Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:16654
RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/680049 / HA ZA 25-149 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, eiser, advocaat: [advocaat eiser] , te [plaats 1] , tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, gedaagde, advocaat: [advocaat Staat] , te [plaats 2] . Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd. GEHEIMHOUDING De zaak is met gesloten deuren behandeld. Op grond van artikel 28 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan partijen verboden om aan derden mededelingen te doen over wat er tijdens de mondelinge behandeling is gezegd. De rechtbank verbiedt partijen in dit vonnis op grond van artikel 28 lid 1 onder b Rv ook om aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de processtukken. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 24 januari 2025, met producties 0 tot en met 25; - de brieven van partijen van 24 januari 2025 [eiser] en 14 april 2025 (de Staat); - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 18; - de akte van de Staat van 7 mei 2025 waarbij de eis is verminderd en productie 19 is overgelegd; - het tussenvonnis van 24 september 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald; - e-mailberichten van de rechtbank aan partijen van 8 december 2025, 16 december 2025, 18 december 2025, 15 januari 2026 en 16 januari 2026; - een e-mailbericht van [eiser] aan de rechtbank en de wederpartij van 12 december 2025; - een e-mailbericht van de Staat aan de rechtbank en de wederpartij van 16 januari 2026. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is het [eiser] toegestaan om bij akte (van maximaal een halve A4) te reageren op de stelling van de Staat dat het gezien het gedrag van [eiser] vanaf het begin duidelijk was dat het lastig ging worden om met [eiser] samen te werken in een mogelijk getuigentraject, gelet op de noodzaak tot geheimhouding. Van [eiser] is op 9 februari 2026 een akte ontvangen. Op 17 februari 2026 is een akte van de Staat ontvangen. De akte van [eiser] zal buiten beschouwing worden gelaten voor zover die meer omvat dan een reactie op voormelde stelling. Ook de bij die akte overgelegde productie zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de rechtbank geen ruimte heeft geboden om na de mondelinge behandeling nog nadere stukken in het geding te brengen en dat in dit stadium van de procedure ook in strijd zou komen met de goede procesorde. 2 De feiten 2.1. [eiser] – die niet de Nederlandse nationaliteit heeft – is in 2020 (in hoger beroep) in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar wegens het medeplegen van moord. [eiser] was op die titel gedetineerd in Nederland van 15 april 2015 tot 19 augustus 2021 en heeft toen een deel van die straf ondergaan. Volgens de Staat staan van deze straf nog 2.001 dagen detentie open. 2.2. Daaraan voorafgaand was [eiser] gedetineerd in [land] vanwege een veroordeling voor het plegen van inbraken. [eiser] is overgeleverd aan Nederland omdat hij beschikte over informatie over een liquidatie in Nederland waarbij hijzelf ook betrokken was. Na de overlevering aan Nederland zijn voor het eerst verkennende gesprekken met [eiser] gevoerd door het Team Bijzondere Getuigen (TBG) over een mogelijke kroongetuigenovereenkomst. 2.3. In de periode van 13 mei 2019 tot 20 november 2020 heeft [eiser] kluisverklaringen afgelegd over zeven kwesties. De verklaringen hebben betrekking op verschillende strafzaken tegen de georganiseerde misdaad, waaronder [criminele organisatie] . Deze kluisverklaringen zijn tot op heden niet in strafzaken gebruikt. 