Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:17332
Deze uitspraak gaat over een besluit waarin is gezegd dat eiseres binnen vier weken uit Nederland moet vertrekken en over het weigeren van een zogenoemd verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij een burger van de Unie. Eiseres komt uit Suriname. Haar moeder is Nederlands en woont in Nederland. Eiseres kwam op 5 september 2022 naar Nederland om voor haar moeder te zorgen. Op 22 oktober 2024 werd eiseres staande gehouden door de politie en kreeg zij een brief waarin stond dat zij binnen vier weken Nederland moet verlaten. Dit wordt ook wel een terugkeerbesluit genoemd. Omdat aan eiseres een terugkeerbesluit is gegeven, is dit opgenomen in het Schengeninformatiesysteem. Ook andere landen weten dan dat eiseres Nederland moet verlaten. Dit wordt ook wel een SIS-signalering genoemd. Eiseres was het niet eens met het terugkeerbesluit en de SIS-signalering en stapte daarom naar de rechtbank. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Eiseres heeft namelijk niet gezegd waarom zij het niet eens is met het terugkeerbesluit. Verder mocht de minister eiseres opnemen in het SIS. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het terugkeerbesluit in stand blijft. Ondertussen vroeg eiseres ook een verblijfsdocument EU/EER aan. Eiseres wil namelijk graag bij haar moeder in Nederland verblijven, om voor haar te zorgen. Zo’n verblijfsdocument krijgt eiseres alleen als zij en haar moeder zo afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Volgens de minister heeft eiseres dat niet genoeg laten zien. Daarom werd het verblijfsdocument geweigerd. Eiseres is het hier niet mee eens en ging naar de rechtbank. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Het klopt namelijk wat de minister zegt. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en de weigering van het verblijfsdocument in stand blijft. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: Het terugkeerbesluit NL24.45318 (beroep) NL24.45319 (voorlopige voorziening) De weigering van het verblijfsdocument EU/EER NL25.42593 (beroep) NL25.42595 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres], geboren op [geboortedag 1] 1981, van Surinaamse nationaliteit, eiseres (gemachtigde : mr. R. Dhalganjansing), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Samenvatting Deze uitspraak gaat over een besluit waarin is gezegd dat eiseres binnen vier weken uit Nederland moet vertrekken en over het weigeren van een zogenoemd verblijfsdocument EU /EER voor verblijf bij een burger van de Unie . Eiseres komt uit Suriname. Haar moeder is Nederlands en woont in Nederland. Eiseres kwam op 5 september 2022 naar Nederland om voor haar moeder te zorgen. Op 22 oktober 2024 werd eiseres staande gehouden door de politie en kreeg zij een brief waarin stond dat zij binnen vier weken Nederland moet verlaten. Dit wordt ook wel een terugkeerbesluit genoemd. Omdat aan eiseres een terugkeerbesluit is gegeven, is dit opgenomen in het Schengeninformatiesysteem . Ook andere landen weten dan dat eiseres Nederland moet verlaten. Dit wordt ook wel een SIS-signalering genoemd. Eiseres was het niet eens met het terugkeerbesluit en de SIS-signalering en stapte daarom naar de rechtbank. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Eiseres heeft namelijk niet gezegd waarom zij het niet eens is met het terugkeerbesluit. Verder mocht de minister eiseres opnemen in het SIS. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het terugkeerbesluit in stand blijft. Ondertussen vroeg eiseres ook een verblijfsdocument EU/EER aan. Eiseres wil namelijk graag bij haar moeder in Nederland verblijven, om voor haar te zorgen. Zo’n verblijfsdocument krijgt eiseres alleen als zij en haar moeder zo afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Volgens de minister heeft eiseres dat niet genoeg laten zien. Daarom werd het verblijfsdocument geweigerd. Eiseres is het hier niet mee eens en ging naar de rechtbank. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Het klopt namelijk wat de minister zegt. