Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:16521
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: HA RK 24-647 Zaaknummer: C/09/676898 Datum beschikking: 19 mei 2026 Vaststelling van het Nederlanderschap Beschikking op het op 5 december 2024 ingekomen verzoekschrift van: [de moeder] , verzoekster, hierna: de moeder, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland, advocaat: mr. P. van de Kolk in Den Haag. Als belanghebbende worden aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de IND, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. A. Salis, en [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P. van de Kolk in Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van: het verzoekschrift, met bijlagen; het bericht van 22 januari 2025 van verzoekster, met bijlagen het bericht van 24 februari 2025 van de IND, met bijlage; het bericht van 9 april 2025 van verzoekster, met bijlagen; het bericht van 23 september 2025 van de IND, met bijlagen; het bericht van 22 oktober 2025 van verzoekster, met bijlagen; het aanvullend verzoekschrift van 22 oktober 2025 van verzoekster, met bijlagen; het bericht van 23 oktober 2025 van verzoekster, met bijlage; het bericht van 29 december 2025 van verzoekster, met bijlage; het bericht van [datum 3] 2026 van de IND; het bericht van 18 februari 2026 van verzoekster, met bijlagen; het bericht van 19 februari 2026 van verzoekster, met bijlagen; het bericht van 16 april 2026 van de IND. Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat en een tolk; de vader; mr. A. Salis namens de IND. Feiten De vader, [de vader] , is geboren op [geboortedatum 1] 1963 in [geboorteplaats 1] . De vader verkreeg de Nederlandse nationaliteit door geboorte op grond van artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap. De vader is op [datum 1] 1988 gehuwd met [naam 1] . Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de [gemeente] op [datum 2] 2011. De moeder, [de moeder] , is geboren op [geboortedatum 2] 1975 in [land 1] . De moeder heeft de Russische nationaliteit. De minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is geboren op [geboortedatum 3] 2010 in [geboorteplaats 2] , [land 2] . Op de Russische geboorteakte van [minderjarige] , geregistreerd met nummer [nummer], staan de moeder en de vader opgenomen als de ouders. Uit een Certificate of Paternity Determination van 19 mei 2010, geregistreerd met nummer 325, blijkt dat de vader [minderjarige] heeft erkend op 19 mei 2010. De moeder en de vader zijn nooit met elkaar gehuwd. De vader was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] en de erkenning van [minderjarige] nog gehuwd met [naam 1] . De moeder is in de periode van 12 februari 1991 tot 4 september 2024 niet gehuwd geweest. De vader is op [datum 3] 2015 gehuwd met [naam 2] . De moeder en de vader hebben op 27 september 2023 bij de Nederlandse ambassade in [geboorteplaats 2] een aanvraag voor een Nederlands paspoort voor [minderjarige] ingediend. De aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat [minderjarige] niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit zou zijn, aangezien de vader ten tijde van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] . Tegen die beslissing is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij beslissing van 13 februari 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoek en het standpunt van de IND De moeder verzoekt, zoals dat verzoek na aanvulling luidt: voor recht te verklaren dat tussen de moeder en de vader ten tijde van de geboorte van [minderjarige] een band heeft bestaan die in voldoende mate gelijk valt te stellen met een huwelijk; voor recht te ve Zoals de vader zelf zegt: de moeder was tot 2012 zijn vrouw, zijn huidige vrouw was tot dat moment slechts zijn vriendin. Ook is er volgens de moeder sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] . De vader was voorafgaand aan, ten tijde van en na de geboorte van [minderjarige] aanwezig bij de moeder en [minderjarige] in [land 2] . De vader heeft vanaf de geboorte van [minderjarige] altijd een verzorgende rol gehad. Hij is nu nog steeds zo veel als mogelijk betrokken in haar leven, zodat altijd en dus ook ten tijde van de erkenning sprake is geweest van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank overweegt en beslist als volgt. Om te beoordelen of [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, moet de rechtbank eerst beoordelen of [minderjarige] door de erkenning door de vader in [land 2] in een familierechtelijke betrekking tot de vader is komen te staan. Artikel 10:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland wordt erkend, tenzij sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10:100 BW. [minderjarige] is geboren in [land 2] en de moeder heeft de Russische geboorteakte van [minderjarige] overgelegd, voorzien van een apostille, waarop de vader als de vader is vermeld. Niet gebleken is dat deze akte niet door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt. De familierechtelijke betrekking die in deze akte is neergelegd komt in beginsel dan ook voor erkenning in Nederland in aanmerking. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of zich een van de weigeringsgronden voordoet. In dit geval komt het dan aan op beantwoording van de vraag of de erkenning van die familierechtelijke betrekking onverenigbaar is met de openbare orde op grond van artikel 10:101 BW in samenhang gelezen met artikel 10:100 lid 1 sub c BW. Dat sprake zou zijn van een andere weigeringsgrond is niet gesteld en verder ook niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de openbare orde in dit geval geen sprake is. Uit de stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat [minderjarige] is geboren uit de affectieve relatie van de moeder en de vader. Op het moment van de geboorte van [minderjarige] was verzoeker echter nog gehuwd met een andere vrouw. Tot 1 april 2014 kon erkenning van [minderjarige] door de vader in [land 2] niet van rechtswege worden erkend in Nederland. Op grond van het toen geldende recht was immers sprake van strijd met de openbare orde, omdat de vader op het moment van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] (artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder e (oud) BW). Het vóór 1 april 2014 geldende recht bracht met zich dat een erkenning door een met een ander dan de moeder gehuwde man slechts in Nederland kon worden erkend, indien door de rechtbank vastgesteld zou worden dat er ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] dan wel dat tussen de vader en de moeder sprake was van een band die op één lijn te stellen is met het huwelijk. Per 1 april 2014 is artikel 1:204 lid 1 sub e (oud) BW komen te vervallen. Daardoor kan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:101 lid 2 sub a BW zich nu niet meer voordoen (de omstandigheid dat een man ten tijde van de erkenning van een kind met een andere vrouw gehuwd was dan de moeder van het kind). In zoverre kan de erkenning van [minderjarige] door verzoeker worden erkend in Nederland, mits de erkenning in overeenstemming is met het Russische recht. De rechtbank heeft in VIND Burgerzaken het volgende gevonden over erkenning door een vader naar Russisch recht: “