2.4. In oktober 2019 heeft een informant gemeld dat [eiser] aan een medegedetinee Op 23 augustus 2024 heeft [advocaat eiser] een e-mail verstuurd aan de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, zonder eerst te verifiëren of men van de gesprekken tussen [eiser] en het OM op de hoogte was. In die e-mail is onder meer vermeld: “(…) Hoewel (…) erkende tegen cliënt (…) liet zij cliënt weten dat als hij mij als advocaat inschakelt (wat al is gebeurd), het Openbaar Ministerie in de hoedanigheid van het Landelijk Parket, Team Bijzondere Getuigen (TGB), geen deal met hem wil maken om te getuigen in het hoger beroep van voornoemde zaak. De reden die daarvoor werd gegeven (…) was dat er tussen ondergetekende en het OM een aantal incidenten zijn geweest. Daarover zou een hele grote ruzie zijn ontstaan omdat het OM/Getuigenbescherming vindt dat mijn handelen mijn cliënten en haar medewerkers in gevaar brengt. Tevens zou ik geheimen onvoldoende bewaren. (…) Ik betwist dit met klem. Ik neem het zeer hoog op dat ik op deze wijze zwart wordt gemaakt door het Landelijk Parket. Ik heb meteen mijn deken ingelicht. Ik zal ook de landsadvocaat inlichten. Ik zal binnenkort bekend maken welke stappen ik tegen het OM zal ondernemen. (…)” 2.16. In een brief van 29 augustus 2024 van de officier van justitie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) en bijzondere getuigentrajecten van het arrondissementsparket te [plaats 5] aan [advocaat eiser] is onder meer vermeld: “In dit verband is mij de, na de contacten tussen u en uw cliënt, volledig gewijzigde opstelling van uw cliënt in mijn richting en die van het […] Team bijzondere getuigen opgevallen. Die contacten zijn de voorheen bestaande goede verstandhouding niet ten goede gekomen. Na een laatste telefonisch contact heeft hij, kennelijk op uw advies, er blijk van gegeven mij en het Team bijzondere getuigen niet meer telefonisch te woord te willen staan, terwijl wij geen andere mogelijkheid hebben om contact te leggen. Dat betreur ik zeer. (…) U negeert mijn verzoek om geen stelbrief per mail te sturen, dat ik uitsluitend omwille van het veiligheidsbelang van uw cliënt deed en communiceert over dit vertrouwelijke traject met diverse derden. Daarmee ontneemt u ons de mogelijkheid om regie te blijven voeren op het bewaken van de veiligheid van uw cliënt en van bij dit traject betrokken personen. Ik vraag u met klem de communicatie met derden over dit vertrouwelijke traject te staken. (…) Uw houding, waarin strijd met het openbaar ministerie voorop lijkt te staan, acht ik contraproductief en past wat mij betreft niet bij de delicate aspecten, de afbreukgevoeligheid en de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan bijzondere getuigentrajecten. Dat u de noodzakelijke geheimhoudingsverplichting volledig aan uw laars lapt en daarmee mogelijk gevaar creëert weegt daarbij in het bijzonder zwaar. (…) Omdat uw cliënt zich thans voor ons onbereikbaar houdt en wij niet weten waar hij verblijft, waardoor wij geen mogelijkheid hebben om met hem in contact te treden, verzoek ik u tot slot aan uw cliënt over te brengen dat ik hem uitnodig contact met het […] Team bijzondere getuigen op te nemen om van beide kanten te bezien of verdere bespreking nog mogelijk en verantwoord is. Indien hij niet bereid is bijstand door u te laten varen, voel ik mij genoodzaakt dit traject vanwege redenen van veiligheid definitief te beëindigen.” 2.17. In een e-mail van de hoofdofficier van het Landelijk Parket aan [advocaat eiser] van 30 augustus 2024 is onder meer vermeld: “Op 29 januari 2024 hebben wij met elkaar gesproken over de bezwaren die bestaan tegen uw betrokkenheid bij bijzondere getuigentrajecten en getuigenbescherming. Die bezwaren gelden in dit geval onverkort. Door uw media-optreden staat u inmiddels bekend als advocaat van ‘kroongetuigen’. De dreiging die ten aanzien van u bestaat, heeft tot gevolg dat u persoonlijk beveiligd wordt. Dat maakt dat waar u zich vertoont, direct het vermoeden ontstaan dat u op die locatie een potentiële kroongetuige bezoekt. Uw naam en gezicht zijn bij velen beken Dat geldt in het bijzonder voor het onderhavige getuigentraject, omdat op dit moment