Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:1839
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,089 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 text/xml public 2026-02-13T11:47:07 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 NL25.60424 en NL25.60425 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 text/html public 2026-02-13T11:46:51 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / NL25.60424 en NL25.60425 Asielaanvraag; Beroep gegrond; Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst is ongeloofwaardig; Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade; Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning; Verweerder mocht een inreisverbod opleggen; De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.60424 (beroep) en NL25.60425 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 23 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. J.W.F. Menick, een vervanger van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft en tot de Palestijnse bevolkingsgroep behoort. Later heeft eiser verklaard dat hij de Jordaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft ook verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2020. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Jordanië kan terugkeren, omdat de levenssituatie daar slecht is. Zo moest eiser van zijn vader werken, terwijl hij daar niet voor betaald kreeg. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder het volgende asielmotief: 1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft allereerst geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. Hij is namelijk niet op tijd verschenen voor zijn nader gehoor en heeft daar geen verschoonbare verklaring voor. Ook heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en daar geen goede verklaring voor. Daar komt bij dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft hij tegenstrijdig verklaard over zijn nationaliteit. Voorts heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daar geen goede verklaring voor. Verder kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Ten aanzien van het asielrelaas overweegt verweerder dat, nu het eerste asielmotief niet geloofwaardig is, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser is van mening dat er sprake is van een combinatie van factoren waardoor hij een gerede kans loopt om bij uitzetting naar Jordanië slachtoffer te worden van ernstige schade, dan wel een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest . Zo vreest eiser terecht te komen in een situatie van extreme deprivatie. Ook vreest hij voor zijn schuldeisers. Hij kan in Jordanië bovendien niet rekenen op overheidsbescherming. Dat verweerder eisers problemen ongeloofwaardig vindt, omdat deze nooit kunnen leiden tot vrees voor vervolging dan wel een risico op ernstige schade, gaat volgens eiser uit van een onjuiste voorstelling van zaken. Tot slot verzoekt eiser om uit humanitaire redenen af te zien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verwijzing naar zienswijze 6. Eiser verwijst in zijn beroepsgronden in de eerste plaats in algemene zin naar zijn zienswijze. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank echter niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Vrees bij terugkeer 7. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd. Nog los van dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een asielrelaas slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit eerste niet geloofwaardige asielmotief het enige asielmotief is. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd zijn immers slechts economische omstandigheden die niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag of kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser op geen enkele wijze heeft toegelicht dat de mate van deprivatie die hem te wachten staat in Jordanië zodanig is dat het de hoge lat voor het aannemen van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM zou kunnen halen. Reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM 8. De rechtbank constateert dat eiser er in de zienswijze op heeft gewezen dat hij een hecht sociaal netwerk heeft opgebouwd in Nederland. Dit heeft hij herhaald in de beroepsgronden. De rechtbank constateert dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in het bestreden besluit heeft nagelaten te motiveren waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. Het bestreden besluit bevat derhalve een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. 8.1. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd echter reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft aangevoerd dat er geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook aangevoerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat de banden die hij in Nederland heeft opgebouwd zodanig zijn dat niet langer van hem gevergd kan worden om Nederland te verlaten. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, voor zover er al sprake is van privéleven, in eisers nadeel uitvalt en niet noopt tot verlening van een reguliere vergunning. Dat eiser in Nederland zwart werkt en mensen kent, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om tot een ander oordeel te komen. Inreisverbod 9. Nu de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid bepaald dat eiser onmiddellijk Nederland moet verlaten. Verweerder was vervolgens gehouden om een inreisverbod tegen eiser uit te vaardigen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 text/xml public 2026-02-24T13:09:51 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 NL25.60424 en NL25.60425 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 text/html public 2026-02-24T13:09:25 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / NL25.60424 en NL25.60425 Hersteluitspraak. Asielaanvraag; Beroep gegrond; Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst is ongeloofwaardig; Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade; Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning; Verweerder mocht een inreisverbod opleggen; De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.60424 (beroep) en NL25.60425 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 23 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. J.W.F. Menick, een vervanger van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft en tot de Palestijnse bevolkingsgroep behoort. Later heeft eiser verklaard dat hij de Jordaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft ook verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2020 2000 . Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Jordanië kan terugkeren, omdat de levenssituatie daar slecht is. Zo moest eiser van zijn vader werken, terwijl hij daar niet voor betaald kreeg. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder het volgende asielmotief: 1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft allereerst geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. Hij is namelijk niet op tijd verschenen voor zijn nader gehoor en heeft daar geen verschoonbare verklaring voor. Ook heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en daar geen goede verklaring voor. Daar komt bij dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft hij tegenstrijdig verklaard over zijn nationaliteit. Voorts heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daar geen goede verklaring voor. Verder kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Ten aanzien van het asielrelaas overweegt verweerder dat, nu het eerste asielmotief niet geloofwaardig is, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser is van mening dat er sprake is van een combinatie van factoren waardoor hij een gerede kans loopt om bij uitzetting naar Jordanië slachtoffer te worden van ernstige schade, dan wel een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest . Zo vreest eiser terecht te komen in een situatie van extreme deprivatie. Ook vreest hij voor zijn schuldeisers. Hij kan in Jordanië bovendien niet rekenen op overheidsbescherming. Dat verweerder eisers problemen ongeloofwaardig vindt, omdat deze nooit kunnen leiden tot vrees voor vervolging dan wel een risico op ernstige schade, gaat volgens eiser uit van een onjuiste voorstelling van zaken. Tot slot verzoekt eiser om uit humanitaire redenen af te zien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verwijzing naar zienswijze 6. Eiser verwijst in zijn beroepsgronden in de eerste plaats in algemene zin naar zijn zienswijze. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank echter niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Vrees bij terugkeer 7. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd. Nog los van dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een asielrelaas slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit eerste niet geloofwaardige asielmotief het enige asielmotief is. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd zijn immers slechts economische omstandigheden die niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag of kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser op geen enkele wijze heeft toegelicht dat de mate van deprivatie die hem te wachten staat in Jordanië zodanig is dat het de hoge lat voor het aannemen van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM zou kunnen halen. Reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM 8. De rechtbank constateert dat eiser er in de zienswijze op heeft gewezen dat hij een hecht sociaal netwerk heeft opgebouwd in Nederland. Dit heeft hij herhaald in de beroepsgronden. De rechtbank constateert dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in het bestreden besluit heeft nagelaten te motiveren waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. Het bestreden besluit bevat derhalve een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. 8.1. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd echter reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft aangevoerd dat er geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook aangevoerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat de banden die hij in Nederland heeft opgebouwd zodanig zijn dat niet langer van hem gevergd kan worden om Nederland te verlaten. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, voor zover er al sprake is van privéleven, in eisers nadeel uitvalt en niet noopt tot verlening van een reguliere vergunning. Dat eiser in Nederland zwart werkt en mensen kent, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om tot een ander oordeel te komen. Inreisverbod 9. Nu de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid bepaald dat eiser onmiddellijk Nederland moet verlaten. Verweerder was vervolgens gehouden om een inreisverbod tegen eiser uit te vaardigen.