Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:16520
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: HA RK 25-288 Zaaknummer: C/09/686238 Datum beschikking: 19 mei 2026 Vaststelling Nederlanderschap Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker], verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.E.M. Bezem in Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de IND, vertegenwoordigd door: mr. A. Salis. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; het bericht van 22 juli 2025 van de IND, met bijlage; het bericht van 12 september 2025 van verzoeker, met bijlagen; het bericht van 5 januari 2026 van de IND; het bericht van 9 maart 2026 van verzoeker; het e-mailbericht van 17 april 2026 van verzoeker. Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker; mr. A. Salis, namens de IND. Verzoeker en de IND hebben op de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Feiten Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1951 in [geboorteplaats], [land], dat toen als district deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. Verzoeker kreeg bij zijn geboorte op grond van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit. Op 25 november 1975 werd [land] onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek [land] (TOS) in werking. Verzoeker was toen meerderjarig en woonde in Nederland. Op grond van artikel 3 van deze overeenkomst behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in [land] is geboren, maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had. In 2004 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar [land] met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. Verzoeker is op 2 augustus 2004 ingeschreven in het bevolkingsregister van [geboorteplaats]. Bij besluit van 7 mei 2005 van de President van de Republiek [land] is aan verzoeker, op zijn verzoek, met ingang van 7 mei 2005 de Surinaamse nationaliteit verleend, waarbij verzoeker erop is gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen, omdat anders de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken. Bij brief van 21 juni 2011 heeft de ambassadeur van de Nederlandse ambassade in [land] verzoeker bericht dat verzoeker door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit als meerderjarige het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Verzoeker is op 25 oktober 2024 teruggekeerd naar Nederland. Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort, geldig tot 26 maart 2027. Verzoek en het standpunt van de IND Verzoeker verzoekt, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, vast te stellen dat hij Nederlander is, althans vast te stellen tot wanneer verzoeker Nederlander is geweest, met veroordeling van de IND in de kosten van deze procedure. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Beoordeling De rechtbank overweegt dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op grond van dit artikel is de rechtbank bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Standpunt verzoeker Verzoeker bezit naar eigen zeggen de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Verzoeker stelt zich, onder verwijzing naar de beschikkingen van de Hoge Raad van 26 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1749, en 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, in combinatie met artikel 15 lid 2 sub a en b juncto artikel 15 lid 1 van de RWN, op het standpunt dat hij de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren door het vrijwillig verkrijgen van de indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband; (…); 4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.” De rechtbank volgt verzoeker niet in zijn betoog dat de tienjaarstermijn is gestuit met de aanvraag en verkrijging van meerdere visa om naar Nederland te reizen. In artikel 2 lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum wordt daarin niet genoemd. Een visum valt namelijk onder de Rijksvisumwet en is geen paspoort in de zin van de Paspoortwet. Dat medewerkers van de ambassade bij het aanvragen van de visa door verzoeker hebben miskend dat verzoeker niet visumplichtig was en volgens verzoeker eigenlijk aan hem een paspoort hadden moeten verstrekken, maakt het voorgaande niet anders. De tekst van artikel 15 lid 4 van de RWN laat geen ruimte om de tienjaarstermijn te stuiten op andere manieren dan in die bepaling genoemd. Dat is ook in lijn met het in de wetsgeschiedenis van de RWN benadrukte belang van rechtszekerheid in het nationaliteitsrecht. De rechtbank wijst op de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 27 maart 2015, onder rechtsoverweging 3.6.1. Wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, betekent dat verzoeker in principe op 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren. Toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel Verzoeker heeft aangevoerd dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit in zijn gevalin strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, onder meer omdat hij door de Nederlandse Staat – achteraf gezien onterecht – steeds is voorgelicht dat hij de Nederlandse nationaliteit niet langer had en dat hij om die reden geen Nederlands paspoort heeft aangevraagd, terwijl hij door met visa naar Nederland te reizen een effectieve band met dat land heeft behouden. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of in de onderhavige vaststellingsprocedure (nog) ruimte is voor toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Voor die beoordeling zijn de hierna te noemen regelgeving en jurisprudentie van belang. De Hoge Raad heeft bij de hiervoor genoemde beschikking van 3 april 2020, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar [land] terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in [land] had, een en ander als bedoeld in art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN. Het vorenstaande strookt met het in de wetsgeschiedenis van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN benadrukte belang van de Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel biedt dit optierecht een exclusieve procedure om de in het arrest bedoelde toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te verrichten, en het Nederlanderschap zo nodig met terugwerkende kracht te herkrijgen.” De rechtbank stelt voorop dat het verlies van het Nederlanderschap in dit geval onder meer tot gevolg heeft dat het Unieburgerschap zoals bedoeld in artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) verloren gaat. Daarmee valt de situatie onder de werkingssfeer van het Unierecht, waaronder het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat moet worden onderzocht welke gevolgen het verlies van de Nederlandse nationaliteit heeft voor de betrokken persoon vanuit het oogpunt van het Unierecht. De RWN voorziet sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder p evenwel in een afzonderlijke administratiefrechtelijke procedure voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap in een daartoe ingerichte exclusieve procedure te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker is het niet aan de wetgever om een dergelijke keuze voor exclusiviteit te maken, maar moet in iedere procedure die gevolgen heeft voor het Unieburgerschap worden getoetst aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel als daarop een beroep wordt gedaan. De rechtbank volgt verzoeker daarin niet. In dit verband wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2023, X, C-689/21 (Udlændinge), ECLI:EU:C:2023:626, punt 41, waaruit volgt dat het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedureregels vast te stellen die moeten zorgen voor de bescherming van de rechten die de rechtzoekenden aan het Unierecht ontlenen mits deze regels met name het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen. Dat betekent dat deze regels het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. Verzoeker heeft in de procedure op grond van artikel 6 lid 1 onder p van de RWN de mogelijkheid om in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel te laten onderzoeken welke gevolgen het verlies van het Nederlanderschap voor hem heeft. Dat met deze procedure het doeltreffendheidsbeginsel niet wordt geëerbiedigd heeft verzoeker niet aangevoerd en is de rechtbank ook overigens niet gebleken. De rechtbank wijst in dit kader ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, onder 8.1 tot en met 8.5. Omdat het verzoek is ingediend ná de inwerkingtreding van artikel 6 lid 1 onder p RWN en verzoeker op grond van die bepaling een exclusieve rechtsingang heeft om de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap te toetsen aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, is voor een dergelijke toets in een procedure op grond van artikel 17 van de RWN geen plaats. Dat betekent dat de rechtbank in de onderhavige procedure niet toekomt aan een beoordeling van de omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel, het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel en artikelen 26 en 35 van het EU Handvest Verzoeker heeft in het verzoekschrift nog het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel, het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel en artikelen 26 en 35 van het EU Handvest benoemd, maar dit betoog zeer summier onderbouwd. Voor zover hij daarop een beroep heeft willen doen, slaagt dit reeds daarom niet. Conclusie Wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, betekent dat verzoeker vanaf zijn geboorte tot 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit bezat. Op 7 mei 2015 heeft verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren. De rechtbank zal vaststellen dat verzoeker van [datu