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en de weigering van het verblijfsdocument in stand blijft. Procesverloop Het terugkeerbesluit Op 22 oktober 2024 is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen stelde eiseres beroep in. Ook vroeg eiseres de voorzieningenrechter om ervoor te zorgen dat ze niet wordt uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op haar beroep. De weigering van het verblijfsdocument EU/EER Op 17 december 2024 vroeg eiseres een verblijfdocument EU/EER aan. Met het besluit van 19 juni 2025 weigerde de minister dit verblijfsdocument. Eiseres was het daar niet mee eens en maakte bezwaar, maar dit bezwaar verklaarde de minister met het besluit van 6 augustus 2025 ongegrond. Hiertegen stelde eiseres beroep in. Ook vroeg eiseres de voorzieningenrechter om ervoor te zorgen dat ze niet wordt uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op haar beroep. In alle zaken De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) behandelde de zaken op 12 maart 2026 op zitting. Eiseres, de advocaat van eiseres en de gemachtigde van de minister waren daarbij aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Leeswijzer 1. De rechtbank begint met het verzoek van eiseres om geen griffierecht te hoeven betalen. Griffierecht is geld dat je moet betalen om een zaak bij de rechtbank te starten. Daarna bespreekt de rechtbank onder het kopje ‘achtergrond’ eerst wat er gebeurde voordat het terugkeerbesluit werd genomen en onder het kopje ‘besluitvorming’ waarom dit terugkeerbesluit is genomen. Hierna gaat de rechtbank in op de weigering van het verblijfsdocument. Tot slot benoemt de rechtbank kort de beroepsgronden en beoordeelt de rechtbank daarna eerst de weigering van het verblijfsdocument en vervolgens het terugkeerbesluit. De rechtbank noemt soms bepaalde artikelen uit bijvoorbeeld nationale wetgeving of verdragen. In de bijlage bij deze uitspraak staan die artikelen volledig uitgeschreven. Het griffierecht 2. Eiseres heeft in alle zaken verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat zij dit niet kan betalen. De rechtbank wijst het verzoek toe. Dat betekent dat eiseres geen griffierecht hoeft te betalen. Het terugkeerbesluit Achtergrond 3. Eiseres is op 5 september 2022 Nederland binnengekomen. Op 22 oktober 2024 meldde eiseres zich bij de gemeente [plaats] om zich in te schrijven in de Registratie Niet-ingezeten. Eiseres wilde een Burgerservicenummer aanvragen en overhandigde een Surinaams paspoort zonder inreisstempel en visum. De gemeente belde toen de vreemdelingenpolitie, zodat die de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van eiseres kon controleren. Eiseres verklaarde dat zij een paspoort met inreisstempel en een visum had, maar dat zij die was verloren op een festival. Zij heeft toen bij de ambassade van Suriname en nieuw paspoort aangevraagd. Eiseres verklaarde ook dat zij sinds 2022 in Nederland is om voor haar moeder te zorgen en dat zij geen rechtmatig verblijf heeft. Hierop heeft de vreemdelingenpolitie eiseres staande gehouden en overgebracht naar het politiebureau te [plaats]. Besluitvorming 4. Met het besluit van 22 oktober 2024 legde de minister vervolgens aan eiseres een terugkeerbesluit op. Daarin staat dat eiseres Nederland binnen vier weken moet verlaten, omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Verder staat in het besluit dat in het SIS is opgenomen dat eiseres Nederland moet verlaten. De weigering van het verblijfsdocument EU/EER Achtergrond 5. Op 17 december 2024 vroeg eiseres om een verblijfsdocument, zodat zij bij haar moeder kan blijven om voor haar te zorgen. In haar aanvraag vroeg ze de minister eerst te kijken naar 20 van het VWEU . Als dat niet genoeg is om het verblijfsdocument te geven, vroeg ze ook te kijken naar artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest . Als bijlage bij haar aanvraag heeft eiseres onder andere een verklaring van haar moeder en zichzelf van 13 december 2024 bijgevoegd. Daarin staat dat eiseres op 5 september 2022 in Nederland aankwam en het de bedoeling was dat zij 2,5 maand zou blijven. Gedurende de periode merkte eiseres dat het niet zo goed ging met haar moeder. Haar moeder kreeg wegrakingen (een soort epilepsie aanval), is acht keer met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en het is wel eens gebeurd dat zij is gevallen met een lelijke wond aan haar hoofd als gevolg. Bij een val kreeg zij ook een diepe snijwond in haar bovenlip. De artsen kunnen de oorzaak van de wegraking nog steeds niet