Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:15661
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/522385 / HA ZA 16-1322 Vonnis van 3 juni 2026 in de zaak van LEK INSTALLATIETECHNIEK B.V. , te Ter Aar, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. D.Th.J. van der Klei te Den Haag, tegen 1. [partij B sub1] VOF (in liquidatie), voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’ , te [vestigingsplaats] , 2. [partij B sub 2] , voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 2] ’, te [vestigingsplaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. J.M. van Rongen te Heerenveen. Eiseres in conventie (tevens verweerster in reconventie) wordt hierna ‘Lek’ genoemd. Gedaagden in conventie (tevens eisers in reconventie) worden hierna afzonderlijk – in lijn met alle eerdere tussenvonnissen – ‘ [partij B sub1] ’ en ‘ [partij B sub 2] ’ genoemd en samen ‘ [gedaagden] ’. Hierbij wordt benadrukt dat met gedaagde sub 1, afgekort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’ [partij B sub1] (voorheen genaamd: [handelsnaam 1] ) is bedoeld, en niet [vennoot 1] , de vennoot van die firma. De rechtbank gaat hier in dit vonnis nog nader op in. 1 De procedure 1.1. In het tussenvonnis van 21 oktober 2020 zijn TNO (afdeling Bouw, Infra en Maritiem/Glastuinbouw) (‘TNO’) en FW Techniek-Consultancy B.V. (‘FW Techniek’) door de rechtbank tot deskundigen benoemd om antwoord te geven op de in dat vonnis geformuleerde vragen. De rechtbank heeft sindsdien de volgende tussenvonnissen en (rol)beslissingen gewezen: het tussenvonnis van 30 november 2022, waarin een aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald; het tussenvonnis van 30 november 2024, waarin een tweede aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald en aan TNO een extra termijn is verleend voor het indienen van het definitieve rapport; de rolbeslissing van 12 maart 2025, waarin een verzoek van [gedaagden] tot ontslag van TNO als deskundige is afgewezen; het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin de kosten van het deskundigenonderzoek van TNO zijn begroot, op basis van (thans) artikel 191, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De partijstukken waarop deze beslissingen zijn gebaseerd zijn in de tussenvonnissen en de rolbeslissingen genoemd. 1.2. FW Techniek heeft op 23 april 2021 zijn definitieve deskundigenrapport ingediend. TNO heeft op 15 mei 2025 haar definitieve rapport ingeleverd. Die rapporten (met alle bijlagen) behoren tot de processtukken. De rechtbank heeft op 23 juni 2025 instructies voor het verdere vervolg van de procedure gegeven en bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Voorafgaand aan die mondelinge behandeling zijn de volgende stukken door partijen ingediend: de akte in conventie tot wijziging van eis en/of gronden ex art. 130 Rv van Lek van 18 december 2024, met producties XII (1 t/m 6); de conclusie na deskundigenbericht van Lek van 15 oktober 2025, met producties XIII (1 t/m 8); de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] van 15 oktober 2025, tevens akte bezwaar tegen wijziging/vermeerdering eis in conventie tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties M1 t/m M27; de antwoordakte na deskundigenbericht tevens conclusie van repliek inzake punten 3 en 4 (eiswijziging Lek en de vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] ) van Lek van 10 december 2025, met producties XIII (9 t/m 18) en XIV (0 t/m 21); de antwoordakte van [gedaagden] van 10 december 2025, met producties M28 t/m M31; de antwoordakte (op onderdelen 6, 7 en 8 en producties XIV van de akte van Lek van 10 december 2025) van [gedaagden] van 14 januari 2026, met producties M32 t/m M35; de voorwaardelijke conclusie van [gedaagden] tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv) van [gedaagden] van 14 januari 2026; de incidentele conclusie van antwoord van Lek van 28 januari 2026, met producties XIV (22 en 23). De rechtbank heeft op 31 oktober, 3 november en 19 december 2025 naar aanleiding van bezwaren van partijen een aantal regiebeslissing Dat houdt volgens Lek ook in dat [vennoot 1] (de vennoot) geen vordering in reconventie kan instellen op basis van de overeenkomst van 30 mei 2012. Op grond van artikel 136 Rv en artikel 7A:1655 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan alleen de VOF dat, aldus Lek. [gedaagden] betwisten het door Lek ingenomen standpunt. Volgens [partij B sub1] is uitsluitend de VOF de in rechte betrokken procespartij en niet [vennoot 1] zelf, in zijn hoedanigheid van vennoot. 2.6. De vraag wat de hoedanigheid en identiteit van een betrokken gedaagde procespartij is, vergt uitleg van de processtukken van partijen. Hierbij fungeert de wilsvertrouwensleer als maatstaf. Het gaat er om wat de betrokkenen uit die processtukken hebben begrepen of althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen (artikelen 3:33, 3:35 en 3:59 BW). Daarbij geldt ook dat strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van het dagvaardingsexploot, in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij. Een eisende partij moet dus helder omschrijven wat de hoedanigheid en identiteit is van de eisende partij en van de gedaagde partij en die omschrijving weegt zwaar bij de beoordeling van de vraag welke (rechts)persoon in rechte is betrokken. 2.7. Tussen partijen is niet in geschil dat één van de twee overeenkomsten van 30 mei 2012 (‘de overeenkomsten’) – die de basis vormen van alle vorderingen in deze procedure – is gesloten tussen Lek en de VOF (toen nog geheten: [handelsnaam 1] ). De VOF had twee vennoten: [vennoot 1] en zijn echtgenote [vennoot 2] ’). Lek heeft op basis van de overeenkomsten een vordering tot betaling van facturen ingesteld. Uit het exploot van dagvaarding blijkt dat Lek als gedaagde partij 1 heeft gedagvaard: ‘ [vennoot 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 1] ’, in de dagvaarding vervolgens verkort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Deze partijomschrijving is niet heel duidelijk: enerzijds wordt de naam van de vennoot genoemd ( [vennoot 1] ), anderzijds wordt verwezen naar de handelsnaam van de VOF ( [handelsnaam 1] ). Uit de toelichting van het geschil en de vordering in de dagvaarding blijkt echter onmiskenbaar dat het de bedoeling van Lek is geweest om de wederpartij te dagvaarden met wie zij destijds de overeenkomst heeft gesloten. Niet ter discussie staat dat dit de VOF was, toen handelend onder de naam [handelsnaam 1] (en sinds 1 augustus 2015 handelend onder de naam ‘ [partij B sub1] ’). Voor Lek moet ook duidelijk zijn geweest dat de contractspartij [handelsnaam 1] een vennootschap onder firma was, want Lek heeft bij de dagvaarding als productie 4 een uittreksel uit het handelsregister van de VOF overgelegd en zij werd bijgestaan door een advocaat. Nergens uit de dagvaarding blijkt dat het Lek voor ogen heeft gestaan om niet de contractuele wederpartij (de VOF voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] ), maar haar vennoot [vennoot 1] in rechte te betrekken, op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 18 WvK. Artikel 18 WvK wordt in de dagvaarding ook nergens genoemd. 2.8. Partij [partij B sub1] is vervolgens in het geding verschenen en heeft (samen met [partij B sub 2] ) op 25 januari 2017 een conclusie van antwoord (tevens conclusie van eis in reconventie) ingediend. In de kop van die conclusie staat dat deze mede is genomen namens “ [vennoot 1] h.o.d.n. [partij B sub1] ” , in de conclusie vervolgens (evenals in de dagvaarding) afgekort als ‘ [partij B sub1] ’. Weliswaar is ook in de partijomschrijving in de kop van de conclusie niet met zoveel woorden toegevoegd dat partij [partij B sub1] een vennootschap onder firma is, maar uit de inhoud van de conclusie blijkt dat het de VOF is die is verschenen. Immers, [partij B sub1] was op dat moment de handelsnaam van de VOF. Daarnaast is in de conclusie opgemerkt dat partij [partij B sub1] de overeenkomst met Lek heeft gesloten en dat [vennoot 1] zijn onderneming uitoefent vanuit een vennootschap onder firma. Uit de conclusie blijkt op geen enkele wijze dat [par Vast staat dat de contractuele rechtsverhouding tussen de VOF en Lek en tussen [partij B sub 2] en Lek niet aan de BV’s is overgedragen, want daarvoor is op grond van artikel 6:159 BW toestemming nodig van Lek, die – zo is niet in geschil – niet is gegeven. 2.14. Evenmin is sprake van overdracht van de vorderingen in reconventie aan een derde (besloten vennootschappen van [gedaagden] ). Op grond van artikel 3:94 BW zijn voor de overdracht van vorderingen noodzakelijk (1) een daartoe bestemde akte en (2) mededeling daarvan aan de debiteur. Overdracht van een vordering vereist een titel: een verbintenisrechtelijke overeenkomst waarbij de oorspronkelijke schuldeiser (de cedent) zich verplicht om een vordering aan een ander (de cessionaris) over te dragen. Indien in een akte melding wordt gemaakt van een over te dragen vordering, maar daarvoor geen overeenkomst tussen partijen bestaat, gaat die vordering dus niet over, omdat dan niet aan het vereiste van een geldige titel is voldaan. Voor de uitleg van de vraag of een overdracht van een vordering is overeengekomen, is de tekst van de cessie-akte niet beslissend; het komt aan op de betekenis die de betrokken partijen (cedent en cessionaris) aan de akte mochten toekennen en wat zij in verband daarmee redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). In dit geval stelt Lek dat uit de oprichtingsakten van de BV’s volgt dat de vorderingen op Lek aan de BV’s zijn overgedragen, maar dat staat daar nergens met zoveel woorden. Bovendien hebben zowel de gestelde cedenten ( [partij B sub1] en [partij B sub 2] ) als de gestelde cessionarissen (de BV’s) betwist dat tussen hen is overeengekomen dat de vorderingen op Lek aan de BV’s worden gecedeerd. Van een titel (een verbintenisrechtelijke afspraak) tot overdracht van de vorderingen is dus niet gebleken. Bovendien is nooit mededeling aan Lek gedaan van een cessie van de vordering aan de BV’s, zodat ook daarom geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige cessie. De op 23 november 2024 door de besloten vennootschappen van [partij B sub1] zekerheidshalve verstuurde stuitingsbrief kan niet als een mededeling van cessie worden opgevat. In die brief valt namelijk nergens te lezen dat de besloten vennootschappen de in deze procedure ingestelde vorderingen op Lek hebben overgenomen. 