Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:16576
Bewaring; beroep; grondslag van de maatregel; artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000; gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31000 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. F.S. Schoot). Procesverloop 1. Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Berust de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag? 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (sub a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (sub b). Ook heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (sub c). 2.1. Nu eiser ter zitting heeft erkend dat grondslag sub b tot 12 juni 2026 van toepassing was, en de rechtbank ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring tot die tijd onrechtmatig te achten, was de bewaring tot die datum rechtmatig met sub b als grondslag. De minister heeft op de zitting erkend dat de grondslag sub b vanaf 12 juni 2026 niet langer aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd, nu op die datum op de asielaanvraag van eiser is beslist. Ook grondslag sub c heeft de minister op de zitting laten vallen. Dat betekent dat de bewaring vanaf de beslissing op de asielaanvraag op 12 juni 2026 enkel op grondslag a was gebaseerd. 2.2. Eiser voert ten aanzien van de resterende grondslag sub a aan dat zijn identiteit en nationaliteit al door de Tunesische autoriteiten zijn vastgesteld. Eiser erkent dat hij geen identiteitsdocumenten heeft, maar voert aan dat de Tunesische autoriteiten een laissez-passer (lp) voor hem hebben afgegeven, waarmee zijn identiteit en nationaliteit voldoende vaststaan. Volgens eiser bevat een lp namelijk persoonsgegevens zoals zijn naam en identiteitsnummer. Dat deze lp niet in het dossier te vinden is, kan volgens hem niet worden tegengeworpen. Daarnaast voert eiser aan dat in de afwijzende asielbeschikking van 12 juni 2026 ten onrechte wordt vermeld dat de bewaring op grond van artikel 59b, tweede lid, met zes maanden kan worden verlengd. Volgens eiser is zo’n verlenging slechts mogelijk op gronden van openbare orde en nationale veiligheid, wat in zijn geval niet aan de orde is. 2.3. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van eiser niet vaststaan, omdat hij geen documenten heeft overgelegd die zijn gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen. Dat de autoriteiten van Tunesië eerder een lp hebben afgegeven, maakt dit volgens de minister niet anders. Ten aanzien van de verlenging stelt de minister dat eiser rechtmatig verblijft heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 en dat de bewaring daarom op grond van artikel 59b kan worden voortgezet. Dat in de asielbeschikking wordt gesproken over een termijn van zes maanden, is volgens de minister onjuist. Volgens de minister betekent dit niet dat geen verlenging mogelijk was op grond van artikel 59b van de Vw 2000. 2.4. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring vanaf 12 juni 2026, de datum van de afwijzende asielbeschikking, uitsluitend nog gebaseerd was op de grondslag sub a. Uit vaste rechtspraak volgt dat deze grondslag ook kan worden toegepast na afwijzing van het asielverzoek. Wel moet de minister in die gevallen motiveren dat en waarom nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nodig is. Daarbij is ook van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de Tunesische autoriteiten vóór de asielaanvraag van eiser zijn identiteit en nationaliteit hebben bevestigd en een lp hebben afgegeven. De minister heeft in de maatregel van bewaring in het geheel niet gemotiveerd waarom nog nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser noodzakelijk was. Ook in de afwijzende asielbeschikking, waarin de maatregel is verlengd, is niet gemotiveerd waarom na afwijzing van de asielaanvraag van eiser ondanks de verleende lp nog nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser noodzakelijk was. De rechtbank is van oordeel dat de minister onderzoek naar de identiteit en nationaliteit tot aan de asielbeschikking noodzakelijk kon zachten, nu deze elementen mede van belang zijn voor de beoordeling van die aanvraag. Maar na het moment van de afwijzing van de asielbeschikking ziet de rechtbank geen reden meer waarom dit onderzoek nodig is. Dit betekent dat de minister de maatregel van bewaring vanaf 12 juni 2026 niet heeft kunnen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Nu de geldige grondslag voor de bewaring vanaf 12 juni 2026 is komen te vervallen, is de bewaring vanaf die dag onrechtmatig geworden. 2.5. Ten aanzien van de verlenging overweegt de rechtbank dat deze kwestie niet meer aan de orde is, nu de bewaring sinds 12 juni 2026 onrechtmatig is geworden. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 12 juni 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 juni 2026. 3.1. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 6 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 720,-. 3.2. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 1868,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 juni 2026; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 720 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie ABRvS 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3342 en ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1093.