Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:16239
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39530 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , eiser, [V-nummer] gemachtigde: mr. O. Saraç, en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, gemachtigde: mr. A. Sloots. Procesverloop Bij besluit van 19 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een rechterlijke dwangsom van € 7.100,- toegekend naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2025. Eiser heeft op 20 augustus 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.39531, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk M. Sivridag en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. De asielaanvraag waar het in deze zaak om gaat heeft eiser op 9 februari 2023 ingediend. 1.2. Eiser legt aan de asielaanvraag ten grondslag dat hij in Turkije systematisch is gediscrimineerd vanwege zijn Zaza-Koerdische achtergrond. In 2014 heeft hij deelgenomen aan een protest vanwege de situatie in Kobani en in 2021 aan een protest tegen de aanstelling van een rector aan de Boğaziçi Universiteit. Bij beide protesten is eiser gearresteerd en heeft hij enkele uren op het politiebureau verbleven. Ook heeft deelname aan het tweede protest geleid tot onderdrukking op school. Een leraar genaamd [naam 2] heeft hem een onvoldoende gegeven voor het vak natuurkunde en een leraar Godsdienst weigerde zijn vragen te beantwoorden en lessen te geven over andere religies. Vanwege de onvoldoende voor natuurkunde is eiser blijven zitten. Bij de laatste arrestatie is eiser op het politiebureau door een politieagent gewaarschuwd dat hij problemen gaat krijgen zodra hij achttien jaar wordt. Hierop heeft eiser Turkije verlaten. Eiser stelt bij terugkeer te vrezen voor de Turkse autoriteiten. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Turkije dat hij wordt verplicht in militaire dienst te gaan waar hij gevechtshandelingen moet uitvoeren. Het bestreden besluit 2.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; discriminatie vanwege Koerdische etniciteit; in aanmerking komen voor militaire dienst in Turkije; en politieke overtuiging. 2.2. Verweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder echter geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De discriminatie is volgens verweerder onvoldoende zwaarwegend. Niet is gebleken dat eiser hierdoor zodanig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om maatschappelijk en sociaal te kunnen functioneren. Verder geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege dienstweigering onevenredig of discriminatoir zal worden vervolgd of gestraft of ernstige onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging als hij alsnog moet dienen als militair. Ook is volgens verweerder niet gebleken dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of komt te staan. Nu er zich geen asielgrond voordoet en eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Beroepsgronden 3.1. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen vluchtelingensc Eiser heeft namelijk verklaard dat hij tot zijn vertrek uit Turkije bij zijn ouders woonde, een Lyceum opleiding heeft genoten en afgerond, heeft gewerkt (zie aanmeldgehoor, p. 5, 7 en 8) en tijdens zijn opleiding was aangesloten bij sociale clubs, waarbinnen politieke zaken konden worden besproken (zie nader gehoor, p. 14). Ook heeft hij Turkije legaal kunnen uitreizen (zie aanmeldgehoor, p. 11). Er zijn geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat eiser bij terugkeer naar Turkije niet op eenzelfde manier kan functioneren als voor zijn vertrek uit Turkije. Dat eiser bepaalde problemen heeft ervaren, onder meer omdat hij denkt dat de onvoldoende die de leraar natuurkunde gaf en de weigering van de leraar Godsdienst om lessen te geven over andere religies verband houdt met zijn etnische en/of religieuze achtergrond, is betreurenswaardig, maar verweerder heeft dit terecht onvoldoende geacht. Hoewel eiser naar aanleiding van protesten twee keer is gearresteerd heeft hij ook het politiebureau na enkele uren weer mogen verlaten (zie nader gehoor, p. 11). Eiser heeft met de door hem aangehaalde landeninformatie evenmin aannemelijk gemaakt dat de discriminatie voldoende zwaarwegend is. In beroep heeft eiser gewezen op het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (55-58). Kort gezegd staat hierin dat er (vermeend) anti-Koerdisch geweld is vanuit de samenleving en dat er overheidsoptreden bestaat tegen uitingen van de Koerdische taal en cultuur. Dat deze discriminatie er is, maakt echter nog niet dat dit systematisch is waardoor de discriminatie van Koerden in het algemeen voldoende zwaarwegend is (vergelijk ook paragraaf C7/34 van de Vc). Verder wordt er in het ambtsbericht niets gezegd over discriminatie van Alevieten. 4.4. Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de discriminatie een reëel risico loopt op ernstige schade. Militaire dienstplicht 5.1. De rechtbank stelt voorop dat Turkije een dienstplicht kent voor (in ieder geval) mannen van 20 tot 41 jaar en dat verweerder heeft geloofd dat eiser in Turkije in militaire dienst moet. Eiser heeft gesteld dat hij niet aan dienstplicht wil voldoen. Tussen partijen staat ter discussie of eiser in Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolgens wegens dienstweigering. 5.2. In paragraaf C2/3.2.7 van de Vc is uiteengezet in welke gevallen verweerder een vreemdeling vanwege dienstweigering aanmerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit beleid, dat is gebaseerd op het arrest van 12 april 1995 van de Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken van de arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage, in de zaak Antikian (ECLI:NL:RBSGR:1995:ZA1155), staan drie alternatieve voorwaarden hiervoor: De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst het plegen van strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen. De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Er is bovendien een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschil Weliswaar heeft verweerder geloofd dat eiser vanwege zijn etniciteit discriminatie heeft ondervonden, maar dat is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser daarom zwaarder zal worden gestraft voor dienstweigering dan anderen. 5.5. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij niet in het leger wil, omdat hij geen wapens wil dragen en niemand wil doden (zie p. 20). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze standpunten op zichzelf onvoldoende zijn om als onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de militaire dienstplicht aan te merken. Eiser heeft immers geen verdere uitleg gegeven, zoals innerlijke conflicten of andere concrete omstandigheden die zijn gewetensbezwaren zouden ondersteunen. De in de beroepsgronden aangevoerde verklaring dat eiser gewetensbezwaarde is omdat hij het moreel onverenigbaar acht om als Zaza-Koerd dienst te nemen in het Turkse leger, heeft verweerder niet bij de beoordeling hoeven betrekken. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij zijn verklaringen eerst in beroep hiermee aanvult en hoe dit zich verhoudt tot zijn eerdere verklaringen. Tijdens de besluitvorming heeft eiser zijn wens om niet deel te nemen aan de militaire dienstplicht niet gekoppeld aan zijn Koerdische achtergrond. Het betoog van eiser dat niet van hem verlangd kan worden dat hij zijn etnische overtuigingen al tijdens het nader gehoor op wetenschappelijke wijze verwoordt stuit hier reeds op af. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd is bovendien in strijd met zijn eerdere verklaringen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij niet denkt dat hij bepaalde gewetensbezwaren heeft, het (de rechtbank begrijpt: deelname aan de militaire dienstplicht) gewoon onnodig vindt, en dat buiten het niet willen dragen van wapens en het doden van personen er geen andere redenen zijn om de militaire dienstplicht niet te willen vervullen (zie nader gehoor, p. 20). Dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van eisers gestelde gewetensbezwaren. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onoverkomelijke gewetensbezwaren, behoeft het betoog van eiser dat hij de dienstplicht niet kan en wil afkopen geen bespreking. 5.6. Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het ontduiken van de dienstplicht in Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolging. Politieke overtuiging 6.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder eisers politieke overtuiging, die erop neerkomt dat hij een humanistische politieke overtuiging heeft en zich betrokken voelt bij de rechten van de koerden, geloofwaardig heeft geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in Turkije (via een sociale club) heeft deelgenomen aan een protest tegen de aanstelling van een rector aan de Boğaziçi Universiteit en een protest vanwege de situatie in Kobani en dat eiser in Nederland politieke activiteiten heeft verricht, bestaande uit het af en toe plaatsen van kritische berichten en Koerdische liedjes op sociale media. Tussen partijen staat er discussie of eiser aan zijn politieke overtuiging en activiteiten een gegronde vrees voor vervolging ontleent. 6.2. In paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vc is uiteengezet welke omstandigheden verweerder betrekt bij de beoordeling van de vrees voor vervolging vanwege een politieke overtuiging. In dit beleid staat dat verweerder de sterkte van de politieke overtuiging van de vreemdeling, de wijze waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging – ongeacht of die activiteiten in zijn land van herkomst, in Nederland of elders hebben plaatsgevonden – en of aannemelijk is dat de vreemdeling ook na terugkeer uiting aan