de inschatting is dat bij gebruik van de kluisverklaringen, de zwaarste beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De inhoud van de verklaringen raken aan het hoogste geweldspectrum en gaan over personen die de macht en middelen hebben om liquidaties te plegen. Dat betekent dat alle betrokkenen bij dit traject doordrongen moeten zijn van de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan en van de absolute vertrouwelijkheid die in deze fase noodzakelijk is. Onnodige risico’s of gevaar zettende omstandigheden moeten onverkort worden vermeden. Het OM heeft de conclusie getrokken dat de veiligheid in dit traject onvoldoende kan worden gewaarborgd in het geval u optreedt als zijn advocaat. (…)” 2.21. In een e-mail van [advocaat eiser] van 11 oktober 2024 aan de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket is onder meer vermeld: “Derhalve heb ik het volgende aan het NCTV voorgelegd: Dat, nu er sprake is van ruzie, de bescherming van cliënt bij het Landelijk Parket (Team Getuigenbescherming) weg te halen. (…) Het is immers niet verstandig dat een bedreigde getuige wordt beschermd door een overheidspartij waarmee hij in conflict is. (…)” 2.22. In een e-mail van de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket aan [advocaat eiser] van 17 oktober 2024 is onder meer vermeld dat hij niet bereid is te voldoen aan het verzoek van [advocaat eiser] om kosten van levensonderhoud en een woning aan [eiser] te betalen en voorts: “Ik merk daarbij op dat het OM, gelet op de huidige stand van zaken, geen ruimte ziet om met uw cliënt nader te verkennen of met hem een overeenkomst kan worden gesloten, ook niet als hij een andere advocaat zou inschakelen. In de contacten met uw cliënt tot nu toe zijn de inspanningen van het OM er uit een oogpunt van veiligheid steeds op gericht geweest de heimelijkheid en vertrouwelijkheid van het traject te bewaken. (…) Ook het noemen van namen in correspondentie zoals de mail kan potentieel gevaarzettend zijn. Het OM heeft er geen vertrouwen in dat de noodzakelijke vertrouwelijkheid, en daarmee de veiligheid van alle betrokkenen, gedurende nieuwe (heimelijke) verkenningen voldoende gewaarborgd kan blijven.” 2.23. Op [dag 1] 2024 is een artikel in [krant 1] verschenen met als titel ‘OM wijst nieuwe kroongetuige af die over moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaarde’. Daarin wordt [eiser] met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam genoemd als ‘tipgever van justitie’. Ook wordt vermeld dat [eiser] verklaringen heeft afgelegd over wat hij van [naam] heeft gehoord over diens rol bij de moord op [slachtoffer 2] . [krant 1] heeft voor het plaatsen van dit artikel gesprekken met [eiser] gevoerd. 2.24. Op [dag 2] 2024 is een artikel over [eiser] in [krant 2] verschenen met als titel: “(…) Getuigendeal loopt na jaren spaak. Ik heb het gevoel dat met mijn leven is gespeeld”. In het artikel wordt verslag gedaan van gesprekken tussen verslaggevers van [krant 2] en [eiser] die ‘alweer enige tijd geleden’ hebben plaatsgevonden in het buitenland. [eiser] wordt in het artikel weer aangeduid met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam. Onder meer is vermeld: “Hij [rb: [eiser] ] heeft besloten zijn versie van zijn levensverhaal te vertellen, om te voorkomen dat een gefragmenteerd en gekleurd beeld van hem en zijn motieven zal ontstaan zodra het Openbaar Ministerie (OM) hem straks als beschermde getuige presenteert. Dan zal hij immers van de buitenwereld worden afgeschermd en heeft hij alleen nog een stem als hij zijn verklaringen aflegt in rechtszalen. Het is de bedoeling dat hij op korte termijn zijn overeenkomst te getuigen sluit met de staat. (…) Ik doe dit niet voor strafkorting, zoals de meeste kroongetuigen, want ik heb mijn heel langdurige straffen al bijna helemaal uitgezeten en word van niets nieuws verdacht. Ik doe dit ook niet om geld, zoals vaak over kroongetuigen wordt gezegd. Mijn enig Wanneer [eiser] bij een eventuele terugkeer naar Nederland in detentie zou verblijven, dan is bovendien niet het OM maar de directeur van de PI de beslissingsbevoegde instantie. Het voorgaande maakt dat deze vordering bij gebrek aan belang (in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) zal worden afgewezen. 