Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:1775
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5689 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens) en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, (gemachtigde: mr. J. Meijer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit Rotterdam (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. A.M.M. Ferwerda). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het bouwen van een bedrijfsverzamelcomplex aan de [adres] bij besluit van 8 maart 2021, gewijzigd bij besluit van 3 augustus 2023. Eiseres is gevestigd op een naastgelegen perceel en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunningen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen . Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 8 maart 2021 is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw, bestaande uit één gebouw aan de voorzijde van het perceel en één gebouw aan de achterzijde van het perceel (omgevingsvergunning I). 2.1. Bij besluit verzonden op 6 juli 2021 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft het college, naar aanleiding van een aanvraag van vergunningshoudster van 13 maart 2023, een omgevingsvergunning verleend die voorziet in wijziging van de op 8 maart 2021 verleende omgevingsvergunning (omgevingsvergunning II). 2.3. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 is het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 juli 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 6 juni 2021 vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw. 2.4. Bij het bestreden besluit van 24 mei 2024 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen zowel omgevingsvergunning I als omgevingsvergunning II ongegrond verklaard. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Daar is [naam 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] . Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Omgevingsvergunning II voorziet in een verlaging en geringe verbreding van het achterste gebouw, de toevoeging van een aantal ramen in de zijgevel van het voorste gebouw, en in de realisatie van tien extra parkeerplaatsen. Omdat het achterste gebouw gedeeltelijk binnen de bestemming “Verkeer” is voorzien, heeft het college besloten tot afwijking van het bestemmingsplan op basis van de zogeheten kruimelgevallenregeling. Met omgevingsvergunning II is mede beoogd om tegemoet te komen aan omissies, die na het nemen van het beslissing op bezwaar van 6 juli 2021 waren gebleken. 3.1. Met het bestreden besluit is, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2023, ook opnieuw beslist op de bezwaren van eiseres tegen omgevingsvergunning I. De betekenis van de vorige rechtbankuitspraak in deze procedure 4. Het bestreden besluit is een (vervolg)besluit dat is genomen in de procedure over het bouwplan die heeft geleid tot de rechtbankuitspraak van 26 september 2023. 4.1. Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank is ge Met de aanduiding ‘eventueel toekomstig kantoor’ op de plattegronden van de omgevingsvergunningen wordt niet in een toestemming voor dat gebruik voorzien. Dat geldt ook voor unit D, die volgens eiseres geschikt is voor gebruik als zelfstandig kantoor. Verder heeft het college op zitting toegelicht dat handhavend zal worden opgetreden wegens strijd met het bestemmingsplan, als een bedrijfsunit als zelfstandige kantoorruimte zou worden gebruikt. 6.3. Omdat er in het bestreden besluit van wordt uitgegaan dat het voorschrift noodzakelijk is om te voorkomen dat er functies worden toegestaan die in strijd zijn met het bestemmingsplan, is dat besluit in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres niet wordt benadeeld door het gestelde voorschrift. 6.4. Het betoog van eiseres dat bedrijfsruimte voor WeCargo als commerciële dienstverlener niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan, slaagt niet. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat WeCargo een koeriersdienst is die valt onder categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en daarmee is toegelaten binnen de bestemming “Bedrijf”. Overigens heeft vergunninghoudster erop gewezen dat WeCargo zich elders zal vestigen, vanwege het tijdsverloop sinds de oorspronkelijke aanvraag. Wordt voldaan aan de parkeernormen? a. a) Functie bedrijfsverzamelgebouw als uitgangspunt voor parkeernorm? 7. Eiseres betoogt dat bij de berekening van de parkeernorm ten onrechte niet de functie van bedrijfsverzamelgebouw uit de Nota parkeernormen als uitgangspunt wordt gehanteerd. In de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen is vermeld dat een bedrijfsverzamelgebouw wordt beoogd. De vergunde bedrijfsruimten delen ook voorzieningen, zoals een parkeerterrein en een dak. Ook is sprake van één brandcompartiment per gebouw, aldus eiseres. Daarom had bij de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw moeten worden aangesloten. Op grond van die parkeernorm zijn 46 parkeerplaatsen benodigd, in plaats van de voorziene 44 parkeerplaatsen. 