vaststellen. Haar moeder is bang om te vallen en blijft dus vaker liggen. Omdat eiseres haar moeder niet zo kon aanzien, besloot zij om bij haar te blijven. Eiseres zet dagelijks haar medicatie klaar en maakt haar maaltijden. Eiseres laat haar moeder niet alleen naar buiten gaan en neemt haar mee naar bijvoorbeeld familiebezoekjes en de huisarts. Eiseres is overspannen door de hele situatie en slaapt maar drie tot vier uren per dag. Zij heeft daardoor pijn. Besluitvorming 6. De minister weigerde vervolgens het verblijfsdocument. Omdat eiseres en haar moeder meerderjarig zijn, kan alleen in heel uitzonderlijke situaties een familielid van een burger van de EU een afgeleid verblijfsrecht hebben op grond van artikel 20 van het VWEU. Dit is volgens de minister zo wanneer eiseres en haar moeder zo afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Eiseres heeft dit niet voldoende onderbouwd of aangetoond. De minister betwist niet dat eiseres voor haar moeder zorgt, maar dit is niet genoeg. Ook de stelling dat het vanwege eiseres haar medische situatie niet verantwoord is om te reizen, maakt dit niet anders. Eiseres kan namelijk een aanvraag indienen op grond van artikel 64 van de Vw. Ook is niet gebleken dat het afwijzen van deze aanvraag leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM of artikel 7 van het Handvest. Daarnaast heeft de minister eiseres in bezwaar niet gehoord omdat er geen twijfel over bestaat dat het bezwaar ongegrond is. De weigering van het verblijfsdocument EU/EER Beroepsgronden 7. Eiseres voerde in beroep aan dat de minister eerst had moeten beoordelen of zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van nationaal recht. Ook had de minister uit eigen beweging moeten toetsen of aan eiseres uitstel van vertrek, zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw had kunnen worden verleend. Verder ziet de aanvraag van eiseres zowel op toetsing aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU als op grond van artikel 8 van het EVRM. Ook voert eiseres aan dat zij een verwesterde vreemdeling is en om die reden rechtmatig verblijf in Nederland moet krijgen. Tot slot is eiseres van mening dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Beoordeling door de rechtbank De aanvraag 8. De rechtbank stelt vast dat de minister naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft getoetst of zij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Vervolgens heeft de minister uit eigen beweging getoetst of sprake is van een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft dus zowel getoetst aan artikel 20 van het VWEU als aan artikel 8 van het EVRM. Omdat eiseres geen reguliere verblijfsvergunning heeft aangevraagd, maar heeft gevraagd om toetsing aan artikel 20 van het VWEU, had de minister niet hoeven toetsen of sprake is van een verblijfsrecht op nationale gronden. Ook had de minister niet uit eigen beweging hoeven toetsen of eiseres op grond van artikel 64 van de Vw in aanmerking komt voor uitstel van vertrek van vanwege medische redenen. Als eiseres uitstel van vertrek wenst vanwege medische redenen, zal zij een aparte aanvraag moeten indienen. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 20 van het VWEU 9. De rechtbank overweegt dat eiseres aan artikel 20 van het VWEU een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen als sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met haar moeder in die zin dat zij feitelijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden . Het is aan eiseres om die afhankelijkheidsrelatie met objectieve en verifieerbare stukken aannemelijk te maken. De rechtbank gaat hierna in op de stukken die eiseres heeft overgelegd en of zij daarmee de afhankelijkheidsrelatie aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank kijkt daarbij ook naar de stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd. Anders dan de minister is de rechtbank namelijk van oordeel dat de rechtbank de weigering moet toetsen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die nu gelden (en niet zoals die golden op het moment dat het besluit werd genomen ). Verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU ontstaat namelijk automatisch (van rechtswege) als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. 9.