermd te worden tegen refoulement. Verweerder diende dus na te gaan of het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering en daarmee aan de oplegging van de maatregel ter fine van verwijdering, in de weg stond. Indien verweerder hierin niet slaagt in de -beperkte- tijd die hij heeft om eiser op te houden en te horen over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel, is verweerder niet bevoegd om eiser in bewaring te stellen uit hoofde van richtlijn 2008/115. Dit betekent echter niet dat verweerder eiser dan op de asielgrond in bewaring kan stellen. Verweerder hoefde ten tijde van de oplegging van de maat De kennelijk gewenste eenvoud en overzichtelijkheid kan echter nimmer leiden tot een beperking van de verplichting en bevoegdheid van de bewaringsrechter om de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te controleren en te beoordelen. Het Hof heeft in de arresten C.B.X van 8 november 2022 , Bouskoura en Adrar namelijk buitengewoon helder verwoord dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest verankerde recht op vrijheid. De rechtbank overweegt dan ook dat de verplichting van de bewaringsrechter om alle feiten en omstandigheden te onderzoeken die de bewaringsrechter noodzakelijk acht dus niet -kunnen- worden beperkt door verweerder. Dit heeft het Hof bovendien expliciet overwogen in het arrest C.B.X.. In punt 87 heeft het Hof namelijk overwogen dat de bevoegde rechterlijke autoriteit moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van de maatregel te kunnen beoordelen. 13. Verweerder heeft eiser dus op een onjuiste grondslag in bewaring gesteld. Dit betekent dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd. 14. Uit de zogenoemde aanbiedingsbrief en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat eiser op 29 januari 2026 alsnog een asielaanvraag heeft ingediend. Ook is een proces-verbaal van gehoor en bevindingen overgelegd waarin is gerelateerd dat eiser ‘refoulementsaanspraken heeft geuit maar heeft geweigerd om een asielaanvraag in te dienen” en hij daarom wordt gehoord om te onderzoeken of -kort gezegd- het beginsel van non-refoulement aan terugkeer in de weg staat. In dit gehoor, dat heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026, heeft eiser verklaard dat hij, na overleg met zijn advocaat, wel een asielaanvraag wil indienen. Tevens is als ‘opmerking van de rapporteur’ vermeld dat aan eiser is uitgelegd dat hem later een formulier wordt aangeboden om de asielaanvraag te formaliseren en dat de behandeling van zijn asielaanvraag in bewaring zal plaatsvinden. In de aanbiedingsbrief is verder vermeld dat op 22 januari 2026 een asielplanning is gemaakt. De rechtbank overweegt dat al deze inspanningen van verweerder die zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement niet afdoen aan de vaststelling dat eiser op 20 januari 2026 onrechtmatig in bewaring is gesteld en onrechtmatig in bewaring is gehouden tot het moment dat hij op 29 januari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Het op 29 januari 2026 indienen van een asielaanvraag heeft dus niet tot gevolg dat de onrechtmatige oplegging en voortduring van de maatregel tot het indienen van de asielaanvraag als nog een rechtmatig karakter krijgt. 15. De rechtbank concludeert dat eiser totdat hij op 29 januari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 viel. Verweerder was dus verplicht om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit uit te voeren. Verweerder dient evenwel te allen tijde het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Verweerder had eiser dus op 20 januari 2026 niet in bewaring kunnen stellen op grond van richtlijn 2008/115 als hij niet voorafgaand aan oplegging van de maatregel in staat zou zijn geweest om de verklaringen van eiser die zien op een vrees bij terugkeer te beoordelen. Verweerder was ook niet bevoegd om eiser ‘alvast’ in bewaring te stellen en daarna voortvarend het refoulementrisico te beoordelen en aan te nemen dat eiser een asielwens had. De maatregel strekt er in dat geval immers toe om de terugkeer voor te bereiden en uit te voeren. Verweerder heeft het paspoort van eiser ingenomen en had dus onverwijld na de inbewaringstelling een vliegticket moeten aanschaffen terwijl verweerder niet bevoegd is om eiser te verwijderen als hij het refoulementrisico niet heeft beoordeeld. Verweerder was op 20 januari 2026 niet bevoegd om eiser op de asielgrond in bewaring te stellen en de beoordeling van een ‘niet ingediend asielverzoek’ kan ook niet leiden tot vergunningverlening. In de situatie dat een vreemdeling concrete verklarin