4.3. De vordering onder 3.1 (b) strekt ertoe dat [eiser] kan worden bijgestaan door [advocaat eiser] tijdens overleg met het OM over begeleiding in een bijzonder getuigentraject. 4.4. Vast staat dat er geen kroongetuigenovereenkomst met [eiser] is gesloten. De Staat heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat is uitgesloten dat een dergelijke overeenkomst in de toekomst nog met [eiser] zal worden gesloten en dat dit inmiddels ook geldt als [eiser] zou afzien van de bijstand door [advocaat eiser] . Onder die omstandigheden valt niet in te zien welk belang [eiser] bij toewijzing van deze vordering heeft. De theoretische mogelijkheid dat de Staat mogelijk anders over het voorgaande zal gaan denken wordt zodanig gering geacht – met name gelet op het standpunt van de Staat ten aanzien van het opzoeken van de publiciteit door [eiser] en [advocaat eiser] in 2024 – dat dit onvoldoende is om een belang te creëren. Dat maakt dat ook deze vordering bij gebrek aan belang zal worden afgewezen. Safe house en levensonderhoud 4.5. De vorderingen onder 3.1 (c) en (d) strekken tot toekenning van een vergoeding aan [eiser] als voorschot voor de huur van een safe house (€ 1.200,- per maand) en als tegemoetkoming in levensonderhoud (€ 55,- per dag). 4.6. Op grond van de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) hebben de lidstaten de plicht het recht op leven en de lichamelijke integriteit van burgers te beschermen. Naast een negatieve verplichting om zich te onthouden van schendingen van voornoemde verdragsbepalingen, omvat het recht op leven en lichamelijke integriteit de positieve verplichting van verdragsstaten om burgers te beschermen tegen gewelddadigheden van andere burgers. Hieruit vloeit een bijzondere zorgplicht (als inspanningsverplichting) voort voor de Staat om getuigen in strafzaken, die door het afleggen van een verklaring medewerking verlenen aan opsporing en vervolging van strafbare feiten, te beschermen. In Nederland is de wettelijke basis voor getuigenbescherming gelegen in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat de minister van Justitie en Veiligheid specifieke maatregelen kan treffen ter bescherming van getuigen. De verantwoordelijkheid voor getuigenbescherming berust bij het OM. De getuigenbescherming is onder meer uitgewerkt in het Besluit Getuigenbescherming. Op grond van artikel 3 van dit Besluit kunnen beschermingsmaatregelen worden getroffen ten aanzien van getuigen of een andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend overheidsoptreden. Als deze zorgplicht niet in acht wordt genomen, resulteert dat in overheidsaansprakelijkheid. 4.7. Door het afleggen van kluisverklaringen door [eiser] is jegens hem een bijzondere zorgplicht ontstaan. De rechtbank is – met het Hof in het tussen partijen gewezen arrest in kort geding van 22 april 2025 – van oordeel dat de bijzondere zorgplicht in deze fase inhoudt dat de Staat noodzakelijke maatregelen moet treffen om te waarborgen dat van zijn kant geheim blijft dat de aspirant-getuige kluisverklaringen aflegt en met hem daarover gesprekken worden gevoerd. Dat geldt ook als de kluisverklaringen uiteindelijk niet worden gebruikt. Als bekend wordt dat de getuige in gevaar is doordat bekend is geworden dat hij kluisverklaringen heeft afgelegd, kan de bijzondere zorgplicht de vorm aannemen van een plicht om beschermingsmaatregelen te treffen. 4.8. [eiser] stelt dat hij in gevaar is gebracht omdat de Staat zijn Indien en voor zover het eigen handelen van de getuige de oorzaak is van een veiligheidsdreiging – voor zover daarvan hier sprake zou zijn – ontstaat er in beginsel geen zorgplicht. 