2.15. Evenmin slaagt het verweer van Lek dat [gedaagden] niet vorderingsgerechtigd zijn, omdat zij hun vorderingen op Lek aan de Rabobank hebben verpand en de inningsbevoegdheid van de vorderingen is overgegaan op de bank. Lek heeft niet concreet onderbouwd dat de vorderingen zijn verpand aan de bank. Bovendien blijft een pandgever bevoegd tot het vorderen van nakoming en innen van een vordering, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld (artikel 3:246, eerste lid BW). Gesteld noch gebleken is dat op enig moment aan Lek is medegedeeld dat de vorderingen van [gedaagden] op Lek aan de bank zijn verpand. Anders dan Lek betoogt, is de vermelding van een pandrecht van de Rabobank in een gedeponeerde publicatiejaarrekening geen mededeling van het pandrecht aan de debiteur als bedoeld in artikel 3:246, eerste lid BW. Bovendien verwijst Lek hiertoe naar een publicatiejaarrekening 2016 van [bedrijfsnaam 1] B.V., die geen vordering op Lek heeft. 2.16. De rechtbank is dus van oordeel dat [gedaagden] nog steeds gerechtigd zijn tot hun vorderingen in reconventie. [gedaagden] kunnen dan ook nog steeds gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten en terugbetaling wegens ongedaanmaking vorderen. Wel staat vast dat [gedaagden] de door Lek verkochte en geïnstalleerde installaties inmiddels hebben overgedragen aan de BV’s. De rechtbank zal hierna nog ingaan op de vraag of, en zo ja welke, gevolgen die overdracht heeft voor de door [gedaagden] gevorderde ontbindingsschade (bestaande uit herstelkosten). Er wordt niet teruggekomen van bindende eindbeslissingen in het Tussenvonnis 2.17. Het Tussenvonnis bevat meerdere beslissingen over door part Dit is in het rapport van Nebest van 1 oktober 2025 vastgesteld (productie M21 [gedaagden] ). De stalen platen zijn gaan corroderen, waardoor de ventilatiesystemen (nog) minder goed werken en sneller verouderen. Daarnaast is geconstateerd dat de CO2-transportleiding bij [partij B sub1] een te lage capaciteit heeft en niet aan de specificaties van de overeenkomst voldoet. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing naar een rapport van DLV Gas & Energie (DLVGE) van 2 oktober 2025, overgelegd als productie M13. Hierin concludeert DLVGE dat het vermogen van de CO2-transportventilator kleiner is dan wat was aangeboden (2,2 in plaats van 5,5 kW) en de diameter van de transportleiding eveneens te klein is uitgevoerd (250 in plaats van 315 mm). Ten derde is bij [partij B sub1] gebleken dat het door Lek aan hem geleverde stikstofvoorraadvat 60% kleiner is dan was overeengekomen: er is een vat van 200 liter geleverd in plaats van de overeengekomen 500 liter, aldus – telkens en samengevat – [gedaagden] 2.22. Lek voert primair als verweer aan dat [gedaagden] op grond van artikel 23, eerste lid AV, althans op grond van de wet (artikelen 6:89 BW en 7:758 BW) geen beroep meer kunnen doen op deze gebreken in het geleverde, omdat hun klachten hierover te laat zijn geuit. Dit verweer slaagt. De rechtbank licht dit oordeel toe. 2.23. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van gemengde overeenkomsten in de zin van artikel 6:215 BW (koop/aanneming). Op grond van de overeenkomsten zou Lek de in de overeenkomsten beschreven installatie-onderdelen (belichting, elektra, ventilatie, verwarmingen en bewatering) aan [gedaagden] leveren en in de kas van Lek installeren. De thans naar voren gebrachte klachten van [gedaagden] komen erop neer dat door Lek geleverde installatieonderdelen niet in overeenstemming zijn met wat volgens de overeenkomsten door Lek zou worden geleverd (want te klein, te dun of van ander materiaal). Uit het Tussenvonnis volgt dat het niet tot een oplevering is gekomen, omdat Lek ook in maart 2013 nog niet volledig klaar was en [gedaagden] vervolgens hun betalingen hebben opgeschort. Het staat echter niet ter discussie dat de installaties waar [gedaagden] thans over klaagt (de CO2-transportleiding, LBK’s en de stikstofinstallatie) wel feitelijk aan [gedaagden] zijn geleverd en door [gedaagden] in gebruik zijn genomen. Ook gelet op de aard van de klachten (non-conformiteit van het geleverde), moet in dit geval de regeling van artikel 7:23 BW worden toegepast om te beoordelen of de klachten van [gedaagden] (niet) te laat zijn. 2.24. Artikel 7:23 BW bevat voor koop een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 6:89 BW en die dezelfde ratio kent. Artikel 7:23, eerste lid, eerste zin, BW houdt in dat de koper geen beroep meer erop kan doen dat wat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, in kennis heeft gesteld. Deze bepaling beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen. 2.25. De vraag of de koper binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23, eerste lid BW heeft gereclameerd over gebreken aan de afgeleverde zaak, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de in de eerste zin van die bepaling geregelde gevallen dient de koper (a) ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten en (b) binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper. 2.26. In het geval van een niet-consumentenkoop (zoals hier), dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagden] op grond van artikel 7:23 BW geen beroep meer kunnen doen op de non-conformiteiten in de genoemde punten; zij hebben hun rechten ter zake verloren. Verdere beoordeling van de tegenvorderingen van Mans 2.30. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat Lek haar verplichtingen uit de overeenkomsten op verschillende onderdelen niet is nagekomen. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat – nu Lek in verzuim is (zie Tussenvonnis, r.o. 4.8) – [gedaagden] de overeenkomsten wegens toerekenbare tekortkoming gedeeltelijk hebben mogen ontbinden en recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank zal hierna onder r.o. 2.155 e.v. toelichten tot welk totaalbedrag de overeenkomsten zijn ontbonden en welke verdere gevolgen dat heeft voor de vorderingen in conventie en in reconventie. De rechtbank zal hierna eerst per installatie-onderdeel (ventilatiesysteem, warmte-installatie, watergeefinstallatie, computerinstallatie, elektra-installatie en belichtingsinstallatie) beoordelen in hoeverre sprake is van een tekortkoming van Lek. Vorderingen in reconventie van Mans, het HNT-ventilatiesysteem (onderdeel A) 2.31. Als eerste wordt het HNT-ventilatiesysteem beoordeeld. TNO heeft onderzoek gedaan naar de door [gedaagden] gestelde gebreken in dit systeem, onder meer ten aanzien van de tekortschietende capaciteit en ongelijkmatige luchtverdeling. Ten aanzien van die gebreken volgt de rechtbank het rapport van TNO. Er zijn geen gronden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en de expertise van TNO. De rechtbank gaat niet mee in de klacht van [gedaagden] dat TNO zich voor haar conclusies op een te beperkte steekproef heeft gebaseerd. TNO heeft in het rapport gemotiveerd waarom het naar haar deskundig inzicht voldoende was om in twintig slangen (bij twee LBK’s) de luchthoeveelheid te meten via de luchtsnelheid en in vier slangen de drukverdeling over de lengte van de slang te meten, om conclusies te trekken over de gelijkmatigheid van de luchtverdeling. 2.32. De rechtbank ziet geen reden om aan dit oordeel te twijfelen. Weliswaar heeft TNO alleen in de kas van [partij B sub 2] gemeten, maar TNO heeft toegelicht dat bij de start van het onderzoek met partijen is besproken dat het beter was om de inspanningen op één kas te richten, omdat de twee kassen vrijwel identiek zijn, met dit verschil dat de kas van [partij B sub1] geen schoepen en ringen had, en de kas van [partij B sub 2] wel. Omdat dit het enige verschil was (en om binnen de begroting te blijven), is niet voorgesteld ook nog in de kas van [partij B sub1] te meten. Bovendien heeft TNO in haar rapport ook de eerdere metingen van Climeco (uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] ) meegenomen en TNO heeft in het eindrapport ook al het commentaar van de partijdeskundigen van [gedaagden] betrokken, met daarin onder meer resultaten van metingen die zijn uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] . TNO is in haar eindrapport in bijlage S gemotiveerd op die partijdeskundigenrapporten ingegaan. Het rapport van TNO biedt daarmee een voldoende gefundeerde basis om conclusies over de beide kassen te trekken. 