Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:16956
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/8390 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 17 oktober 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2021 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. (P B.V.). 2. Eiser ontving in 2021 loon van P B.V. ten bedrage van € 46.999, waarop € 12.615 aan loonheffing is ingehouden. 3. Bij brief van 25 maart 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen aan P B.V. met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2021. In de brief staat, voor zover van belang: “Op de balans van de laatst ingediende aangifte Vennootschapsbelasting (2018) van [bedrijfsnaam] BV, is een rekening courantvordering op haar directeur/aandeelhouder [eiser] opgenomen. Het bedrag eind 2018 = € 660.429. De rentebate = € 18.566. Het bedrag van € 660.429 is eind 2021 opgelopen met 3 maal de jaarlijkse rentebate van € 18.566 (= € 55.698). Eind 2021 is de rekening courante vordering opgelopen tot € 716.127. [Eiser] heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2021 niet ingediend. Ik kan nu niet bepalen of sprake is van een substantieel netto vermogen. [Eiser] ontvangt in 2021 weliswaar loon (€ 46.999) uit [bedrijfsnaam] BV. Echter zonder de aangifte IH 2021 kan ik niet beoordelen of sprake is van andere inkomsten of van substantieel vermogen. Nu ik verder geen informatie heb over het vermogen van [eiser], ben ik van mening dat de hoogte van de rekening courant vordering dusdanig hoog is, dat deze niet langer in verhouding is met het vermogen. Dit betekent dat ik de rekening courant vordering kwalificeer als onzakelijk. Het gevolg hiervan is dat ik € 716.127 (bedrag van de opgelopen rekening courant vordering), zal belasten in box 2.” 4. De rechtbank begrijpt dat het als aflossing van de rekening-courantschuld en uitdeling aan te merken bedrag vervolgens is verminderd naar € 221.895. Uit het verhandelde ter zitting en het verslag van het hoorgesprek van 24 juli 2025 leidt de rechtbank af dat hierover correspondentie tussen partijen is gevoerd, waarover beide partijen niet meer beschikken. In de aangifte Vpb 2021, ingediend op 6 juni 2024, is een bedrag van € 717.994 aangemerkt als vordering van P B.V. op eiser en een bedrag van € 221.895 als winstuitdeling van P B.V. aan eiser. 5. Eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2021. Na de in de aanmaning gestelde termijn van 11 juli 2023 heeft verweerder de primitieve aanslag IB/PVV 2021 op 20 maart 2024 in het systeem gebracht. De aanslag is vervolgens ambtshalve opgelegd met dagtekening 17 april 2024. De aanslag is opgelegd naar een verzamelinkomen van € 46.999, dus zonder rekening te houden met de uitdeling van € 221.895. Het te betalen bedrag dat uit de aanslag volgt is € 385, bestaande uit een bedrag van de aanslag van nihil en een verzuimboete van € 385. 6. Eiser heeft op 9 juli 2024 alsnog een aangifte IB/PVV 2021 ingediend, naar een verzamelinkomen van eveneens € 46.999. Op 27 augustus 2024 heeft de gemachtigde van eiser een e-mail verzonden aan verweerder met als onderwerp ‘Aangifte inkomstenbelasting 2021 [eiser]’. Hierin staat onder meer: “In vervolg op ons telefoongesprek van zojuist bevestig ik hierbij dat wij in bovengenoemde aangifte zijn vergeten in box 2 de uitdel Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de aanslag op 20 maart 2024 in het computersysteem is ingevoerd en dat het verzamelinkomen is gebaseerd op een schatting van de door eiser ontvangen looninkomsten van P B.V. Deze ingevulde gegevens werden vervolgens door het systeem verwerkt en dit proces kan niet meer kan worden stopgezet of teruggedraaid, aldus verweerder. De aanslag is vervolgens verzonden, met dagtekening 17 april 2024. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat de verwerkingstijd van het opleggen van aanslagen meerdere weken in beslag kan nemen, terwijl het verzenden van de brief van 25 maart 2024 met het voornemen een vergrijpboete op te leggen slechts enkele dagen duurt. De rechtbank acht deze gang van zaken aannemelijk en is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een automatiseringsfout, en niet van een beoordelingsfout. 15. Ten aanzien van de kenbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. In het onderhavige geval beloopt de navorderingsaanslag een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 59.689, terwijl de primitieve aanslag een te betalen bedrag van nihil bedroeg. Aan het vereiste van te weinig geheven belasting van minste 30 percent van de verschuldigde belasting is dan ook voldaan. Daarnaast is door verweerder bij brief van 25 maart 2024 het voornemen om het bedrag van de opgelopen rekening-courantschuld bij eiser in box 2 te belasten aangekondigd. Vervolgens is de primitieve aanslag opgelegd waarbij die correctie zonder enige denkbare reden achterwege is gebleven. Ten slotte heeft de gemachtigde van eiser op 27 augustus 2024 aan verweerder geschreven dat hij is vergeten de uitdeling van € 221.895 in de op 9 juli 2024 alsnog ingediende aangifte te vermelden. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste. Verweerder heeft daarom terecht op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR nagevorderd. Dat eiser op 9 juli 2024 alsnog een (niet juiste) aangifte heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders. 16. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat het onpartijdigheidsbeginsel van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden, omdat de heer Pijpers het bezwaarschrift heeft behandeld en daarnaast verweerder heeft vertegenwoordigd in de beroepsprocedure. Deze stelling slaagt niet, omdat er geen grond bestaat die verweerder weerhoudt om dezelfde medewerker betrokken te laten zijn bij zowel de bezwaar- als de beroepsfase. Ter zitting is toegelicht dat de heer Pijpers niet betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) oplegging van de navorderingsaanslag. De rechtbank ziet ook voorts geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid aan de zijde van verweerder. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, van de Awb dan wel artikel 10:3 van de Awb. 17. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. 18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. 19. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding om eiser, zoals zijn gemachtigde op zitting heeft verzocht, bij een ongegrond beroep een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat het afschrift van het in het systeem brengen van de primitieve aanslag IB/PVV 2021 op 20 maart 2024 pas in de beroepsfase is overgelegd, maakt dit niet anders. In de bezwaarfase heeft verweerder reeds toegelicht dat de primitieve aanslag IB/PVV 2021 geautomatiseerd is opgelegd en dat dit proces eerder is gestart. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of tegen beter weten in procederen door verweerder. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uit