Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:1774
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/882 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [bedrijf 1] B.V. en [eiser] , uit [woonplaats] , hierna te noemen: eisers (gemachtigde: mr. P.J. de Groen) en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, (gemachtigde: mr. S. Verouden). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (vergunninghouder) (gemachtigde: F.W.A. Helsloot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor een uitbreiding van zijn bloembollenteeltbedrijf met de bouw van 1.843 m² bedrijfsruimte op de locatie [adres 1] . [bedrijf 1] B.V. is gevestigd aan het [adres 2] en [eiser] woont op dit adres. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen . Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft op 17 december 2021 een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning voor de bouw van het bedrijfsgebouw. Bij besluit van 3 mei 2022 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college de bezwaren van eisers tegen het besluit van 3 mei 2022 ongegrond verklaard. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is op 17 december 2021 - en dus vóór 1 januari 2024 - ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.1. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2015” (het bestemmingsplan) rust op het perceel van vergunninghouder de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt - Bollenzone 1” (artikel 3). Gronden met die bestemming zijn onder meer bestemd voor de uitoefening van een bloementeeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1, lid 1.9, van de planregels. Het bouwplan is in strijd met artikel 3.2, sub b, van het bestemmingsplan. Op grond van dit artikel moeten gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd. 3.2. Artikel 38.1 van de planregels voorziet in een zogenoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid , die onder meer betrekking heeft op overschrijding van bouwgrenzen. Op grond van artikel 38.1, aanhef en onder b, kan het college bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels over overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. 3.3 . Het is v 5.1. Het college stelt zich, onder verwijzing naar het verkeersonderzoek van 8 september 2023 van Havenland, op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt als gevolg van het bouwplan. 5.2. Vergunninghouder betwist dat het beoogde bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd in het kader van uitbreiding van zijn bedrijf of van [bedrijf 2] . Vergunninghouder beoogt met het bedrijfsgebouw kwaliteitsverbetering door meer ruimte te bieden voor teeltproducten en duurzaamheid door de opslag van fust in het bedrijfsgebouw op eigen terrein in plaats van buiten. 5.3. De rechtbank overweegt als volgt. Het bouwplan voorziet in uitbreiding van bebouwing die al op het perceel van vergunninghouder staat. De bestaande bebouwing wordt uitgebreid met 1.843 m2. Het college heeft vastgesteld dat het gebruik dat van de bebouwing zal worden gemaakt in overeenstemming is met de bestemming en dat is door eisers niet betwist. Het bouwplan is voor het overgrote deel in overeenstemming met de bouwregels van het bestemmingsplan. 5.4. De afwijking van het bestemmingsplan is beperkt tot de overschrijding van het bouwvlak met een strook van 2 meter, wat blijkens de stukken neerkomt op ongeveer 1% van het bouwvlak. Alleen voor het gedeelte dat in afwijking is van het bestemmingsplan dient een belangenafweging te worden gemaakt. Mogelijke gevolgen van verkeersbewegingen van de rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan mogelijke bebouwing zijn al afgewogen in het bestemmingsplan. Het college heeft de afweging met betrekking tot de gevolgen van verkeer voor het perceel van eisers gemaakt voor het volledige bouwplan, dus ook voor bebouwing die niet in afwijking van het bestemmingsplan is voorzien. In zoverre heeft het college meer in de belangenafweging betrokken dan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is vereist. 5.5. In het door vergunninghouder overgelegde verkeersonderzoek van Havenland van 8 september 2023 wordt geconcludeerd dat het bouwplan leidt tot een afname van verkeersbewegingen. Die afname is volgens het onderzoek – samengevat – toe te schrijven aan de omstandigheid dat het bouwplan voorziet in meer ruimte voor producten en niet in een intensivering van de productie en aan een afname van verkeersbewegingen die verband houden met opgeslagen fust op het perceel van een derde. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende is aangetoond dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen, zodat het bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel van eisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college alleen een belangenafweging hoeft te maken voor zover het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verder hebben eisers geen deskundig tegenadvies overgelegd, waarin de bevindingen van het verkeersonderzoek gemotiveerd worden bestreden. Met de door hen overgelegde screenshots van camerabeelden, die betrekking hebben verkeer in de situatie zonder verwezenlijking van het bouwplan, maken eisers ook niet aannemelijk dat het vergunde bouwplan zal leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Verder hebben eisers hun stelling dat het verkeer van en naar de voorziene bebouwing niet kan worden afgewikkeld via het perceel van [naam] niet aannemelijk gemaakt. Een niet nader onderbouwde betwisting van het recht van overpad van vergunninghouder is daartoe onvoldoende. Gelet op de reikwijdte van de te maken belangenafweging, volgt de rechtbank eisers ook niet in hun betoog dat bestaande verkeersbewegingen – met inbegrip van verkeersbewegingen van [bedrijf 2] , in het verkeersonderzoek hadden moeten worden betrokken. 4.9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Stikstofdepositie 5. Eisers betogen dat de stikstofdepositie vanwege de vergunde activiteiten op het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid” hoger is dan berekend, omdat van een hoger aantal verkeersbewegingen moet worden uitgegaan. 5.1. Het college stelt zich, onder ve