2.33. De rechtbank gaat niet mee in de kritiek van Lek dat TNO onder druk van de omvang van het partijcommentaar van [gedaagden] haar conclusies zonder deugdelijke basis zou hebben aangepast, om [gedaagden] zo alsnog ‘iets te gunnen’. TNO is een professionele, onpartijdige en onafhankelijke deskundige. Aangenomen mag dan ook worden dat voor zover naar aanleiding van het partijcommentaar wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere conceptrapporten, die wijzigingen steunen op het eigen deskundig inzicht van TNO ten aanzien van de beschikbaar gestelde informatie, bezien in het licht van haar eigen eerdere bevindingen ter plaatse. TNO heeft in het eindrapport gemotiveerd verantwoording afgelegd waarom bepaalde gevolgtrekkingen in eerdere conceptrapporten zijn bijgesteld. De rechtbank zal daarom de conclusies van TNO tot uitgangspunt te nemen. 2.34 Dat in de overeenkomsten staat dat de luchtverdeelslangen en de ventilator een overcapaciteit hebben tot 5,75 m3/h/m2, betekent naar het oordeel van de rechtbank dat die delen van het systeem overcapaciteit hebben, maar niet (zoals TNO ook bevestigt ) dat het gehele samengestelde systeem daarmee een capaciteit van boven de 4 m3/h/m2 zou hebben. [gedaagden] mochten dan ook niet verwachten dat zij met het gekochte systeem, zonder aanpassingen, maximaal 5,75 m3/h/m2 in de kas konden brengen. Zij kochten een ‘4-kuub-systeem’ en in de overeenkomsten staat ook dat de verdeelbuizen zijn ontworpen op het transporteren van 4 m3 lucht/h, dus niet op 5,75 m3/h. 2.39. [gedaagden] mochten op grond van de overeenkomsten verwachten dat de afgesproken luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 bij een ventilatorverbruik van 0,85 kW/h kon worden gerealiseerd. Dat volgt uit de specificaties van het vermogen van de ventilator, waarin staat dat bij een luchtverplaatsing van 6.400 m3/h (oftewel 4 m3/h/m2, uitgaande van één ventilator per 1.600 m2 kasoppervlak) een verbruik van 0,85 kW hoort. [gedaagden] hebben onvoldoende weersproken gesteld dat deze specificatie over het vermogen van de ventilator van groot belang was, omdat de HNT-installaties zuinig gebouwd moesten worden om aanspraak te kunnen maken op HNT-subsidie. 2.40. Uit het rapport van TNO volgt dat het door Lek vervaardigde ventilatiesysteem niet aan de overeengekomen capaciteitseisen voldoet. TNO heeft in juni 2021 metingen gedaan aan twee LBK’s in de kas van [partij B sub 2] . Daaruit volgt dat met de ventilator op maximaal vermogen (gemiddeld 1,8 kW) een ventilatiehoeveelheid van 3,13 tot 3,69 m3/h/m2 onderhouden kan worden, minder dan 4 m3/h/m2. Weliswaar heeft Climeco in juli 2013 in de kas van [partij B sub1] hogere luchtdebieten van 3,83 tot 4,1 m3/h/m2 gemeten, maar die metingen waren – evenals de metingen van TNO – op 100% ventilatorstand. TNO concludeert dat het met het systeem niet mogelijk is om met een ventilatorvermogen van 0,85 kW een luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 te bereiken, zoals is overeengekomen. Dat geldt zowel voor het systeem bij [partij B sub 2] als voor het systeem bij [partij B sub1] . Bij [partij B sub1] zijn in 2024 metingen gedaan door partijdeskundigen van [gedaagden] Daaruit bleek dat de ventilatoren bij [partij B sub1] bij een luchtsnelheid van 4 m3/h/m2 een vermogen vragen van 1,4 kW per ventilator (een bandbreedte van 1,2-1,6 kW). Bij 75% ventilatorstand was het verbruik 0,92 kW (niet significant hoger dan 0,85 kW), maar de luchtsnelheid was dan te laag (3,48 m3/h/m2). Dat de weerstand in het ventilatiesysteem bij [partij B sub1] lager is dan bij [partij B sub 2] , kan volgens TNO worden verklaard doordat bij [partij B sub 2] geleideschoepen (die weerstandverlagend zijn) en ringen (die juist weerstandverhogend zijn) zijn geplaatst, en bij [partij B sub1] niet. Dat neemt niet weg dat de weerstand van het ventilatiesysteem ook bij [partij B sub1] hoger is dan wat door Lek was aangeboden. 2.41. Uit het TNO-rapport volgt dat de te hoge weerstand is terug te voeren op in elk geval de volgende onderdelen: de warmtewisselaar, die een te hoge weerstand heeft; de aansluitbakken (de aansluitingen van de luchtverdeelbuizen op de LBK’s), die te klein zijn en een T-splitsing hebben met abrupte verandering van de luchtstromingsrichting; de luchtdoorlaat van buiten naar de LBK’s, die te klein is voor de luchthoeveelheid die moet passeren en daarmee fors bijdraagt aan de totale weerstand van het systeem. 2.42. Hoewel TNO in het rapport benoemt dat vervuiling een rol kan spelen bij de te hoge weerstand van de warmtewisselaar (en het rapport van Nebest ook aantoont dat sprake is van vervuiling), staat in voldoende mate vast dat vervuiling niet de enige oorzaak is, maar dat ook de ontwerpweerstand van de warmtewisselaar te hoog is. Immers, TNO noemt die ontwerpweerstand als (mede-)oorzaak voor de te hoge weerstand en TNO adviseert ook om – als eerste herstelstap – de warmtewissela TNO concludeert dat het ontwerp van de slangen niet ondeugdelijk is, omdat het toegepaste type slang en het toegepaste type perforatie op zichzelf nog voldoende luchtverdeling mogelijk maakt. TNO acht het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een gezoneerd gatenpatroon daarom niet nodig. De luchtslurven zijn volgens TNO ook volledig en deugdelijk onder het gewas geplaatst, conform de overeenkomsten. De rechtbank volgt de conclusies van TNO. Voor zover [gedaagden] stellen dat het ontwerp en de positionering van de luchtslangen niet deugdelijk is, wordt dat dus verworpen. 2.47. Op basis van het TNO-rapport kan aldus worden geoordeeld dat de luchtverdeling in het systeem ondermaats is en niet aan de overeengekomen gelijkmatigheid voldoet. Uit het TNO-rapport volgt dat die conclusie kan worden getrokken voor zowel het systeem bij [partij B sub 2] als bij [partij B sub1] (in wiens kas de gelijkmatigheid nog minder goed zal zijn dan bij [partij B sub 2] , vanwege het ontbreken van ringen). TNO adviseert in paragraaf 3.2.1. van het rapport als hersteloptie het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven, om zo de luchtverdeling te verbeteren. Uit andere onderdelen van het TNO-rapport kan worden opgemaakt dat naast dit inregelen ook het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen noodzakelijk is om een voldoende gelijke luchtverdeling over het kasoppervlak te realiseren. Immers, TNO schrijft in het rapport dat de variatie in de luchtverdeling over de gaatjes per slang kan samenhangen met een hoge luchtsnelheid bij het zadelstuk aan het begin van de slang (dat een kleinere diameter heeft dan de slangdiameter). Hiermee strookt de bevinding van TNO in de kas van [partij B sub1] dat veel slangen in circa de eerste meter vanaf de luchtverdeelbuis enigszins klapperen bij een instelling van 100% van het ventilatievermogen. En TNO schrijft in paragraaf 3.5.2.: “Het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een correcte zonering was op basis van het onderzoek van TNO niet nodig. (…) Meer winst is te behalen met het vergroten van de verbinding tussen de verdeelbuis en de slang en het optimaal inregelen van de installatie om de verschillen tussen slangen terug te brengen .” Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat ook het vergroten van de aansluiting een noodzakelijke herstelmaatregel is. Gewijzigde positionering en afschuining recirculatiekanaal (klacht A3) 2.48. Vast staat dat het door Lek geleverde recirculatiekanaal 2 meter hoog is zonder afschuining, in plaats van 3 meter met afschuining zoals in de overeenkomsten staat. TNO heeft dit vastgesteld. TNO heeft ook geconcludeerd dat die afwijkende hoogte en afschuining de deugdelijke werking van het systeem niet in de weg staan, omdat dit ertoe leidt dat meer lucht van langs de gevel wordt aangezogen en minder van boven het scherm, wat conform de overeenkomsten gewenst is. TNO acht het vergroten van het retourkanaal en de recirculatieklep niet noodzakelijk, omdat de weerstanden hiervan zeer laag zijn en het vergroten van die onderdelen dus zeer weinig zal bijdragen aan het bereiken van grotere luchtvolumestromen in het ventilatiesysteem. De weerstand in andere onderdelen van het ventilatiesysteem is meer bepalend, aldus TNO. De rechtbank gaat uit van de conclusies van TNO. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voor wat betreft het recirculatiekanaal en de recirculatieklep geen sprake is van een tekortkoming van Lek, omdat deze onderdelen, hoewel anders uitgevoerd, in werking voldoen aan de eisen en de doelen van de overeenkomst. Ontbrekend luchtafzuigsysteem (klacht A4) 2.49. [gedaagden] hebben (op basis van de rapporten van Climeco) onder meer vergoeding van kosten voor een luchtafzuigsysteem gevorderd. In de overeenkomsten is geen actief luchtafzuigsysteem opgenomen. Hierin staat dat lucht door overdruk via scherm en openingen de kas uit kon worden gewerkt. Artikel 6:265 BW geeft de schuldeiser de bevoegdheid om de overeenkomsten geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Artikel 6:270 BW geeft aan wat een gedeeltelijke ontbinding inhoudt: een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid. Een evenredige vermindering in hoedanigheid kan onder meer plaatsvinden wanneer een ondeugdelijke prestatie is verricht. In dat geval kan de koper of de opdrachtgever een reductie van de prijs vorderen in evenredigheid met de afwijking in kwaliteit tussen wat is afgesproken en wat is geleverd. Het staat de rechter vrij om de vermindering van de wederzijdse prestaties te schatten, aan de hand van de stukken en hetgeen daarover over en weer door partijen is aangevoerd. Bij een dergelijke schatting is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijs. Voor het ontbonden gedeelte zijn partijen van hun verbintenissen bevrijd. Hebben partijen al meer gepresteerd dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding zijn gehouden, dan ontstaan voor het teveel gepresteerde verbintenissen tot ongedaanmaking van de al ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde van de prestatie op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272, eerste lid BW). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (artikel 6:272, tweede lid BW). De schuldeiser van een waardevergoedingsvordering draagt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van die vordering. 2.55. De rechtbank stelt voorop dat – anders dan Lek betoogt – [gedaagden] een voldoende belang hebben bij gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten, nu de ontbinding ertoe strekt de door hen verschuldigde bedragen met een evenredig deel te verminderen en het eventueel teveel betaalde terug te vorderen. Dat [gedaagden] de installaties inmiddels via een activaoverdracht hebben overgedragen aan hun BV’s, doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat ook de rechten uit de overeenkomsten aan de BV’s zijn overgedragen. Ten aanzien van de vraag voor welk deel de overeenkomsten moet worden ontbonden en tot welke financiële gevolgen dat leidt, overweegt de rechtbank als volgt. 2.56. De hiervoor geconstateerde tekortkomingen van Lek betreffen het door Lek ontworpen, geleverde en geïnstalleerde HNT-ventilatiesysteem. Weliswaar zijn partijen in de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 één totale aanneemsom voor het gehele werk overeengekomen, maar Lek heeft (onvoldoende weersproken) gesteld dat uit de in de voorafgaand verstrekte prijsoverzichten van 22, 26 en 30 maart 2012 (producties VIII.9 en VIII.10 van Lek) valt af te leiden welke prijs [gedaagden] voor welke installatie (elektra, ventilatie, belichting, verwarming) hebben betaald. 2.57. Volgens Lek volgt met name uit het overzicht van 26 maart 2012 welke arbeid en welk totaal factuurbedrag een zaak vertegenwoordigde in de totaalprijs. De rechtbank leest in het overzicht (met handgeschreven ‘26 maart 2012’) dat de prijs van het LTO-ventilatiesysteem voor [partij B sub1] € 136.375 is en voor [partij B sub 2] € 141.995. Nu geen van partijen concreet iets anders heeft gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit, binnen het geheel van de totale aanneemsom, de prijs is die Lek aan [gedaagden] heeft gerekend voor de levering en installatie van de ventilatiesystemen. Nu alle door Lek gedane prijsopgaven exclusief btw waren – zie bijvoorbeeld de overeenkomsten, p. 1, en de eerdere prijsaanbieding voor het ventilatiesysteem van 12 januari 2012, p. 15 – gaat de rechtbank ervan uit dat ditzelfde geldt voor de hiervoor genoemde bedragen van € 136.375 en € 141.995. Uit de facturen volgt dat de door [gedaagden] a [gedaagden] hebben, aan de andere kant, onder verwijzing naar offertes van hun deskundigen gesteld dat de herstelkosten in de praktijk waarschijnlijk hoog zijn en dat het vergroten van de aansluitingen in de praktijk alsnog zal nopen tot het verhangen van de verdeelbuizen. Uit de stellingen van [gedaagden] volgt verder dat de tekortkomingen in de praktijk ertoe leiden dat de kerndoelen van het HNT-systeem (een homogeen klimaat en energiebesparing) niet kunnen worden gehaald. [gedaagden] hebben ter zitting toegelicht dat een homogeen klimaat belangrijk is voor de teelt en dat de ongelijke luchtverdeling onder de planten het klimaat juist verstoorde. [gedaagden] hebben daarom de buitenluchtaanzuiging uitgezet en alleen de recirculatiestand op een laag pitje gezet. Uit hun stellingen volgt dat het ventilatiesysteem daarmee voor [gedaagden] niet helemaal waardeloos is geweest, maar wel van weinig waarde was. 2.62. Naar schatting van de rechtbank rechtvaardigt dit een en ander dat de overeenkomsten voor wat betreft het ventilatiesysteem voor het grootste deel, en wel voor 80%, wordt ontbonden. Voor dat deel heeft de ontbindingsverklaring van 25 januari 2017 dus effect gehad. Deze ontbinding komt per saldo neer op een prijsvermindering van € 132.011 (0,8 x € 165.013,75) voor [partij B sub1] en een prijsvermindering van € 137.451 (0,8 x € 171.813,95) voor [partij B sub 2] . Voor zover die prijs al voor een deel door [gedaagden] is voldaan, moet Lek dat deel op grond van een ongedaanmakingsverbintenis aan [gedaagden] terugbetalen. De daartegenoverstaande verbintenis van Lek (levering en installatie van een ventilatiesysteem met gebreken) leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor ongedaanmaking. Een waardevergoeding voor die gebrekkige prestatie op grond van artikel 6:272 BW is niet aan de orde, omdat de prestatie voor dat deel niet aan de verbintenis heeft beantwoord en geen waarde voor [gedaagden] heeft gehad. 2.63. Evenmin heeft Lek recht op een vergoeding voor het gebruik dat [gedaagden] sinds 2012 van het ventilatiesysteem hebben gemaakt. De koper van een object is na ontbinding slechts in uitzonderlijke situaties een gebruiksvergoeding aan de verkoper verschuldigd over de periode waarin hij het object onder zich heeft gehad. Het enkele gebruik van een zaak door de koper is onvoldoende voor toewijsbaarheid van een vordering van de verkoper tot betaling van een gebruiksvergoeding. Daarvoor dient sprake te zijn van een situatie waarin is voldaan aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking en/of het uitblijven van een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Lek heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat een zodanige uitzonderlijke situatie zich hier voordoet. Aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW 2.64. [gedaagden] vorderen naast gedeeltelijke ontbinding en ongedaanmaking (in de zin van terugbetaling van een deel van de prijs) ook aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW. De vordering van [gedaagden] strekt ertoe om de volledige kosten vergoed te krijgen die zij moeten maken om het ventilatiesysteem door een derde te laten herstellen, zodanig dat dit werkt zoals tussen partijen is overeengekomen. Die herstelkosten zijn hoog, omdat beide ventilatiesystemen feitelijk bijna volledig moeten worden vervangen en herstel door een derde duur en tijdrovend is, ook omdat de kassen in bedrijf zijn genomen en er tijdens een lopend bedrijf moet worden hersteld. [gedaagden] verwijzen naar offertes van Hortivision, die als overwogen de herstelkosten op € 670.000 tot ruim € 700.000, exclusief btw begroot. 2.65. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt. Op grond van artikel 6:277, eerste lid BW is Lek in beginsel verplicht de schade te vergoeden die [gedaagden] lijden doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomsten plaatsvindt. Deze bepaling strekt ertoe buit De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat ook tussen Lek en [partij B sub1] levering van een drycooler was overeengekomen, ook al staat dat – zoals TNO vaststelt – niet duidelijk in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Verder staat naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat het aansluiten van de drycoolers onderdeel was van het overeengekomen werk. Dit staat immers op de werkpuntenlijst van november 2012 en het staat ook in de ‘j/n lijsten’ (zie productie M17 [gedaagden] , p. 3, waarin [gedaagden] dit duidelijk stellen). Lek stelt dat het aansluiten meerwerk is, maar motiveert dat verder niet. 2.70. Vast staat dat de drycoolers niet door Lek zijn aangesloten. Voor dat deel mogen [gedaagden] de overeenkomsten dus ontbinden omdat het werk nooit is uitgevoerd. Bij gebrek aan andere aangedragen aanknopingspunten schat de rechtbank de omvang van het gemiste werk op het door [gedaagden] genoemde bedrag van € 3.450 dat uit de ‘j/n lijsten’ naar voren komt (productie M17 van [gedaagden] , p. 3 bovenaan). Hiermee wordt de door [gedaagden] te betalen prijs dus verminderd. 