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar aanvraag een persoonlijke verklaring van haar moeder van 13 december 2024, foto’s van doosjes met medicatie, een vijftal foto’s waarvan twee van iemand in een ziekenhuisbed en een formulier ‘Aanvraag Laboratorium Diagnostiek’ heeft gevoegd. In bezwaar heeft eiseres slechts een persoonlijke verklaring van haar moeder van 27 juni 2025 opgestuurd. De advocaat van eiseres heeft daarbij aangegeven dat hij in afwachting is van rapportages van deskundigen zoals de huisarts, maatschappelijk werker en psycholoog, maar heeft daarover op zitting gezegd dat het klopt dat de rechtbank die stukken niet heeft gezien. Alleen de stukken die de advocaat van eiseres heeft gekregen, heeft hij aangeleverd. Het gaat dan om een journaal van de huisarts van 16 december 2024 en de verklaringen van eiseres en haar moeder. Ook ziet de rechtbank nog een tweetal foto’s in het dossier waarvan de rechtbank aanneemt dat dit de moeder van eiseres betreft. Op de ene foto zit zij op de grond en op de andere foto zit zij op een stoel met een ambulancemedewerker naast haar. Op de zitting is nog discussie ontstaan tussen eiseres en haar advocaat, omdat eiseres ook stukken van de neuroloog aan de advocaat zou hebben gestuurd. De advocaat kent deze stukken niet. Wat daar ook van zij, feit is dat de rechtbank deze stukken in ieder geval niet in het dossier heeft en dus ook niet bij de beoordeling kan betrekken. 9.2. Dat eiseres voor haar moeder zorgt, staat niet ter discussie. Maar de rechtbank is het met de minister eens dat uit de stukken die eiseres heeft overgelegd niet volgt dat eiseres en haar moeder zo afhankelijk van elkaar zijn dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden. In feite betwist eiseres dat ook niet. Op zitting heeft de advocaat van eiseres namelijk aangegeven dat eiseres weet dat zij medische stukken moet verzamelen waaruit de afhankelijkheidsrelatie blijkt, maar dat dat tot nu toe niet is gelukt. De minister heeft de aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER dan ook terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8 van het EVRM (en artikel 7 van het Handvest) 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Om familieleven tussen meerderjarige familieleden aan te nemen, is namelijk vereist dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres moet dit met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwen. Zulke stukken zijn niet door eiseres overgelegd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft eiseres geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met haar moeder aannemelijk gemaakt. Zonder die bijkomende afhankelijkheid is er dus geen sprake van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom is het besluit om de aanvraag af te wijzen niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet. Het arrest Jeunesse 11. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres heeft verwezen naar het arrest Jeunesse . Voor zover eiseres daarmee stelt dat het besluit van de minister tot inhumane gevolgen leidt, volgt de rechtbank eiseres hierin niet. De minister heeft de aanvraag van eiseres beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving. Zoals uit het voorgaande volgt is de minister op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor het gevraagde verblijfsdocument en voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres en haar moeder in elkaars nabijheid willen verblijven, kan dit niet tot de conclusie leiden dat het besluit van de minister inhumaan zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Verwesterde vreemdeling 12. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het arrest van 11 juni 2024 waaruit zou volgen dat eiseres als de verwesterde vreemdeling een verblijfsrecht moet krijgen, overweegt de rechtbank allereerst dat eiseres haar stelling dat zij is verwesterd niet heeft onderbouwd. Ten tweede ziet het arrest op het beleid over verwestering binnen de beoordeling van asielaanvragen, terwijl eiseres een reguliere aanvraag heeft gedaan voor toetsing aan het EU-recht. