Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:16522
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: HA RK 25-171 Zaaknummer: C/09/683125 Datum beschikking: 19 mei 2026 Vaststelling Nederlanderschap Beschikking op het op 2 april 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Arslan in Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de IND, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. A. Salis. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; het bericht van 23 juli 2025 van de IND; het bericht van 22 december 2025 van de IND; het bericht van 22 december 2025 van verzoeker. Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker via een videoverbinding; mr. A. Salis namens de IND. Verzoeker is zelf niet verschenen op de zitting. Feiten De minderjarige [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , [land] . Op de geboorteakte van [minderjarige] staat als moeder vermeld: [de moeder] en staat als vader vermeld: [verzoeker] . Verzoeker heeft [minderjarige] , met toestemming van de moeder en [minderjarige] , erkend op17 maart 2025. Op de erkenning is het recht van Nederland toegepast. Verzoeker heeft op 4 september 2012 de Nederlandse nationaliteit verkregen door naturalisatie. [minderjarige] heeft (in ieder geval) de Ghanese nationaliteit. [minderjarige] woont bij de moeder in [land] . Uit een DNA-verwantschapsonderzoek van Verilabs van 15 december 2017 volgt dat praktisch is bewezen (99,999999991%) dat verzoeker de biologische vader is van [minderjarige] . Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van [minderjarige] , met compensatie van de proceskosten. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Beoordeling Vaststelling Nederlanderschap De rechtbank overweegt en beslist als volgt. Op grond van artikel 2 lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) worden, tenzij anders bepaald, verzoeken van minderjarigen door hun wettelijke vertegenwoordigers ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat de vader naar Ghanees recht – al dan niet samen met de moeder – het gezag over [minderjarige] uitoefent. Verzoeker heeft daarover ook niets aangegeven. Ook blijkt nergens uit dat de moeder er op enigerlei wijze mee heeft ingestemd dat verzoeker deze procedure voert namens [minderjarige] . Verzoeker heeft het verzoek namens [minderjarige] alleen, en dus zonder de moeder, gedaan. Het had op de weg van verzoeker gelegen om ofwel schriftelijke toestemming van de moeder te verkrijgen, ofwel vervangende toestemming voor het voeren van deze procedure te verkrijgen van de daartoe bevoegde rechter. Dit heeft verzoeker nagelaten. De advocaat van verzoeker heeft aangegeven dat het haar ondanks pogingen daartoe al geruime tijd niet lukt om contact te krijgen met verzoeker. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om verzoeker een nadere termijn te gunnen om een schriftelijke toestemming van de moeder te overleggen dan wel om vervangende toestemming van de bevoegde rechter te verkrijgen. De rechtbank zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [minderjarige] . Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. Om zijn vaderschap aan te tonen, heeft verzoeker een DNA-verwantschapsonderzoek van 15 december 2017 overgelegd. In het Besluit DNA-onderzoek vaderschap staan regels over de manier waarop het biologische ouderschap met behulp van DNA kan worden aangetoond. Uit de toelichting op artikel 4 lid 6 RWN, paragraaf 8.2 van de Handleiding RWN, volgt dat als het onderzoek is verricht conform de aanbevelingen van de ISFG, het vaderschap slechts is bewezen als het onderzoek met een a