2.71. Uit de eisvermeerdering volgt dat [gedaagden] in verband met de drycoolers een hoger bedrag vorderen, namelijk € 10.014,86 voor [partij B sub1] en € 8.032,27 (€ 3.514,77 plus € 4.517,50) voor [partij B sub 2] . Hierbij wordt verwezen naar facturen van [bedrijfsnaam 4] en K&M, zonder dat is toegelicht wat voor werkzaamheden zijn verricht, wanneer, door wie, in wiens opdracht, en waarom de kosten daarvan geheel voor rekening van Lek moeten komen. Het is aan [gedaagden] om, als zij naast gedeeltelijke ontbinding ook schadevergoeding vorderen, hun schade voldoende inzichtelijk te maken en te onderbouwen, zodat voor Lek duidelijk is waartegen zij verweer moet voeren en de rechtbank deugdelijk kan beoordelen of en in hoeverre recht bestaat op schadevergoeding. Nu [gedaagden] dat hebben nagelaten, is op dit punt voor schadevergoeding geen plaats. Niet geïnstalleerde warmtewisselaar t.b.v. gietverwarming (B2) 2.72. TNO heeft toegelicht dat weliswaar bij HNT geregeld gietwaterverwarming wordt geïnstalleerd wanneer – zoals bij [gedaagden] – er geen groeibuis is, maar dat dit geen automatisme is: gietverwarming is optioneel en staat niet in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Lek heeft betwist dat [gedaagden] voorzieningen voor gietwaterverwarming hebben gekocht. [gedaagden] hebben tegenover die betwisting geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit wel tot de overeenkomsten behoorde. [gedaagden] wijzen op een document ‘overzicht totaalopdracht en MEI aandeel [partij B sub 2] , [handelsnaam 2] [vestigingsplaats] ’, maar dat overzicht zit niet bij de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 (productie I.1 en I.2 van Lek). [gedaagden] hebben niet (voldoende) onderbouwd wat de status van dat document is en waarom zij op grond daarvan mochten verwachten dat Lek voor de overeengekomen prijs ook voorzieningen voor gietwaterverwarming zou leveren. Er is daarmee niet komen vast te staan dat Lek tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomsten van 30 mei 2012 door dit niet te leveren. Aanpassen aansluiting verhitter op warmtebuffer (B3) en extra energieverbruik ontsmetter (B10) 2.73. [gedaagden] hebben klachten geuit over de drainwaterontsmetter. De ontsmetter zou volgens [gedaagden] niet juist zijn geïnstalleerd, waardoor veel storingen zijn ontstaan. Daarnaast kwam de retour van de ontsmetter rechtstreeks in de retour van de warmtebuffer terecht. Dit water hoort daar niet, want het is nog te warm (70 tot 80 °C), aldus [gedaagden] 2.74. TNO heeft de ontsmetters onderzocht. Volgens TNO zijn de ontsmetters volledig en deugdelijk geplaatst, volgens de overeenkomsten. Ook de werking van de ontsmetter voldoet – na herstel – aan wat op grond van de overeenkomsten mocht worden verwacht. Aanvankelijk voerde de ontsmetter warm water af naar de onderste lagen van de warmtebu Ten eerste is op 20 november 2012 de warmtebuffer overgelopen als gevolg van ondeugdelijk geïnstalleerd leidingwerk (TNO stelt vast dat dit inderdaad zo is). En daarnaast is volgens [gedaagden] op 25 september 2012 een PE-verbinding van een HNT-verwarmingsleiding losgeschoten, door ondeugdelijk leidingwerk bij [partij B sub1] . Ook is een padgietleiding niet aangesloten door de monteur van Lek, waardoor veel water de kas van [partij B sub1] is ingekomen, aldus [gedaagden] 2.84. Vast staat dat [partij B sub1] de klachten over de wateroverlast en de verkeerd gemonteerde leidingen op 2 en 8 oktober 2012 bij Lek heeft gemeld. [gedaagden] hebben in productie M18 een nadere toelichting gegeven op de gebreken en de waterschade, voorzien van foto’s. Daarnaast volgt uit het TNO-rapport dat het niet goed monteren en het vervolgens niet goed afpersen van deze leidingen op zichzelf deze gevolgen kunnen hebben, hoewel TNO dit niet meer kan nagaan. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] – dit alles tezamen genomen – voldoende onderbouwd hebben gesteld en Lek daartegenover onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van gebrekkig werk van Lek, met waterschade tot gevolg. Lek is hiervoor aansprakelijk (artikel 6:74 BW). De rechtbank acht het aannemelijk dat [partij B sub1] door deze gebeurtenissen schade heeft geleden in de vorm van de inzet van personeel voor herstel- en schoonmaakwerk, maar het gevorderde schadebedrag van € 1.430 is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank schat de schade naar billijkheid op de helft, € 750. Corrosie door ontbrekende schilderwerkzaamheden (B9) 2.85. Op basis van het TNO-rapport staat vast dat diverse verwarmingsonderdelen niet door Lek zijn geschilderd, terwijl dat wel had moeten gebeuren. Lek heeft de daarmee gemoeide kosten (€ 1.000 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) niet betwist. Het gemiste werk wordt op dat bedrag vastgesteld. Bevestiging buisrailverwarming aan betonpad (B11) 2.86. [gedaagden] hebben gesteld dat Lek heeft nagelaten bij [partij B sub 2] de kopeinden van de buisrailverwarming aan het betonpad te fixeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Lek dit verwijt onvoldoende gemotiveerd betwist. Lek heeft eerder gesteld dat alle rails waren bevestigd, maar dan valt niet in te zien waarom dit punt nog op de werkpuntenlijst van 16 november 2012 stond. Tegenover TNO heeft Lek bovendien een ander standpunt ingenomen; daar heeft Lek gesteld dat met [partij B sub 2] is afgesproken dat [partij B sub 2] zelf de buisrailverwarming zou bevestigen om kosten te besparen. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat Lek dit werk niet heeft uitgevoerd en dat dit uiteindelijk door [partij B sub 2] zelf is gedaan. [partij B sub 2] heeft aan TNO een factuur van [bedrijfsnaam 2] van 4 juli 2014 verstrekt met een onduidelijk bedrag aan kosten (volgens TNO tussen de € 250 en € 350). De rechtbank schat de kosten van het werk bij gebrek aan verdere duidelijkheid op € 250. Ontbrekende CO-detectoren (B12) 2.87. Uit het TNO-rapport volgt dat Lek geen CO-detectoren heeft geleverd, terwijl dat wel was overeengekomen. Lek heeft niet bestreden dat de kosten voor het leveren en installeren van de CO-detectoren op het door TNO begrote bedrag van € 2.799 voor ieder van [gedaagden] kunnen worden vastgesteld. De door [gedaagden] aan Lek verschuldigde prijs wordt met dat bedrag verminderd. Conclusie warmte-installatie 2.88. Samenvattend worden de overeenkomsten geacht gedeeltelijk te zijn ontbonden voor wat betreft de niet aangesloten drycoolers (B1), de ontbrekende radiatoren (B6, [partij B sub1] ), het ontbrekende schilderwerk (B9), de buisrail (B11, [partij B sub 2] ) en de ontbrekende CO-detectoren (B12). Dit leidt per saldo bij [partij B sub 2] tot een prijsverlaging van € 7.499 en bij [partij B sub1] tot een prijsverlaging van € 7.749. Daarnaast heeft [partij B sub1] recht op € 750 aan schadevergoeding (B7, B8 en D10). De watertechnische installatie (onderdeel D) 2.89. Ten aanzien van de – d Bij [partij B sub 2] kon TNO niet meer nagaan of het gebrek is opgelost, omdat de loogbak niet meer in gebruik is. Uit het TNO-rapport volgt echter ook dat Lek op de werkpuntenlijst van [partij B sub 2] van 16 maart 2013 heeft vermeld dat dit opgelost zou worden. Gesteld noch gebleken is dat Lek dit heeft gedaan; andersom hebben [gedaagden] ook niet duidelijk gemaakt of dit tussentijds door een ander is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat [partij B sub 2] vanwege het gemiste werk de overeenkomst gedeeltelijk kon ontbinden. Het daarmee bemoeide bedrag wordt in lijn met de inschatting van DLVE op € 250 begroot. Voor zover [partij B sub 2] in verband met dit gebrek nog vergoeding van andere schade vordert, wordt die vordering afgewezen omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Aanpassen en vervangen van de as van de roermenger (D8) 2.98. Uit het TNO-rapport volgt dat de roeras van de sporenbakmixer te kort is. Ook volgt uit het rapport dat dit punt op de werkpuntenlijst van maart 13 stond. Dit is niet door Lek hersteld. [gedaagden] konden voor de gemiste prestatie gedeeltelijk ontbinden; de waarde van de gemiste prestatie wordt conform het TNO-rapport geschat op € 280. Kosten van de problemen met a en b bak (D9, [partij B sub1] ) 2.99. Uit het DLVGE rapport volgt dat bij [partij B sub1] het zandfilter niet automatisch terugspoelde en dat dit door derden is hersteld (verwezen wordt naar een factuur van [bedrijfsnaam 3] van 14 juli 2015). [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat en waarom dit kosten zijn die voor rekening van Lek dienen te komen. Ook TNO heeft bij gebrek aan beschikbaar ontvangen informatie niet kunnen vaststellen in hoeverre sprake is (geweest) van een gebrek. De door [partij B sub1] gevorderde kosten van € 688,01 zijn daarmee niet voor toewijzing vatbaar en worden afgewezen. Lekkage silo (D11) 2.100. [gedaagden] hebben gesteld dat aan de dagvoorraadsilo een leiding was bevestigd met bouten die het silozeil hebben beschadigd, waardoor een lekkage is ontstaan. Uit het rapport van DLVGE volgt dat in beide gevallen de lekkage verholpen zou zijn door [bedrijfsnaam 4] voor een bedrag van € 489. De rechtbank is het met Lek eens dat het opvallend is dat bij zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] zich exact dezelfde klacht heeft voorgedaan. 2.101. TNO heeft de klachten van [gedaagden] onderzocht. TNO heeft opgemerkt dat [partij B sub 2] ter onderbouwing van zijn klacht alleen heeft verwezen naar een factuur van [bedrijfsnaam 4] van 17 juni 2015. De factuur specificeert niet om welke silo het gaat en een (storings)melding aan Lek over het lekken van de dagvoorraadsilo is in de beschikbare informatie niet gevonden, aldus TNO. Ook bij [partij B sub1] heeft TNO geen (storings)melding over het lekken van de dagvoorraadsilo kunnen vinden. TNO heeft [gedaagden] gevraagd om een onderbouwing van het gebrek, maar uit de daarop ontvangen foto’s (beide kennelijk genomen maart 2021) valt volgens TNO niet af te leiden hoe de oude leiding verkeerd gemonteerd zou zijn of hoe die het zeil door beweging/trilling had kunnen beschadigen. Het valt voor TNO niet na te gaan of sprake is geweest van ondeugdelijke installatie. 2.102. Aldus hebben [gedaagden] niet deugdelijk kunnen onderbouwen dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek. Niet valt dan ook in te zien waarom Lek aansprakelijk is voor de afkeuring van de silo’s van [partij B sub1] in 2024, wegens corrosie aan de platen. 2.103. De vorderingen worden afgewezen. Conclusie watergeefinstallatie 2.104. Samenvattend kon [partij B sub 2] in verband met gebreken aan de watergeefinstallatie de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden tot een bedrag van € 1.130 en [partij B sub1] tot een bedrag van € 280. Elektrische installatie (onderdeel C) 2.105. Bij de verdere beoordeling van het geschil over de elektra-installatie en de belichtingsinstallatie stelt de rechtbank het volgende voorop. 