Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:1779
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/696357 KG ZA 25-1252 Vonnis in kort geding van 29 januari 2026 in de zaak van DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA te Washington, District of Columbia, eiser, advocaten: mrs. L.J. Böhmer, D.D. Zorab en H.J.P. Hof, tegen: [gedaagde] te [woonplaats] , gedaagde, in persoon. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Verenigde Staten’ (mannelijk enkelvoud) en ‘ [gedaagde] ’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 januari 2026 met producties 1 tot en met 15; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20; - de door beide partijen overgelegde pleitnotities. 1.2. Op 13 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. 1.3. De Verenigde Staten heeft verzocht om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. De Verenigde Staten heeft dat verzoek gemotiveerd met een beroep op – kort gezegd – de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van informanten van de DEA, DEA-medewerkers en hun familieleden en naasten, en het belang bij geheimhouding van de handelwijze van de DEA en details over lopende onderzoeken. [gedaagde] deelde mee geen reden te zien voor sluiting van de deuren. 1.4. De voorzieningenrechter heeft ter zitting gewezen op het belang van (het beginsel van) openbaarheid en heeft met partijen gezocht naar een oplossing voor het bezwaar van de Verenigde Staten. Daaruit is voortgekomen, en zo heeft de voorzieningenrechter ter zitting bepaald, dat de mondelinge behandeling in het openbaar zal plaatsvinden, met dien verstande dat partijen is verzocht niet te spreken over namen van DEA-medewerkers en -informanten en geen feiten of omstandigheden te noemen die herleidbaar zijn naar deze personen en hun functies, en niet te spreken over nog lopende onderzoeken van de DEA. Indien een van partijen het voor het bepleiten haar standpunt van belang zou vinden zich toch over dergelijke namen c.q. feiten of omstandigheden uit te laten, dan zou de voorzieningenrechter alsnog (zo mogelijk kortstondig) tot sluiting van de deuren overgaan. Partijen hebben met deze procesafspraak ingestemd. Nadien heeft geen van partijen aanspraak gemaakt op het sluiten van de deuren. 1.5. Partijen hebben vervolgens hun standpunten toegelicht. Aan het slot van de behandeling is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is in augustus 2003 in dienst getreden bij het Amerikaanse Consulaat-Generaal in Istanbul, Turkije, waar hij als Investigator heeft gewerkt. Zijn werkzaamheden bestonden grotendeels uit het werven, instrueren, debriefen en uitbetalen van (criminele) informanten. Na de arrestatie van een collega van [gedaagde] in Turkije is [gedaagde] met zijn familie op 29 september 2017 uit Turkije naar Nederland vertrokken. 2.2. Per 26 november 2017 is [gedaagde] in dienst getreden bij de Ambassade van de Verenigde Staten in Den Haag, waar hij als Security Investigator is aangesteld. Artikel 1 sub c van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat het Employee Handbook en Local Compensation Plan een integraal onderdeel van de arbeidsovereenkomst uitmaken. Op pagina 36 van het Employee Handbook is een geheimhoudingsbeding opgenomen, dat voor zover relevant, als volgt luidt: “ INFORMATION SECURITY/CONFIDENTIALITY Many LE Staff work with official USG information marked “Sensitive But Unclassified” (SBU). It is the duty of every employee to protect SBU information through appropriate marking of SBU materials, restricting access of SBU information to a “need-to-know” basis, and ensuring distribution of SBU information is permissible and, when required, specifically authorized. LE Staff shall not directly or indirectly, for the purpose of furthering a private (i.e., financial gain or possible financial benefit) or public interest (i.e., furtherance of foreign government goals), use or allow the use of official information obtained through or in connection with their USG emplo Indien de Verenigde Staten niet tijdig op zijn bericht reageren, zal [gedaagde] maatregelen treffen zoals bekendmaking van informatie aan zijn politieke partij, de Belgische regering, toezichthoudende commissies van het Amerikaanse Congres en diverse mediakanalen in Nederland, de Europese Unie en de Verenigde Staten. 2.12. Op 13 november 2025 is een artikel met de titel “Hoe de Amerikaanse drugsbestrijders een Nederlandse crimineel betaalden voor een gouden tip” in de NRC verschenen. In het artikel is onder andere gedetailleerd beschreven hoe een informant informatie uit het criminele circuit met de DEA heeft gedeeld en op welke wijze en waar de informant werd betaald. Vervolgens is op 16 november 2025 een artikel in De Gelderlander verschenen waarin het leven van de betreffende informant is omschreven. Ook is een interview met leden van zijn adoptiefamilie in het artikel verwerkt. 2.13. Op 21 november 2025 heeft [gedaagde] screenshots van WhatsApp-gesprekken waarin informatie over de handelwijze van de DEA, haar medewerkers en informanten staat, overgelegd in de procedure bij de kantonrechter. 2.14. Op 25 november 2025 is een tweede artikel in de NRC verschenen met de titel “Ex-medewerker: Amerikaanse drugsbestrijders DEA ‘opzettelijk’ illegaal actief in Nederland”, waarin wordt beschreven dat [gedaagde] jaren voor de DEA heeft gewerkt en wat voor werkzaamheden hij heeft uitgevoerd. Ook is in het artikel de handelwijze van de DEA omschreven en de wijze waarop informanten worden ingezet. 