7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verzameling bedrijfsgebouwen. De benaming ‘bedrijfsverzamelgebouw’ in de aanvraag en in de verleende omgevingsvergunning is volgens het college niet doorslaggevend bij het bepalen van de parkeerbehoefte. Uit de aanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen blijkt dat sprake is van zelfstandige units met eigen voorzieningen. Er zijn geen gedeelde voorzieningen, zoals een receptie. Daarom moet voor de berekening van de parkeernorm worden aangesloten bij de parkeernormen voor een bedrijf dat arbeids- en bezoekersextensief is en niet bij de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw, als bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor de niet-zelfstandige kantoren op de verdiepingen is de parkeernorm voor zelfstandige kantoren gehanteerd. Op basis van deze parkeernormen is de parkeerbehoefte 39 parkeerplaatsen, terwijl 44 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. 7.2. Vergunninghoudster brengt naar voren dat wordt voorzien in zelfstandige bedrijfsunits, voor bedrijven tot en met categorie 2. De units zijn met name geschikt voor bijvoorbeeld glaszetters en stukadoors, en voor de opslag van goederen en materialen. Het gaat om bedrijven die arbeids- en bezoekersextensief zijn. 7.3. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat de vermelding van ‘bedrijfsverzamelgebouw’ in de aanvraag en op tekeningen, niet betekent dat het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte ook moet uitgaan van de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw als bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor de toe te passen parkeernorm zijn de kenmerken van het bouwplan en het vergunde gebruik doorslaggevend. Gelet op de kenmerken van de bedrijfsunits, zoals een begane grond met een plafondhoogte van tussen de 4 en 6 meter en de mogelijkheid van niet-zelfstandige kantoorruimte op de verdieping, kan de rechtbank het Daartoe wordt overwogen dat niet valt uit te sluiten dat eiseres als gebruiker van het naastgelegen perceel overlast zou kunnen ondervinden van een situatie waarin de voorziene parkeerplaatsen vanwege de afmetingen daarvan niet volledig kunnen worden benut. 7.10. De rechtbank overweegt verder dat in artikel 4.3 van de Nota parkeernormen een parkeerplaats als volgt wordt gedefinieerd: “ Waar in deze Nota Parkeernormen 2019 gesproken wordt over een parkeerplaats voor auto’s betreft het een ruimte conform (onder andere bouweisen) ‘NEN 2443:2013 Parkeren en stallen van personenauto's op terreinen en in garages’, publicatie Nederland Normalisatie-instituut, d.d. maart 2013 en de CROW-publicatie ASVV 2012 voor parkeerplaatsen in de openbare ruimte (langs straten e.d.). (…) De inrichting van parkeervoorzieningen wordt door een verkeerskundige van de gemeente Zuidplas beoordeeld op bruikbaarheid en veiligheid .” 7.11. Uit de omstandigheid dat in de Nota parkeernormen voor de definitie van een parkeerplaats onder meer wordt verwezen naar NEN 2443:2013, volgt niet dat ook voor wat betreft afmetingen van parkeerplaatsen aan het bepaalde in die NEN-norm moet worden voldaan. Dat zou dan in de Nota parkeernormen moeten zijn bepaald. Daarom volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat NEN 2443:2013 voor wat betreft de afmetingen van parkeerplaatsen geldt als richtlijn. 7.12. Het betoog van eiseres dat er onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn vanwege laden en lossen van vrachtwagens op het eigen terrein, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat parkeerplaatsen 1 t/m 7 moeten vervallen om ruimte te bieden aan laden en lossen van vrachtwagens. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de langsparkeerplaatsen op het perceel feitelijk niet kunnen worden gerealiseerd vanwege een te planten groenhaag. c) De breedte van de weg 7.13. Eiseres betoogt dat bij parkeerplaatsen met een vakbreedte van 2,5 meter de weg minimaal 5,66 meter breed moet zijn. Eiseres verwijst naar paragraaf 4.3 van de Nota parkeernormen en naar een tabel met parkeerwegbreedtes, variërend van 5,66 tot 7 meter. 7.14. Het college stelt zich op het standpunt dat de diepte van de bedrijfsunits op het achterste gedeelte van het perceel ten opzichte van de eerder verleende vergunning is verkort. Daardoor is sprake van een wegbreedte van 5,50 meter ter plaatse van de insteekparkeerplaatsen en dat is voldoende. 