2.106. De rechtbank heeft FW Techniek benoemd om als onafhankelijke deskundige een onderzoek De rechtbank zal, bij de beoordeling van de geschilpunten over de elektra en de belichting, dan ook in beginsel afgaan op de conclusies en bevindingen van FW Techniek en niet op het later ingebrachte partijdeskundigenrapport van BSRi. Monteren van padverlichting (C1, [partij B sub1] ) 2.111. [gedaagden] stellen dat het pad ter plaatse van de werkruimte bij [partij B sub1] op sommige plekken onvoldoende wordt verlicht. Er ontbreken armaturen. Lek heeft aangevoerd dat het betreffende armatuur na overleg tussen de monteur ter plaatse en [partij B sub1] op een andere plaats is gemonteerd. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming van Lek. Diverse wijzigingen om de installatie aan NEN1010-norm te laten voldoen (C2) 2.112. Niet in geschil is dat tussen partijen het volgende is overeengekomen: de door Lek op te leveren installatie voldoet aan de eisen van NEN1010, veiligheidsbepalingen voor laagspanning installaties; voor het onder spanning zetten en in bedrijfstellen van de elektrische installaties wordt deze volgens NEN1010 geïnspecteerd; bij oplevering wordt een tekeningenmap met een inspectierapport van alle bevindingen overhandigd. 2.113. Naar de rechtbank uit de stellingen van [gedaagden] begrijpt, heeft Lek wel zelf NEN1010-inspecties uitgevoerd in december 2012 (bij [partij B sub1] ) en in januari 2013 (bij [partij B sub 2] ). Het staat echter als niet (voldoende) weersproken vast dat Lek heeft geweigerd om die inspectierapporten vrij te geven. In het Tussenvonnis is geoordeeld dat Lek niet mocht opschorten. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat zij een NEN1010-keuringsrapport nodig hadden voor hun verzekering. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat het onder deze omstandigheden redelijk is dat [gedaagden] eind 2013 zelf een NEN1010-keuring hebben laten uitvoeren door DLVGE. De kosten daarvan (€ 2.117,50 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) komen voor rekening van Lek. 2.114. DLVGE heeft de elektrische installaties in november en december 2013 gekeurd. DLVGE heeft destijds geconcludeerd dat de installaties op diverse punten niet aan de toepasselijke NEN1010-normen voldoen. Uit de reactie van Lek van 4 september 2014 (productie VII.17 Lek), waarnaar Lek heeft verwezen, volgt dat Lek in elk geval niet bestrijdt dat een aantal punten uit de rapporten (o.a. nog niet uitgevoerd tekenwerk) inderdaad nog terechte overgebleven werkpunten betrof, namelijk punten 1 tot en met 5 ( [partij B sub1] ) en 1 tot en met 7 ( [partij B sub 2] ). Met het afronden van die punten was volgens Lek respectievelijk € 952,22 ( [partij B sub1] ) en € 1.266,42 ( [partij B sub 2] ) gemoeid. DLVGE begroot de kosten op een hoger bedrag, ten minste € 1.600 voor alleen al het tekenwerk, maar die kosteninschatting is niet nader onderbouwd. De rechtbank schat de met de openstaande punten gemoeide kosten naar billijkheid voor [partij B sub1] in op een bedrag van € 1.500 en voor [partij B sub 2] in op € 2.000. 2.115. FW Techniek heeft de eerdere inspectierapporten van DLVGE beoordeeld. Uit het commentaar van FW Techniek begrijpt de rechtbank dat FW Techniek van oordeel is dat bij [partij B sub1] de punten 11 (railkast), 12 (aardedraad), 13 (potentiaalvereffening), 14 (patroonkast), 16 (kabelgoot) en 20 (voeding osmose) terechte werkpunten zijn die nog moeten worden hersteld. De met die punten gemoeide herstelkosten zijn door FW Techniek ingeschat op opgeteld € 1.000. 2.116. Voor het overige (zowel bij [partij B sub1] als bij [partij B sub 2] ) heeft FW Techniek niet, althans niet met voldoende zekerheid, kunnen concluderen dat door DVLGE benoemde restpunten terecht waren, hetzij omdat dit volgens FW Techniek geen gebrek is, dan wel omdat dit inmiddels is hersteld. FW Techniek merkt naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat voor zover bepaalde punten niet door Lek maar door derden zijn hersteld, het aan [gedaagden] om dit aan de hand van facturen inzichtelijk te maken en te onderb De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] aldus onvoldoende hebben onderbouwd dat Lek op dit punt haar leveringsverplichtingen niet is nagekomen. [gedaagden] zijn geen levering met roosters overeengekomen. De vorderingen worden op dit punt afgewezen. Te weinig stopcontacten gemonteerd ( [partij B sub1] , C9 en C4a) 2.126. [partij B sub1] vordert kennelijk – zo leidt de rechtbank af uit het overzicht van Finqa – ook kosten voor het ontbreken van stopcontacten, maar die vordering maakte geen deel uit van de oorspronkelijke klachten die [gedaagden] in mei 2018 hebben opgesteld naar aanleiding van de nadere rapporten van DLVGE. [gedaagden] hebben de klacht ook verder niet inzichtelijk onderbouwd, zodat de vordering reeds bij gebrek aan deugdelijke grondslag wordt afgewezen. Monteren van kantoorkabelgoot (C12, [partij B sub 2] ) 2.127. [gedaagden] stellen stelt dat de kantoorkabelgoot bij [partij B sub 2] met diverse aansluitingen nooit door Lek is aangelegd. Lek heeft dit betwist en het rapport van FW Techniek biedt geen aanknopingspunten om te kunnen vaststellen of hier sprake is van een gebrek. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] de gestelde tekortkoming tegenover de betwisting van Lek onvoldoende hebben onderbouwd. De vordering wordt afgewezen. Conclusie elektrische installatie 2.128. Samenvattend kan [partij B sub1] in verband met gebreken en niet voltooide werken aan de elektrische installatie de overeenkomst ontbinden voor een bedrag van € 4.535,77 en [partij B sub 2] tot een bedrag van € 2.000. Daarnaast heeft ieder van hen recht op een bedrag van € 2.117,50 voor het keuringsrapport van DLVGE. Omdat [gedaagden] die laatste post vorderen als onderdeel van de kosten gemaakt tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid zal de rechtbank die daar meenemen. Computerinstallatie (onderdeel E) 2.129. [gedaagden] hebben gesteld dat er problemen zijn geweest met de gelijkloopregeling van de scherminstallaties. Er zijn verschillende storingen geweest en de beveiliging heeft een aantal keer gefaald waardoor er schade aan het doek is ontstaan. [gedaagden] hebben in verband hiermee verschillende schadebedragen van Lek gevorderd: eerst € 1.500 (in mei 2015), later (in mei 2018) € 5.058 ( [partij B sub 2] ) en € 1.856 ( [partij B sub1] ) en ten slotte (in oktober 2025) € 5.509 ( [partij B sub 2] ) en € 4.232 ( [partij B sub1] ). 2.130. [gedaagden] hebben tegenover de betwisting van Lek onvoldoende inzichtelijk gesteld en onderbouwd dat (en zo ja: in hoeverre) schade is ontstaan waarvoor Lek op grond van haar contractuele verplichtingen aansprakelijk is; het is op grond van de artikelen 149 en 150 Rv aan [gedaagden] om dit voldoende duidelijk te stellen. Nu [gedaagden] dat niet hebben gedaan, wordt hun vordering afgewezen. De belichtingsinstallatie (onderdeel F) 2.131. Ten aanzien van de belichtingsinstallatie overweegt de rechtbank als volgt. Defecte strengen (F1.a) 2.132. [gedaagden] stellen dat strengen niet of verkeerd waren aangesloten door Lek. Lek heeft dit betwist. Lek verwijst naar de werkpuntenlijst van [partij B sub1] van 21 maart 2013, waarin alleen over een probleem met streng 33 wordt gesproken; dat probleem is volgens Lek toen opgelost. 2.133. FW Techniek heeft niet kunnen constateren dat strengen binnen de garantieperiode niet hebben gefunctioneerd, zonder dat dit door Lek is opgelost. [gedaagden] hebben dit verder ook niet kunnen onderbouwen. Niet duidelijk is ook welke concrete schade (in de vorm van herstelkosten) [gedaagden] in verband hiermee vorderen. De hiermee samenhangende vorderingen worden afgewezen. 2.134. FW Techniek heeft in zijn rapport nog opgemerkt dat wel een juiste bevinding is dat bij [partij B sub1] oververhitting van strengen plaatsvindt, maar de rechtbank zal dat hierna bij gebrek F4 (aanpassing belichtingskasten) bespreken nu die oververhitting van strengen volgens FW Techniek samenhangt met de oververhitting in de panelen. Wel of geen dambordschakeling (F2) 2.135. Tussen partijen is in g Ook heeft FW Techniek in zijn rapport opgemerkt dat hij niet kan beoordelen waarom de schermdraden direct langs de kabels van de belichting zijn gelegd en dat het erop lijkt dat een deel van de scherminstallatie vóór en een deel van de scherminstallatie ná de montage van de bekabeling is aangelegd. Wat FW Techniek wel zonder voorbehoud en ondubbelzinnig concludeert, is dat het in deze situatie onvermijdelijk en voorzienbaar was (ook voor [gedaagden] ) dat er schade zou ontstaan, indien de scherminstallatie al in gebruik zou worden genomen terwijl nog niet alle belichtingskabels aan de tralies waren bevestigd. De installatie had door [gedaagden] niet in bedrijf mogen worden genomen vóór installatie van deze beugels, aldus FW Techniek. 