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 31 Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht 13. De beroepsgrond van eiseres dat de minister het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht schendt door bewust de lijn uit de rechtspraak van het EHRM en het Hof niet te volgen, is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Ook heeft eiseres niet gemotiveerd op welke punten het besluit van de minister bewust strijdig zou zijn met de uitspraken die zij noemt. De beroepsgrond slaagt niet. Hoorplicht 14. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Een bezwaarmaker hoeft niet te worden gehoord als duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit zal leiden . En dat is hier geval. Eiseres heeft namelijk een aanvraag gedaan om een verblijfsdocument EU/EER en diende aannemelijk te maken dat tussen haar en haar moeder sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Zoals de rechtbank hiervoor heeft gezegd, heeft eiseres onvoldoende objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waar dat uit blijkt. In bezwaar heeft eiseres slechts een persoonlijke verklaring van haar moeder van 27 juni 2025 opgestuurd. Ook heeft eiseres niet duidelijk gemaakt wat zij heeft gedaan om de aangekondigde medische rapportages te verkrijgen en ook niet duidelijk gemaakt wat zij tijdens een hoorzitting naar voren zou brengen dat tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Daarom mocht de minister het bezwaar ongegrond verklaren zonder eiseres te horen. De beroepsgrond slaagt niet. Overige beroepsgronden 15. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden een herhaling zijn van wat eiseres al in bezwaar naar voren heeft gebracht. Daarop is de minister voldoende gemotiveerd ingegaan. Eiseres heeft niet toegelicht wat op die punten onjuist is aan de motivering van de minister. De rechtbank ziet in wat eiseres verder in beroep heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van de weigering van het verblijfsdocument. Het terugkeerbesluit Beoordeling door de rechtbank Terugkeerbesluit 16. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft gezegd waarom het terugkeerbesluit niet goed is. Er is dan ook geen reden om het terugkeerbesluit te vernietigen. SIS-signalering 17 . De rechtbank volgt eiseres tot slot niet in haar standpunt dat de SIS-signalering onrechtmatig is en in strijd is met diverse internationale bepalingen. Nederland moet in SIS signaleren dat eiseres een terugkeerbesluit heeft gekregen. Nederland en andere lidstaten van de EU kunnen dan controleren of eiseres daadwerkelijk is teruggekeerd. Dit volgt uit artikel 3, eerste lid, van SIS-Verordening . In sommige situaties kan worden afgezien van signalering in SIS. Dat staat in het tweede lid van artikel 3 van de SIS-Verordening. Maar die situaties doen zich in het geval van eiseres niet voor. De stelling dat de signalering in strijd is diverse internationale bepalingen leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft namelijk niet toegelicht waarom de signalering in strijd zou zijn met deze bepalingen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het terugkeerbesluit en de weigering van het verblijfsdocument EU/EER blijven dus in stand. 19. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen. 20. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank/voorzieningenrechter: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: Juridisch kader Verordening (EU) 2018/1860 Artikel 3 [Invoering van signaleringen inzake terugkeer in SIS] 1. De lidstaten voeren in SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in SIS ingevoerd. 2. De lidstaten kunnen ervan afzien signaleringen inzake terugkeer in te voeren, indien de terugkeerbesluiten onderdanen van derde landen betreffen die in afwachting van verwijdering worden vastgehouden. Indien de betrokken onderdanen van derde landen worden vrijgelaten zonder te worden verwijderd, wordt in SIS onverwijld een signalering inzake terugkeer ingevoerd. (…) Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Artikel 20 [Burgerschap van de Unie] 1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. 2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven; het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat; het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat; het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen. Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 8 [Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven] 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2.