4.11. Uit de onder 4.6 genoemde artikelen van het EVRM vloeit ook een meer algemene plicht voort voor lidstaten om het leven en de lichamelijke integriteit van hun burgers te beschermen. Op die zorgplicht kan een beroep worden gedaan door personen die niet in aanmerking komen voor bescherming als (kroon)getuige. Dat geldt echter niet voor [eiser] omdat hij een geen Nederlands onderdaan is en zich in het buitenland bevindt. 4.12. Het voorgaande betekent dat ook de vorderingen onder (c) en (d) worden afgewezen. De onder (e) gevorderde dwangsom zal derhalve ook worden afgewezen. Verklaring voor recht en schadevergoeding 4.13. De vorderingen onder 3.1 (f) en (g) strekken ertoe voor recht te verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor de (im)materiële schade die voortvloeit uit het onrechtmatig handelen van de Staat en de Staat te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Aan die vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld vanwege de hierna te bespreken (drie) redenen. Belemmeren vrije advocaatkeuze 4.14. [eiser] stelt dat het onrechtmatig handelen van de Staat in de eerste plaats is gelegen in het ontzeggen van het recht op vrije advocaatkeuze. Het recht op een eerlijk proces en een deelrecht als het recht op vrije advocaatkeuze volgt volgens [eiser] onder meer uit artikel 6 van het EVRM en de artikelen 47 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-handvest). 4.15. De Staat heeft dat standpunt gemotiveerd betwist en zich op het standpunt gesteld dat het getuigentraject geen doorgang zou vinden als [eiser] werd bijgestaan door [advocaat eiser] omdat hij in het verleden zodanig ernstige veiligheidsincidenten heeft veroorzaakt dat TGB – en daarmee ook TBG en het Landelijk Parket – in dit gevoelige getuigentraject niet met hem wil samenwerken. Door de wijze waarop [advocaat eiser] omgaat met vertrouwelijke informatie brengt hij alle betrokkenen in gevaar. Volgens de Staat is het recht op vrije advocaatkeuze niet absoluut en kan dit recht volgens het EHRM – dat zich nog niet heeft uitgelaten over een geval als het onderhavige – (alleen) worden beperkt als daarvoor relevante en sufficient reasons bestaan. Dat laatste is volgens de Staat het geval. 4.16. De rechtbank stelt voorop dat het OM een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft bij beslissingen in het kader van opsporing, in het bijzonder als het gaat om complexe en ingrijpende beslissingen waaraan veiligheidsrisico’s verbonden zijn. De vraag die voorligt is of het OM in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verder verkennen van een getuigentraject met [eiser] wanneer deze vasthield aan zijn wens tot bijstand door [advocaat eiser] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.17. Reeds vóórdat [advocaat eiser] zich als advocaat stelde voor [eiser] is [advocaat eiser] erop gewezen dat redenen van veiligheid het naar het oordeel van het OM onverantwoord maken dat hij als advocaat optreedt in bijzondere getuigentrajecten. Zo is bij brief van 29 mei 2024 over het verzoek om vergoeding van rechtsbijstand aan een kroongetuige in een andere zaak door het OM onder meer het volgende aan [advocaat eiser] meegedeeld: “Wij hebben op 29 januari 2024 een gesprek met u gehad in Rotterdam. (…) Tijdens dit gesprek hebben wij echter ook met elkaar besproken en aan u toegelicht dat redenen van veiligheid het naar ons oordeel onverantwoord maken dat u als advocaat optreedt in (andere) (heimelijke) bijzondere getuigentrajecten. Uw (bekende) profiel en modus operandi maken dat met uw bijstand in de visie van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) onverantwoorde veiligheidsrisico’s ontstaan voor de getuige, medewerkers van politie en OM en ook voor uzelf. Het OM heeft daarom in de voorliggende casus aangegeven n