2.143. De rechtbank stelt vast dat Lek gemotiveerd heeft betwist dat de door [gedaagden] geleden schade door een tekortkoming van Lek is ontstaan, en ook het rapport van FW Techniek biedt geen dragende aanknopingspunten dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek. [gedaagden] hebben hiertegenover ook niet deugdelijk onderbouwd dat (en zo ja, waarom) Lek in dit geval aansprakelijk is voor de ontstane schade aan de kabels en draden van de belichting- en scherminstallatie. Hun vordering wordt dan ook afgewezen. Aanpassing belichtingskasten (F4) 2.144. [gedaagden] hebben melding gemaakt van verbrandingsschade aan de rails van de panelen (onderdeelverdeelkasten). DLVGE heeft in haar rapport van 17 mei 2018 gesteld dat dit komt doordat de schakelpanelen te veel armaturen voeden. Hierdoor worden de panelen te heet en branden delen van de panelen uit. 2.145. FW Techniek heeft de panelen onderzocht. In het ontwerp is uitgegaan van maximaal negen armaturen op een groep. FW Techniek ziet geen aanknopingspunten dat er te veel armaturen op een groep zijn aangesloten, omdat hij tijdens een rondgang door de kas al het licht zag branden en tijdens de thermografische metingen geen abnormale verschillen zijn geconstateerd in de temperaturen en daarmee ook in de stroom per streng. Daarnaast is het volgens FW Techniek technisch niet goed mogelijk om te veel lampen op een streng aan te sluiten, zonder dat beveiligingen worden aangesproken en daardoor voortdurend storingen zullen optreden. Dat is niet het geval. Volgens FW Techniek kan op basis hiervan met een voldoende mate van zekerheid worden geconcludeerd dat niet te veel lampen op een groep zijn aangesloten, ook al heeft FW Techniek niet alle strengen in de kas stuk voor stuk onderzocht. De rechtbank acht deze conclusie van FW Techniek voldoende onderbouwd en neemt deze over. 2.146. FW Techniek heeft ook onderzoek gedaan naar andere mogelijke oorzaken van de verbrandingsschade in de panelen. Uit het rapport van FW Techniek volgt dat hierbij verschillen zijn geconstateerd in de beide kassen, in die zin dat bij de panelen van [partij B sub 2] geen gebrek is vastgesteld en bij de panelen van [partij B sub1] wel. In zijn definitieve onderzoeksrapport heeft FW Techniek hierover het een en ander opgeschreven. 2.146.1. Ten aanzien van de onderzochte installatie bij [partij B sub 2] concludeert FW Techniek, voor zover hier van belang: “ b. Voldoet de werking ... ? Na het verhelpen van de fout aangesloten strengen, iets dat normaal tijdens de in bedrijfstelling wordt uitgevoerd, werkt de installatie naar behoren. De verkleuringen op de verbindingsblokken tussen de beveiliging en magneetschakelaar zijn gebruikelijk en verkorten de levensduur van de magneetschakelaars. Dat is de reden dat deze, standaard toegepaste verbindingen later door de fabrikant (ABB) zijn afgeraden en zijn vervangen door losse bedrading. (zoals uitgevoerd bij [partij B sub1] ). Op de thermografische opnamen tijdens de opleverinspectie door DLV zijn deze temperaturen al aanwezig, maar volgens de NPR 8040-1, Inspectiemethoden voor elektrische installaties - Deel 1: Thermografie - Beoordelen van de gemeten temperatuur , is de toegestane temperatuur van 105°C (90°C) niet overschreden. (zie tabe Deze blokken zijn later op advies van ABB (de fabrikant) niet meer toegepast vanwege de hoge temperaturen hierin. Dit zou de reden kunnen zijn dat bij [partij B sub 2] deze blokken zijn toegepast en bij [partij B sub1] deze zijn vervangen door bedrading. Vraag 2c: Als de installatie niet overeenkomstig de overeenkomst is geleverd, wat zijn dan de kosten? Eigenlijk is de installatie conform de overeenkomst uitgevoerd. De oorzaak van problemen met het railsysteem is niet geheel duidelijk. Het ligt niet aan het ontwerp en is geen algemeen probleem, terwijl de panelen tot op heden op deze manier worden gebouwd. Wel is het raadzaam om de bedrijfszekerheid te vergroten de panelen, die nog niet zijn aangepast, te voorzien van nieuw railsysteem. in de panelen waar het railsysteem nog niet is vervangen: • Vervangen railsysteem en adapters • Overzetten van de aanwezige beveiligingen en magneetschakelaars • Opnieuw aansluiten van de strengen De raming van de kosten, uitgevoerd door een paneelbouwer ter plaatse, maximaal € 1.000- per paneel.” 2.146.4. Naar aanleiding van het partijcommentaar van Lek heeft FW Techniek onder meer opgemerkt: “Het blijkt, ook in de rapportage van DLV dat er wel verschillen waren in de afwijkingen die geconstateerd zijn op de beide bedrijven. De resolutie van de camera is echter zodanig dat weinig details zichtbaar zijn, maar wel is zichtbaar dat de warmte bij [partij B sub 2] op de verbindingsblokken zichtbaar is en bij [partij B sub1] op de adapters. Dat beeld is tijdens onze meting ook naar voren gekomen. Dat betekent dat de benadering van de problemen bij de verschillende problemen anders is. Bij [partij B sub1] zijn daadwerkelijk de adapters en rails verbrand, waarbij, zoals ik in mijn rapportage uitleg, de oorzaak niet direct is vast te stellen. Wel is het een terugkerend probleem, dit in tegenstelling van de temperatuur bij [partij B sub 2], die is hoger dan je zou willen, dit is de reden geweest voor ABB om te adviseren op een andere wijze de verbinding tot stand te gaan brengen (losse draden), maar het was te voorzien dat de problemen niet tot een directe schade zou leiden, daarom zijn de met blokken uitgevoerde verbindingen niet teruggeroepen. De problemen bij [partij B sub1] zijn van andere aard en zullen zeker leiden tot problemen als er temperatuurverhogingen op de adapters en railsystemen zichtbaar zijn. Vandaar mijn advies dit op te lossen. Het is niet duidelijk of dit probleem er vanaf dag 1 is geweest, waarschijnlijk wel, omdat de temperatuurbeveiliging van de panelen tot op de dag van vandaag (tuin 8 jaar na dato) nog steeds panelen uitschakelen op te hoge temperatuur. Wij hebben bij minstens 1 paneel gezien dat de temperatuurbeveiliging is overbrugd in plaats van dat het probleem is opgelost. (…) Mijn conclusie is volgens mij heel duidelijk, ik geef aan dat dit geen ontwerpfout van Lek is, dat blijkt uit de panelen bij [partij B sub 2], die deze problemen niet hebben. Ook geef ik aan dat men niet kan vaststellen of het een verkeerde montage was, wat onwaarschijnlijk is, want bij [partij B sub 2] zijn deze problemen er niet en het zit ook niet in alle panelen bij [partij B sub1]. In mijn opinie is dit te wijten aan een of meer van de volgende oorzaken: slechte verbinding van de adapter op de rail, een constructiefout in de adapter, verkeerde montage van de adapter. Als het eenmaal is verbrand is dat moeilijk te achterhalen, als we nu naar de verstreken tijd gaan kijken denk ik dat we niet meer bij de fabrikant aan kunnen kloppen. Ik heb bij een paneelbouwer gevraagd of hij een prijs kon geven voor herstel ter plaatse. Zijn opgave was rond de € 700 - €800.” 2.146.5. En ten slotte heeft FW Techniek, naar aanleiding van het partijcommentaar van [gedaagden] , nog het volgende opgemerkt in zijn definitieve rapport: “ Omvang van de opname (Linssen punt 3) Om een conclusie te kunnen trekken ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van 15 stuks identiek belichtingspanelen hoef ik niet alle 15 De vordering van [partij B sub 2] wordt afgewezen. 2.150. Ook ten aanzien van de panelen bij [partij B sub1] Lek concludeert FW Techniek duidelijk dat die panelen op zichzelf op deugdelijke wijze zijn gebouwd en ontworpen. Voor zover BSRi anders oordeelt, legt dat – gezien de conclusies van FW Techniek – onvoldoende gewicht in de schaal. Wel zijn de deskundigen het erover eens dat bij [partij B sub1] sprake is van een bepaald gebrek in de panelen, omdat te hoge temperaturen ontstaan in de adapters, waardoor zowel de adapters en de stroomrails verbranden en panelen uitschakelen. Dat is op zichzelf niet een gevolg dat [partij B sub1] redelijkerwijs hoeft te verwachten. 2.151. De vraag is echter of Lek voor dit gebrek aansprakelijk is. [gedaagden] stellen dat dit zo is, omdat de verbrandingsschade is terug te voeren op een montagefout van Lek, te weten het structurele ontbreken van de door de fabrikant voorgeschreven fixeerplaten bij alle door Lek gemonteerde adapters bij [partij B sub1] . [gedaagden] wijst hiertoe op de hiervoor weergegeven conclusie van hun deskundige BSRi. Deze conclusie valt echter niet terug te lezen in het rapport van FW Techniek. FW Techniek constateert wel dat sprake is van terugkerende oververhitting in de adapters, maar kan de oorzaak daarvan niet direct vaststellen. Hoewel FW Techniek een montagefout van Lek niet uitsluit, acht FW Techniek dit onwaarschijnlijk, ook omdat de problemen zich bij [partij B sub 2] niet voordoen. Ook heeft FW Techniek navraag gedaan bij verschillende panelenbouwers en installateurs, die een dergelijk probleem als hier aan de orde nog niet eerder zijn tegengekomen, terwijl de panelen volgens FW Techniek tot op heden op deze manier worden gebouwd. FW Techniek heeft aldus voldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van het probleem en is een ervaren deskundige op het gebied van elektra en kasbelichting. Indien inderdaad het structurele ontbreken van verplichte supportframes de oorzaak van de verbrandingsschade is, had het – naar de rechtbank voorkomt – voor de hand gelegen dat dit ook al bij het onderzoek van FW Techniek als waarschijnlijke oorzaak naar boven was gekomen. Dat FW Techniek ondanks dit onderzoek niets opmerkt over het ontbreken van supportframes, maakt dat niet voldoende duidelijk is dat dit de oorzaak van de verbrandingsschade is (en aldus sprake is van een montagefout van Lek). Niet uitgesloten is dat sprake is van constructie- of productiefouten in de adapters. 