Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:16888
RTB, De brief van 29 januari 2024, waarin is vastgesteld wanneer eisers tijdelijke bescherming eindigt, kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Om die reden dient er ook toepassing te worden gegeven aan artikel 6:19 van de Awb, waardoor het besluit van rechtswege wordt betrokken in onderhavige procedure. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.30358 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Bozkurt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser bij besluit van 28 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 29 januari 2024 heeft de minister bij brief toegelicht dat eisers toegekende tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigt. Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 28 augustus 2023 ingetrokken. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 5 maart 2024 laten weten dat hij het beroep handhaaft. 2.1. Op 25 april 2022 heeft eiser eveneens asiel aangevraagd. Bij besluit van 16 oktober 2025 heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Op 12 november 2025 heeft eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag beroep ingesteld. Op 20 november 2025 heeft de gemachtigde de rechtbank verzocht het beroep tegen het ingetrokken besluit van 28 augustus 2023 als gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 16 oktober 2025 te beschouwen. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek van gemachtigde afgewezen. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer NL22.55508 (de asielzaak) op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk? 3. De minister heeft het besluit van 28 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. 4. Eiser betoogt dat het beroep van rechtswege, met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gericht is tegen de brief van de minister van 29 januari 2024. Volgens eiser is de brief een besluit van een bestuursorgaan gericht op een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtsgevolgen van deze brief zijn dat eiser vanaf 4 maart 2024 geen tijdelijke bescherming meer heeft, hij om te mogen werken een tewerkstellingsvergunning nodig heeft en geen recht meer heeft op gemeentelijke opvang. Ook betoogt eiser dat de brief van 29 januari 2024 beschouwd moet worden als een wijziging of vervanging van het door de minister ingetrokken besluit van 28 augustus 2023 en dat het beroep daarmee mede betrekking heeft op de brief van 29 januari 2024. 5. De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats, in haar uitspraak van 10 november 2025 heeft geoordeeld dat een brief die op het eerste gezicht van algemene en informatieve aard is, niettemin als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden gekwalificeerd, indien de brief het eerste moment vormt waarop de rechtspositie van de vreemdeling individueel en concreet is vastgesteld. Daarnaast is van belang dat een andere uitkomst ertoe zal leiden dat de vreemdeling geen effectieve toegang tot de rechter heeft. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak er sprake is van een dergelijk situatie. In dit geval is het besluit van 28 augustus 2023 ingetrokken. Daarmee is de brief van 29 januari 2024 het eerste moment waarop de minister de rechtspositie van eiser schriftelijk, individueel en concreet heeft vastgesteld. De minister heeft in de brief immers vastgesteld wanneer eisers tijdelijke bescherming eindigt, namelijk op 4 maart 2024, en wat de gevolgen hiervan zijn. Dat de brief op zichzelf een algemeen karakter draagt, doet daaraan niet af. Bepalend is dat de brief in het geval van eiser de functie vervult van een individuele en concrete vaststelling van zijn rechtspositie. Daarnaast is er pas op 16 oktober 2025 terugkeerbesluit opgelegd, waardoor eiser niet eerder beroep kon instellen tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming. Indien de brief van 29 januari 2024 niet als besluit wordt aangemerkt, zou eiser in het geheel geen toegang tot de rechter hebben om de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming aan te vechten. Dit verdraagt zich niet met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Een andere uitkomst zou bovendien betekenen dat niet alle derdelanders met tijdelijke bescherming op gelijke wijze toegang tot de rechter hebben, enkel afhankelijk van de vraag of al dan niet een terugkeerbesluit is opgelegd. 5.2. De brief van 29 januari 2024 kan gelet op voorgaande worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Om die reden dient er ook toepassing te worden gegeven aan artikel 6:19 van de Awb, waardoor het besluit van rechtswege wordt betrokken in onderhavige procedure. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiser. Moest eisers tijdelijke bescherming worden verlengd? 6. Eiser voert aan dat de tijdelijke bescherming verlengd zou moeten worden tot 4 maart 2025. Eiser zou daardoor ook na 4 maart 2025 rechtmatig verblijf hebben in Nederland. Uit het Uitvoeringsbesluit 2022/382 volgt dat alle categorieën personen die daarin staan vermeld en vanaf 4 maart 2022 bescherming kregen onder het Verleningsbesluit/ Uitvoeringsbesluit 2023/2409 vallen. Daarnaast betoogt eiser dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 buiten de omvang van geschil is getreden door te oordelen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege zou stoppen op 4 maart 2024 en niet verlengd zou worden tot 4 maart 2025. De Afdeling had bovendien moeten oordelen dat er een voornemens- en beroepsprocedure gevoerd kan worden. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip te beëindigen dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een zienswijze in te dienen tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, volgt de rechtbank ook niet. Omdat er geen individuele beslissing wordt genomen over de beëindiging maar de bescherming per categorie personen wordt beëindigd , bestaat voor het indienen van een zienswijze geen grond. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2023 is niet-ontvankelijk. Dat besluit is door de minister ingetrokken.