Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:17096
Landelijke piket - spoedvovo - wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoekster dient te worden behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het bezwaar is beslist. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34664 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam] , V-nummer: [nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. A. Kortrijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kana). Procesverloop 1. Verzoekster is [leeftijd] jaar oud en heeft de Oekraïense nationaliteit. Verzoekster is op 14 juni 2026 vanuit Zweden in Nederland aangekomen en heeft daarbij een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). 2. Met het primaire besluit van 18 juni 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen en aan verzoekster een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft vermeld dat verzoekster binnen vier weken dient terug te keren naar Oekraïne en als zij dat niet doet kan worden uitgezet. 2.1. Verzoekster heeft op 22 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De minister heeft op 23 juni 2026 een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, van welke mogelijkheid zij op 24 juni 2026 gebruik heeft gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Op grond van artikel 8:81 lid 1 Awb kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4. Op grond van artikel 8:83 lid 4 Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in het onderhavige geval die situatie voor. Het primaire standpunt van de minister dat er geen spoedeisend belang is wordt, gelet op hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht, niet gevolgd. Standpunten van partijen 5. In het besluit van 18 juni 2026 is het volgende overwogen: “U hebt de Oekraïense nationaliteit. U valt echter niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Dit komt omdat u in een andere lidstaat verblijfsrecht onder de Ríchtlijn hebt genoten. U hebt verklaard dat u tijdelijke bescherming in Zweden hebt gehad en dat u dit niet verlengd hebt. Uit punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 van 15 juli 2025 blijkt dat een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten. Lidstaten kunnen op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG verzoeken om tijdelijke bescherming afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon in een andere lidstaat verblijfsrecht onder de Richtlijn heeft verkregen of heeft gehad. De Nederlandse overheid heeft besloten dat mensen die op of na 15 juni 2026 tijdelijke bescherming in Nederland aanvragen en in een andere lidstaat tijdelijke bescherming hebben of hebben gehad niet in aanmerking komen voor verblijfsrecht onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland. Om die reden valt u niet onder de Richtlijn. (…) Dit besluit geldt tevens als terugkeerbesluit en u moet de lidstaten van de EU (met uitzondering van lerland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen 4 weken verlaten. U dient terug te keren naar Oekraïne. Als u dat niet doet, kunt u worden uitgezet. Dit staat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet.” 6. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij in 2022 zes maanden tijdelijke bescherming in Zweden heeft genoten, dat zij is teruggekeerd naar Oekraïne, dat zij in april 2026 weer naar Zweden is gegaan en dat zij op 14 juni 2026 Nederland is ingereisd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat vanwege deze inreisdatum het besluit om na 15 juni 2026 geen tijdelijke bescherming meer te verlenen niet op haar situatie van toepassing is. Volgens verzoekster is vanwege een gebrek aan plekken de aanvraag die zij wilde doen pas op 18 juni 2026 verwerkt. Met betrekking tot het terugkeerbesluit is opgemerkt dat het geenszins veilig is in Oekraïne en dat verzoekster in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Het gebied waar zij vandaan komt, en in een kliniek heeft gewerkt, wordt door verzoekster bijzonder onveilig genoemd. Daarbij is erop gewezen dat zij menigmaal in schuilkelders veiligheid heeft moeten zoeken en de afgelopen winter zonder stroom bijzonder zwaar is geweest. Verder heeft zij naar voren gebracht dat zij in Nederland een vriend heeft en om die reden graag in Nederland wil blijven. Verzoekster vraagt om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat verzoekster gedurende het verdere verloop van de procedure, als zijnde in het bezit van een verblijfsvergunning dient te worden behandeld met alle daaraan verbonden rechten, doch in ieder geval als zijnde in het bezit van de bescherming onder de RTB en de daaraan verbonden rechten. 7. De minister stelt zich -samengevat- op het standpunt dat op grond van punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 de aanvraag moet worden afgewezen, omdat verzoekster reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen en dus heeft gehad. Verder stelt de minister dat terecht een terugkeerbesluit is opgelegd, omdat verzoekster onrechtmatig in Nederland is. Volgens de minister heeft bezwaar geen redelijke kans van slagen. Toetsingskader 8. De voorzieningenrechter slaat acht op het navolgende. 8.1. Op 27 februari 2025 heeft het Hof van Justitie naar aanleiding van prejudiciële vragen in zaak C-753/23 (ECLI:EU:C:2025:133) in § 30 het volgende overwogen: “Het staat de autoriteiten van een lidstaat (…) vrij om in het kader van de behandeling van een (…) aanvraag na te gaan of de personen die een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/55 aanvragen, behoren tot de in artikel 2 van uitvoeringsbesluit 2022/382 bedoelde categorieën van personen en tijdelijke bescherming genieten, en of zij reeds een verblijfstitel in een andere lidstaat hebben verkregen.” 8.2. In Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2025 is als punt 4 vervolgens het volgende neergelegd: “Aangezien een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten, moeten de lidstaten, om ervoor te zorgen dat dat beginsel wordt geëerbiedigd en om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen, verzoeken om een verblijfsvergunning op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon op die basis reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen. Dat zou in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2025 in zaak C-753/23 en met name met punt 30 daarvan.” 8.3. In het Informatiebericht (IB) 2026/20 van 15 juni 2026 is het volgende neergelegd: “De opvang zit vol en tegelijkertijd zijn er signalen dat ontheemden in meerdere lidstaten staan geregistreerd voor tijdelijke bescherming. Dat is niet de bedoeling en ondermijnt het draagvlak voor opvang van ontheemden. De IND gaat daarom, in opdracht van de Minister van Asiel en Migratie, personen weigeren die reeds elders in de EU tijdelijke bescherming hebben gekregen. (…) De tijdelijke bescherming kan worden beëindigd als aannemelijk is dat er sprake is (geweest) van tijdelijke bescherming in een andere lidstaat vóór 15 juni 2026.” Oordeel van de voorzieningenrechter 9. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen grond gelegen voor het voorlopig oordeel dat de minister in onderhavige situatie de aanvraag niet kan toetsen aan Uitvoeringsbesluit 2025/1460. De verwijzing naar een stuk van RefugeeHelp kan verzoekster reeds niet baten, nu deze niet over de werkwijze van de minister gaat.