Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:18007
WIA. Dagloon. De WIA en het Dagloonbesluit bieden geen ruimte om van een andere referteperiode uit te gaan. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/8874 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: C. Schravesande). Inleiding Bij besluit van 22 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres per 16 juli 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaalt dat eiseres haar loongegevens aan de rechtbank stuurt. Bij brief van 26 maart 2026 heeft eiseres informatie van de salarisadministratie van haar werkgever en loonstroken ingezonden. Bij besluit van 14 april 2026 (bestreden besluit II) heeft verweerder het in het bestreden besluit I vastgestelde dagloon gewijzigd. Bij brief van 23 april 2026 heeft eiseres een nader standpunt ingenomen. Partijen hebben ter zitting op voorhand toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiseres is op 27 juni 2022 uitgevallen voor haar werkzaamheden als arts bij Arboned B.V. Op 8 april 2024 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. 2. Verweerder heeft aan eiseres per 16 juli 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De hoogte van deze uitkering bedraagt € 3.429,32 bruto per maand. Daarbij is uitgegaan van het loon dat eiseres verdiende in de referteperiode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022, een bedrag van € 47.910,12. Uit het aan dit besluit ten grondslag liggende dagloonrapport blijkt dat het dagloon van eiseres is vastgesteld op € 227,04. 3. Eiseres voert aan dat verweerder van een te laag loon is uitgegaan. Volgens de salarisadministratie van de werkgever ging het om een sv-loon van € 48.635,35 in plaats van € 47.910,12. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres loonstroken en informatie van de loonadministratie van de werkgever overgelegd. 4. Naar aanleiding van de door eiseres overgelegd loongegevens heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen en het eerder vastgestelde WIA-dagloon gewijzigd. Bij die eerdere vaststelling was volgens verweerder ten onrechte de eenmalige uitkering die zij in november 2021 ontving uit het dagloon gehaald. Uit het aan dit besluit ten grondslag liggende dagloonrapport blijkt dat het dagloon van eiseres is vastgesteld op € 230,48. 5. Eiseres heeft in reactie op het nieuwe besluit gesteld dat voor een deel aan haar bezwaren is tegemoet gekomen. Zij stelt dat het loon over de maand juni 2022 ook mee moet worden genomen in de berekening van haar dagloon. Zij heeft er op gewezen dat zij op 1 juni 2022 een substantiële loonsverhoging kreeg en dit zou een wezenlijk verschil maken in de berekening van haar dagloon. 6. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van een procesbelang. Omdat bestreden besluit II niet volledig tegemoet komt aan de bezwaren van eiseres, wordt het beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit II. 7.1 Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. 7.2. Op grond van artikel 13, derde lid, van de WIA worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. 7.3. Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder referteperiode verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. 8.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon uit artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit en dat de referteperiode niet kan worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voorts blijkt uit eerdere jurisprudentie dat uit de regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat is genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. Inherent hieraan is ook dat geen rekening wordt gehouden met vóór of na de referteperiode genoten inkomsten. Artikel 13 van de WIA biedt dus geen ruimte om van een andere referteperiode uit te gaan. Ook het Dagloonbesluit biedt hiervoor geen grondslag. 8.2. Het voorgaande bekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de referteperiode terecht heeft vastgesteld over de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 en bij de berekening van het dagloon rekening heeft gehouden met het inkomen dat eiseres in die periode verdiende. 9.1. Eiseres stelt dat strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredig resultaat leidt. Eiseres is basisarts en het plan was om een opleiding tot specialist te gaan volgen. Door haar ziekte, long covid, kan dat niet meer. Tot op heden is nog geen behandeling mogelijk voor long covid klachten, hetgeen betekent dat het heel goed mogelijk is dat zij over een niet al te lange periode een IVA-uitkering krijgt. Haar toekomstsperspectief op de arbeidsmarkt is door de ziekte wezenlijk veranderd. 9.2. De rechtbank overweegt dat de dagloonberekening dwingendrechtelijk van aard is. Verweerder heeft geen ruimte om hiervan af te wijken. Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is en vaststelling van het WIA-dagloon is een gebonden besluit. Uit de jurisprudentie volgt dat bij een gebonden bevoegdheid op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid en daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat toepassing van een algemeen verbindend voorschrift voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiteindelijk (“onder de streep”) moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een belanghebbende onredelijk bezwarend is, dat wil zeggen zozeer in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. 9.3.