Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:16437
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/2583 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. F.R. Herreveld), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is een bedrag van € 12 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 de aanslag en de rentebeschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. drs. [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2] en mr. [medewerker belastingdienst 3]. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met een vergelijkbare zaak van een andere door de gemachtigde vertegenwoordigde belastingplichtige (SGR 24/2574). Overwegingen Feiten Algemeen 1. Eiser was in de jaren 2013 tot en met 2017 als COO in dienstbetrekking bij [bedrijf 1] B.V. (X). 2. Het geplaatste aandelenkapitaal van X bestond op 18 april 2013 na een statutenwijziging uit: - 230.000 aandelen A met een nominale waarde van € 0,01; - 24.770.000 aandelen B met een nominale waarde van € 0,01. De aandelen A en B hebben winstrechten die aan elkaar gelijk zijn en alleen de aandelen A hebben een stemrecht. 3. [bedrijf 2] B.V. (Y) bezit op 19 april 2013 100% van de aandelen A en 91,93% van de aandelen B in X. 4. X heeft in 2013 een managementparticipatieplan “Share Plan [X], Plan Rules” (het managementparticipatieplan) opgezet, waarbij vier managers, waaronder eiser, de mogelijkheid hebben gekregen om in totaal 2.000.000 aandelen B in X te verkrijgen. 5. Eiser heeft deelgenomen aan het managementparticipatieplan en heeft op 19 april 2013 375.000 aandelen B in X, zijnde 1,5% van de aandelen B in X, voor een bedrag van € 825.000 verkregen. Met de aandelen B zijn ook putopties toegekend. De putopties gaven eiser het recht om de aandelen B ter verkoop aan te bieden tegen de op het verkoopmoment geldende marktwaarde. Eiser heeft op 19 april 2013 een zogenoemde “Compensation Letter” van X ondertekend, waarin aanvullende afspraken van het managementparticipatieplan zijn vastgelegd, waaronder de compensatie bij de uitoefening van een putoptie. 6. Eiser heeft de aankoop van de aandelen B in X voor een deel uit eigen middelen (€ 123.750) gefinancierd en voor een deel met een bij Y aangegane lening. De lening bij Y bedraagt € 701.250, waarbij over de hoofdsom jaarlijks 3,5% rente is verschuldigd. De rente wordt op de hoofdsom van de lening bijgeschreven. 7. Het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het door eiser op 19 april 2013 verworven aandelenpakket en het deel dat eiser uit eigen middelen heeft betaald, is door verweerder als loonvoordeel aangemerkt. De over dit loonvoordeel verschuldigde loonheffing bedraagt van € 23.077. X heeft op 19 april 2013 ter zake van het verschuldigde bedrag aan loonheffing van € 23.077 een renteloze lening aan eiser verstrekt. 8. Y heeft aan X een aandeelhouderslening ten bedrage van € 1.300.000 verstrekt, waarbij over de hoofdsom jaarlijks 11,4% rente is verschuldigd. 9. De voormalige adviseur van eiser, tevens adviseur van X, heeft de fiscale gevolgen van het managementparticipatieplan in een vooroverleg met verweerder afgestemd. Daarbij zijn zij in 2014 overeengekomen dat de door de participanten gehouden aandelen B, alsmede de aanverwante putopties, tot de grondslag inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoorden en dat de (verzakelijkte) rente ten De putopties uit 2016 vormen namelijk vanaf het moment van toekenning één geheel met de in 2013 toegekende aandelen. Eiser wijst in dat kader onder ander op de sterke samenhang tussen het managementparticipatieplan, de Compensation Letter en het Addendum. Verder heeft artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet IB, volgens eiser, tot gevolg dat de waarde mutaties in het aandelenbelang vóór het ontstaan van het lucratieve belang meegenomen worden bij de hoogte van zijn verlies uit lucratief belang in box 1. 19. Verweerder heeft de stelling van eiser gemotiveerd weersproken. Verweerder stelt zich (primair) op het standpunt dat de aandelen geen lucratief belang vormen en (subsidiair) dat als er wel sprake zou zijn van een lucratief belang het verlies nihil is. Beoordeling van het geschil Juridisch kader 20. Op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 wordt onder belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden verstaan het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. In artikel 3.92b van de Wet IB 2001 is het begrip werkzaamheid mede uitgebreid tot het houden van zogenoemde lucratieve belangen. Artikel 3.92b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan: a. het onmiddellijk of middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid, van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze aandelen, vorderingen of rechten zijn verkregen, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, alsmede het hebben van schulden die rechtstreeks samenhangen met deze aandelen, vorderingen of rechten; b. het onmiddellijk of middellijk hebben van schulden die rechtens dan wel in feite tegemoetkomingen kennen van geheel of gedeeltelijke kwijtschelding waarbij die tegemoetkomingen, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de schulden zijn aangegaan, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. 2. Aandelen als bedoeld in het eerste lid zijn aandelen in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal die verschillende soorten aandelen heeft, indien het aandelen betreft van een soort: a. die is achtergesteld bij andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of b. met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar. (…) 4. Rechten als bedoeld in het eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming.” 21. Artikel 3.93, tweede lid, van de Wet IB 2001 luidt: “2. Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid.” 22. Artikel 3.95b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Ingeval op enig tijdstip een vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3:92b gaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op het be Daartoe is in de parlementaire geschiedenis, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “Indien een werknemer aandelen in zijn werkgever houdt die geen lucratief belang vormen en daarnaast in het kader van zijn dienstbetrekking een optierecht verwerft om onder voorwaarden extra aandelen te verwerven, is – zo kunnen wij de leden van de fractie van het CDA antwoorden – artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing met betrekking tot de voordelen uit het optierecht. Op grond van de rangorde regeling wordt dan niet meer toegekomen aan de vraag of het optierecht tevens een lucratief belang vormt. Daarbij maakt het niet uit of de voorwaarde waaronder de optie is verleend voorziet in een zogenoemde ratchet. Als in deze situatie de werknemer daarnaast om niet een putoptie van zijn werkgever verkrijgt die hem het recht geeft de door hem gehouden aandelen voor de oorspronkelijke kostprijs te verkopen aan zijn werkgever, dan behoort de waarde in het economische verkeer van die optie tot zijn loon. Deze putoptie valt niet onder het optiebegrip van artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964. Het economische effect van deze putoptie is dat de werknemer geen neerwaarts koersrisico loopt met betrekking tot de door hem gehouden aandelen. Onder omstandigheden zou een dergelijke putoptie een lucratief belang kunnen zijn¹. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de putoptie ook niet worden. Daarvoor is in deze casus onvoldoende samenhang tussen het houden van de aandelen en het verwerven van de putoptie. [¹ Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, blz. 8.] De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van een aandelenparticipatie waarbij een bepaling bij «goed vertrek» (good leaver) is overeengekomen die de werknemer het recht geeft de aandelen ten minste voor de kostprijs aan zijn werkgever te verkopen. In economisch opzicht is dit een voorwaardelijke putoptie die de werknemer het recht geeft de aandelen voor de initiële kostprijs te verkopen. De gevolgen van deze bepaling zijn identiek aan de hiervoor beschreven gevolgen van een putoptie. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de bepaling bij «goed vertrek» ook niet worden.” Verlies uit lucratief belang? 26. Doorgaans rust op verweerder heeft in beginsel de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een lucratief belang. In dit geval rust de bewijslast echter op eiser, aangezien hij een verlies uit lucratief belang in aanmerking wil nemen. 27. Eiser heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een dusdanig samenhangend geheel vormen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt en dat de aandelen daarom als lucratief belang moeten worden aangemerkt. Vaststaat dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties geen lucratief belang vormden. De uitoefenprijs van de putopties uit 2013 is gelijk aan de marktwaarde van de aandelen B. Eiser heeft met deze putopties een investeringsrisico gelopen. Dit ligt anders bij de putopties uit 2016. De putopties uit 2016 zijn namelijk enkel afgegeven om een vermogensverlies op de aandelen bij eiser te voorkomen. De uitoefenprijs van de putopties uit 2016 is immers gelijk aan het oorspronkelijk ingelegde bedrag voor de aandelen B. Eiser heeft bij het uitoefenen van die putopties geen enkel investeringsrisico op de aandelen gelopen. De putopties uit 2016 en de putopties uit 2013 verschillen naar hun aard dus aanzienlijk van elkaar. Daar komt bij dat de status van de in 2013 verkregen aandelen door de putopties uit 2016 niet is veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de aandelen dus ook na toekenning van de putopties 2016 niet als lucratief belang. 28. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de aandelen als lucratief belang dienen te worden aangemerkt. De overige stellin Naar het oordeel van de rechtbank zijn, anders dan verweerder kennelijk stelt, in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. 36. De redelijke termijn is in dit geval met drie jaar en zeven maanden (43 maanden) overschreden. Eiser heeft dan ook recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.000. Aangezien verweerder met dagtekening 5 januari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor € 3.163 (34/43e deel van € 4.000) toe te rekenen aan verweerder en voor € 837 (9/43e ) deel van € 4.000) aan de Staat. Proceskosten en griffierecht 37. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,25). Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan. 38. Eiser heeft reeds voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was op 31 mei 2024 ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te laten vergoeden. Verweerder en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 837; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.163; - veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75; - draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 25,50 aan eiser te vergoeden; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 25,50 aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Vgl. Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 6, blz. 20 (Nota naar aanleiding van het Verslag). Vgl. Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 6, blz. 24 (Nota naar aanleiding van het Verslag). Vgl. Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 7, blz. 2 (Nota van Wijziging). Vgl. Kamerstukken I, 2008/09, 31 459, C, blz. 15 en 16 (Memorie van Antwoord). Vgl. Gerechtshof Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:534. Hoge Raad 10 februari 1993, ECLI:NL:1993:ZC5258, Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, Hoge Raad 21 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2738 en Hoge Ra