3 Het geschil 3.1. De Verenigde Staten vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. aan [gedaagde] een verbod oplegt om informatie te verspreiden over de DEA, althans om informatie te verspreiden die [gedaagde] via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de Ambassade heeft verkregen, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000; II. [gedaagde] beveelt om binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten onderbouwd aan te geven over welke vertrouwelijke en persgevoelige informatie [gedaagde] beschikt via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de Ambassade, en deze informatie binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten af te geven, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000; III. [gedaagde] beveelt om binnen één dag na het vonnis aan de Verenigde Staten onderbouwd aan te geven wanneer hij welke informatie over de werkwijze van de DEA met wie heeft gedeeld, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 100.000.000; IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. De Verenigde Staten legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat partijen een geheimhoudingsbeding zijn overeengekomen dat ook na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] voortduurt. [gedaagde] handelt volgens de Verenigde Staten in strijd met het geheimhoudingsbeding. Daarnaast weegt het recht op leven en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van medewerkers en informanten van de Verenigde Staten zwaarder dan het belang van [gedaagde] om informatie openbaar te maken. Met deze vordering dient de Verenigde Staten ook het belang van hun werknemers/dienstverleners voor wie zij opkomt: [gedaagde] handelt jegens hen onrechtmatig als hij informatie naar buiten brengt die hun veiligheid (en die van hun naasten) in gevaar brengt. 3.3. [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de Verenigde Staten in de daadwerkelijk gemaakte juridische kosten van [gedaagde] dan wel de proceskosten. Het verweer van [gedaagde] wordt hierna, voor zover nodig, besproken. 4 De beoordeling van het geschil Het verb Hieronder valt vanzelfsprekend ook het delen van (persoons)gegevens die herleidbaar zijn tot specifieke DEA-medewerkers en informanten. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt verder met zich dat [gedaagde] geen informatie over nog lopende onderzoeken van de DEA en de daarbij gebezigde methodieken openbaar mag maken. Voor lopende onderzoeken geldt dat informatie daarover de kans op onthulling van de identiteit van de daarbij betrokken personen (en daarmee: hun naasten), mogelijk vergroot. [gedaagde] is dan ook gehouden is geen uitlatingen tegenover derden te doen over medewerkers en informanten van de DEA met inbegrip van feiten en omstandigheden die gelegenheid kunnen geven de bij de activiteiten betrokken personen te traceren en over de opzet en gang van zaken bij nog lopende onderzoeken. Dat betekent dat het [gedaagde] ook verboden is aan derden inzage te geven in stukken die hij (nog) in bezit heeft uit hoofde van zijn (geëindigde) dienstverband zoals correspondentie, formulieren, WhatsApp-gesprekken en foto’s die verband houden met zijn werk voor de Verenigde Staten, voor zover zich daarin informatie bevindt over de identiteit van namens of ten behoevende DEA betrokken personen dan wel informatie waarmee deze personen herleidbaar zijn dan wel voor zover zich daarin informatie bevindt over lopende onderzoeken. Ook staat het [gedaagde] niet vrij geluidsopnamen te verspreiden of aan derden te laten horen voor zover die opnamen (geheel of gedeeltelijk) betrekking hebben op operaties/onderzoeken waarbij [gedaagde] uit hoofde van zijn functie betrokken is geweest, vanwege hetzelfde risico dat daaruit voort kan vloeien voor bij de activiteiten van de DEA betrokken personen en hun naasten. 4.8. Het voorgaande betekent niet dat het [gedaagde] niet vrij zou staan aan derden mededelingen te doen over de aard van zijn werkzaamheden en misstanden die hij meent te hebben waargenomen. Uit het geheimhoudingsbeding volgt dit niet althans niet voldoende duidelijk. Van ‘slapping’, waarvan [gedaagde] gewag maakt, is in dit geval dan ook geen sprake. 4.9. Het beroep van [gedaagde] op artikel 17h Wbk (“Elk beding is nietig voor zover dat het recht beperkt of ontneemt om met inachtneming van het bepaalde in deze wet een vermoeden van een misstand te melden of openbaar te maken”) gaat alleen al niet op omdat het geheimhoudingsbeding voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wbk is overeengekomen. Van strijd met de openbare orde of de goede zeden is, gelet op de zojuist gegeven uitleg van het geheimhoudingsbeding, geen sprake, zodat ook op die grond van nietigheid geen sprake kan zijn. Het is aannemelijk dat [gedaagde] in strijd met het geheimhoudingsbeding heeft gehandeld 4.10. [gedaagde] heeft in zijn e-mail van 6 juni 2025 aan diverse Amerikaanse functionarissen geklaagd over de vermeende misstanden bij de DEA. Daarbij heeft [gedaagde] gedreigd met vervolgstappen, waaronder het opzoeken van de publiciteit. Nadat een reactie vanuit de Verenigde Staten uitbleef, verscheen op 13 november 2025 een artikel met de titel “Hoe de Amerikaanse drugsbestrijders een Nederlandse crimineel betaalden voor een gouden tip” in de NRC. Uit het NRC-artikel volgt dat de NRC inzage heeft gehad in documenten, zoals WhatsApp-gesprekken. De Verenigde Staten heeft voldoende onderbouwd dat het om de WhatsApp-gesprekken tussen enerzijds [gedaagde] en anderzijds zijn DEA-collega’s en informanten gaat. Er is een duidelijke relatie tussen het NRC-artikel en de WhatsApp-gesprekken tussen [gedaagde] en zijn DEA-collega’s en informanten. Verder zijn in het NRC-artikel citaten opgenomen, afkomstig uit de betreffende WhatsApp-gesprekken van [gedaagde] . Daarmee staat voldoende vast dat [gedaagde] inzage in deze WhatsApp-gesprekken heeft gegeven aan de pers, zonder informatie die terug te voeren is naar personen buiten zicht te houden c.q. niet te delen. Een informant wordt met zijn naam ( [naam] ) in het NRC-artikel vermeld. Het ligt voor de hand dat [gedaagde]