7.15. De rechtbank overweegt dat de wegbreedte niet is voorgeschreven in de Nota parkeernormen en dat de door eiseres in de nadere gronden opgenomen tabel met parkeerwegbreedtes daar ook geen onderdeel van uitmaakt. In lijn met wat hiervoor is overwogen over de verwijzing naar NEN 2443:2013, is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres bedoelde afmetingen van parkeerweg alleen als bindende norm zou kunnen gelden als daar in de Nota parkeernormen expliciet naar wordt verwezen. Verder overweegt de rechtbank dat een verkeersdeskundige de inrichting van het parkeerterrein heeft beoordeeld en dat eiseres niet heeft onderbouwd dat een wegbreedte van 5,50 meter niet volstaat. 7.16. Deze beroepsgrond slaagt niet. Mocht het college afwijken van het bestemmingsplan voor het achterste gebouw? 8. Eiseres betoogt dat het achterste gebouw nog steeds in strijd is met het bestemmingsplan omdat het op het deel van het terrein staat waarop de bestemming “Verkeer” rust. 8.1. De rechtbank overweegt dat omgevingsvergunning II voorziet in afwijking van het bestemmingsplan op basis van de zogeheten kruimelgevallenregeling, voor zover het achterste gebouw binnen de bestemming “Verkeer” is voorzien. Het college acht die afwijking van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar, omdat het gaat om een geringe overschrijding die geen afbreuk doet aan het gebruik van de achterliggende weg. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook op andere plaatsen binnen deze verkeersbestemming bebouwing aanwezig is. 8.2. Eiseres heeft niet onderbo De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat niet aan het advies van de brandweer is voldaan, omdat niet is aangetoond dat de bochtradius voor brandweervoertuigen voldoet. In verband met de bochtradius zijn twee beoogde parkeerplaatsen verplaatst naar de zijkanten van het perceel en de aangepaste tekening ‘parkeervoorzieningen en opstelplaatsen blusvoertuigen’ is daarop beoordeeld en akkoord bevonden door de Veiligheidsregio Hollands Midden. Zoals het college naar voren heeft gebracht, blijkt van die beoordeling uit een e-mail van de Veiligheidsregio van 9 april 2024, gericht aan [naam 1] . 10.6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Overige beroepsgronden 11. Eiseres heeft de beroepsgrond dat het college haar bezwaren tegen de verlening van de omgevingsvergunning van 8 maart 2021 niet ongegrond mocht verklaren ter zitting ingetrokken. 12. Eiseres betoogt dat het bouwplan voor wat betreft het voorste gebouw niet voldoet aan de planregel dat de oppervlakte van niet-zelfstandige kantoren een oppervlak van maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak mogen hebben. 12.1. Dit betoog slaagt niet, alleen al omdat uit de bestemmingsregeling niet volgt dat de oppervlakte van niet-zelfstandige kantoren per gebouw en niet per bestemmingsvlak zou moeten worden bepaald. 13. Over het betoog van eiseres dat het college ten onrechte niet het door vergunninghoudster op 20 december 2023 overgelegde document ‘parkeervoorzieningen’ onderdeel heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende. 13.1. Op zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat met het document wordt gedoeld op een tot de stukken behorende tekening waarop de parkeervakken juist zijn ingetekend, vanwege een aanpassing van de bochtradius. De rechtbank stelt vast dat deze tekening ‘parkeervoorzieningen en opstelplaatsen blusvoertuigen’ als bijlage is opgenomen bij het bestreden besluit. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vastgelegd dat deze tekening deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet. 14. Eiseres betoogt verder dat, voor zover geen sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw, een nieuwe aanvraag zou moeten worden gedaan. Dat geldt volgens eiseres temeer omdat in de publicatie een verkeerd perceelsnummer is vermeld. 14.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De benaming van het bouwplan als bedrijfsverzamelgebouw is niet bepalend om vast te stellen wat is vergund, maar het samenstel van de aanvraag, de verleende omgevingsvergunning en stukken die daarvan deel uitmaken. Uit dat samenstel en uit het bestreden besluit blijkt voldoende duidelijk dat een verzameling bedrijfsgebouwen is vergund. Voor zover een onjuist perceelsnummer is vermeld in de publicatie van de verleende omgevingsvergunning kan dat niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De publicatie heeft kennelijk ook niet geleid tot verwarring bij eiseres, omdat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 15.1. Omdat de rechtbank in overweging 6.3 gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd, moet het college wel de proceskosten van eiseres en het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 15.2. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De besli