Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:16872
Eerste beroep bewaring - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31576 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigden: mr. J.M. Walther en [gemachtigde]), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. F.S. Schoot). Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 9 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Maatregel van bewaring 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2. Eiser betwist zware gronden 3a, 3b, 3d en 3e en lichte gronden 4c en 4d. Over zware grond 3a voert eiser aan dat geen enkele asielzoeker op de voorgeschreven wijze Nederland kan binnen reizen. 3. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank stelt vast dat eiser zware grond 3c niet heeft betwist. Verder is zware grond 3a feitelijk juist, omdat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eisers stelling geen enkele asielzoeker op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomt, wat hier ook van zij, doet in dit geval niet af aan de feitelijke juistheid van zware grond 3a. De gronden 3a en 3c kunnen de maatregel van bewaring reeds dragen. De overige betwiste gronden behoeven daarom geen bespreking, aangezien het eventueel slagen van die argumenten de bewaring niet onrechtmatig maakt. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 4. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser heeft verklaard te willen meewerken aan zijn terugkeer in het geval zijn asielaanvraag wordt afgewezen. Verder heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met wat eiser heeft verklaard over verdovende middelen die hij heeft gebruikt. Eiser is namelijk kwetsbaar vanwege zijn jeugdige leeftijd en mogelijke gezondheidsklachten. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Dat is in de maatregel voldoende toegelicht. Voorop staat dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de toelichting hierop het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de verklaringen van eiser tijdens het gehoor ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister met het opleggen van een lichter middel had moeten volstaan. Ook heeft de minister eisers medische situatie betrokken in de maatregel en overwogen dat eiser een beroep kan doen op de medische dienst van het detentiecentrum. Verder heeft eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring voor hem onredelijk bezwarend is geworden en de rechtbank zijn die ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toets 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Göbel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).