2.152. Bij die stand van zaken is de rechtbank, al het voorgaande overwegende, van oordeel dat [gedaagden] niet erin is geslaagd te bewijzen dat de schade in de panelen van [partij B sub1] het gevolg is van een montagefout of een ontwerpfout van Lek. Ook op andere gronden is de aansprakelijkheid van Lek niet komen vast te staan. Weliswaar heeft Lek jegens [partij B sub1] een garantie gegeven op de goede werking van de installaties en deugdelijkheid van materialen en onderdelen, maar die garantie geldt op grond van de overeenkomst en artikel 24 AV tot één jaar na inbedrijfstelling. Op grond van deze garantie is Lek ook aansprakelijk voor gebreken in de panelen die binnen één jaar na inbedrijfstelling zijn ontstaan en bij Lek zijn gemeld, ook als die gebreken niet het gevolg zijn (montage)fouten van Lek. Het is niet gesteld of gebleken dat die situatie hier aan de orde is. In het rapport van FW Techniek wordt verwezen naar geconstateerde problemen in mei 2014, maar als onvoldoende weersproken staat vast dat de installatie op dat moment al minstens een jaar in bedrijf was en de garantieperiode dus al was verstreken. Ook anderszins hebben [gedaagden] niet onderbouwd dat de onderhavige problemen met de panelen binnen de garantietermijn van één jaar aan het licht zijn gekomen en bij Lek zijn gemeld. Lek is dus ook niet op grond van de garantie aansprakelijk voor het gebrek. Ook de vordering van [partij B sub1] wordt daarmee afgewezen. Ontbreken van spanningsverliesberekening (F5) 2.153. [gedaagden] stellen dat Lek had zich (tegen betaling van € 12.500) ertoe verbonden om documentatie aan te leveren ten behoeve van het verkrijgen die subsidie. 2.159. Vast staat dat de subsidieaanvraag eind 2012 nog niet was afgerond. Vast staat ook dat (de adviseur) van [gedaagden] op 10 december 2012 aan Lek betalingsuitstel heeft gevraagd, totdat de MEI-subsidie was ontvangen. Lek heeft niet betwist dat zij hieraan medewerking heeft verleend en heeft geholpen de noodzakelijke informatie aan de subsidieverstrekker te verstrekken. Lek heeft in diezelfde periode geen aanspraak gemaakt op betaling van rente. De rechtbank is van oordeel dat Lek aldus geen rente kan vorderen vanaf de vervaldatum van de facturen omdat Lek zelf heeft ingestemd met een uitstel van betaling tot na de noodzakelijke afronding van de subsidieaanvraag. Partijen hebben daarmee immers een nadere invulling gegeven van de afspraken omtrent betaling en verzuim. De subsidie is in het voorjaar van 2013 verleend. Er zijn daarna nog betalingen gedaan door [gedaagden] , maar [gedaagden] hebben op 22 maart 2013 ook bevoegdelijk het restant van hun betalingsverplichtingen opgeschort wegens niet-nakoming door Lek. Als gevolg van die gerechtvaardigde opschorting zijn [gedaagden] vanaf die datum evenmin contractuele rente verschuldigd. Conclusie vorderingen Lek versus [partij B sub 2] (in conventie en reconventie) 2.160. De vorderingen van Lek per datum van gedeeltelijke ontbinding (25 januari 2017) zijn dus beperkt tot de hiervoor genoemde bedragen aan hoofdsom. Voor [partij B sub 2] betekent dit het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding heeft Lek niets meer van [partij B sub 2] te vorderen. De vordering in conventie ten opzichte van [partij B sub 2] wordt dus afgewezen. [partij B sub 2] heeft wegens ongedaanmaking per 25 januari 2017 een bedrag van (€ 148.080 – € 87.180,65 =) € 60.899,35 van Lek terug te vorderen (artikel 6:271 BW). Op grond van artikel 6:119 BW heeft [partij B sub 2] ook aanspraak op betaling van wettelijke rente wegens de vertraging in de voldoening van de ongedaanmakingsverbintenis. De door [partij B sub 2] gevorderde wettelijke rente vanaf 25 januari 2017 is niet weersproken en wordt toegewezen. Conclusie vorderingen Lek versus [partij B sub1] (in conventie en reconventie) 2.161. Voor [partij B sub1] geldt het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding (25 januari 2017) heeft Lek van [partij B sub1] nog een bedrag van (€ 186.946,70 – € 144.575,77 =) € 42.370,94 te vorderen. [partij B sub1] is met de betaling van dat bedrag vanaf 25 januari 2017 in verzuim en is op grond van artikel 27, vierde lid AV vanaf dat moment contractuele rente van 1,25% per maand verschuldigd. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van [gedaagden] dat Lek jegens [partij B sub1] geen aanspraak meer kan maken op rente omdat Lek met de op 29 november 2013 gemaakte minnelijke afspraken onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van al haar renteaanspraken. De rechtbank leest dit niet terug in het verslag van die bespreking. 2.162. [gedaagden] hebben een beroep gedaan op (substantiële) matiging van de contractuele rente op grond van artikel 6:94 BW, tot ofwel nihil, ofwel de helft van de toegewezen bedragen in conventie, ofwel het normale wettelijke rente tarief. Dit beroep slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 2.163. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 2.164. Het gaat hier om een rentebeding Gelet op de technische en complexe aard van de materie is het op zichzelf redelijk dat [gedaagden] eigen deskundigen hebben ingeschakeld om inhoudelijk commentaar op het conceptrapport van TNO te leveren. Uit het TNO-rapport komt naar voren dat een deel van het partijdeskundigencommentaar terecht is gebleken. Welk deel van welke deskundige tot welke aanpassing heeft geleid, laat zich bezwaarlijk tot in detail vaststellen. Door [gedaagden] is onvoldoende onderbouwd waarom het naast alle andere deskundigen ook noodzakelijk was om [partijdeskundige] commentaar te laten leveren. Diens kosten komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank acht, alles afwegende, een vergoeding van 50% van de kosten voor de deskundigenkosten van Hortivision, Sauvage, [bedrijfsnaam 5] en de WUR redelijk. Uit het overzicht van Finqa maakt de rechtbank op dat de totale in 2024 gemaakte kosten van Hortivion, [bedrijfsnaam 5], Sauvage en de WUR opgeteld € 18.320 zijn en dat die kosten door [partij B sub1] en [partij B sub 2] ieder voor de helft zijn gedragen. Van die kosten is de helft toewijsbaar, dus € 9.160. Het totaal toewijsbare deel voor het partijcommentaar komt daarmee voor zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] uit op (50% x € 9.160 =) € 4.580. 2.170. Resumerend acht de rechtbank voor [partij B sub1] een bedrag van € 14.022,50 (€ 2.117,50 + € 6.390 + € 935 + € 4.580) toewijsbaar als redelijke kosten in de zin van artikel 6:96, tweede lid sub b BW en voor [partij B sub 2] een bedrag van € 10.022,50 (€ 2.117,50 + € 2.390 + € 935 + € 4.580). De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van eiswijziging in reconventie (15 oktober 2025). Voor het overige worden de kosten afgewezen. Vorderingen van [gedaagden] ter zake gemiste energiebesparing en teeltschade 2.171. [gedaagden] hebben in deze procedure ook vergoeding gevorderd van aanvullende schade. Het betreft kosten van gemiste energiebesparing en teeltschade. De schade komt kernachtig weergegeven op het volgende neer: een hoger elektraverbruik van de ventilatoren, een ongelijkmatige temperatuurs- en luchtverdeling en daardoor teeltschade (lagere bloemproductie, uitval van planten door hogere ziektedruk) en het niet realiseren van de beoogde energiebesparing (zelfs een hogere warmtevraag). 2.172. Het begroten van deze schade vraagt een vergelijking tussen de situatie waarin [gedaagden] over de periode van het gebruik van de (deels gebrekkige) installaties daadwerkelijk verkeerden en de hypothetische situatie waarin zij hadden verkeerd, indien Lek haar verplichtingen volledig en deugdelijk zou zijn nagekomen. De rechtbank heeft eerder in de procedure met partijen afgesproken dat het geschil over dit onderdeel wordt geparkeerd en dat eerst een deskundigenonderzoek zou worden uitgevoerd naar de vraag in hoeverre (de prestaties van) de door Lek geleverde installaties volledig, deugdelijk en conform de overeenkomsten zijn. Die vraag is inmiddels in dit vonnis beantwoord. 2.173. De door [gedaagden] geclaimde aanvullende schade (in de vorm van meerkosten energie en teeltschade) laat zich uitermate lastig begroten, en vergt veel aanvullende gegevens. Dat volgt reeds uit het rapport van de eigen deskundige van [gedaagden] (Exitus): “De benodigde informatie om een goede onderbouwing te geven van de meerkosten energieverbruik is zeer complex en afhankelijk van zeer uiteenlopende factoren waarbij er weer onderlinge verbanden en relaties zijn.” Dat volgt ook uit de antwoorden in het rapport van TNO, naar aanleiding van de volgende vragen van de rechtbank: Kunt u al een voldoende gefundeerde uitspraak doen over deze extra energiekosten of is daarvoor naar uw oordeel een aanvullend onderzoek nodig? Als dat laatste het geval is, kunt u toelichten waaruit dat onderzoek volgens u moet bestaan, welke gegevens daarvoor nodig zijn en wat de waarschijnlijke kosten zijn van dat onderzoek? Daarop antwoordde TNO: ten aanzien van het berekenen van de meerkosten van het elektraverbruik van de ventilatoren 2.177. Lek heeft in haar akte eiswijziging toegelicht dat “nu een schadestaatprocedure voor deze contractuele vordering” is afgesneden, Lek ervoor kiest slechts een deelbetaling van € 10.000 te vorderen bovenop wat de rechtbank aan de wettelijke proceskostenveroordeling zal toewijzen. Daaruit begrijpt de rechtbank dat vordering IV (een vergoeding van 15% voor buitengerechtelijke incassokosten) niet langer aan de orde is en dat uitsluitend vorderingen III en V nog voorliggen. 2.178. Ten aanzien van de gevorderde deelbetaling van € 10.000 overweegt de rechtbank als volgt. Lek beroept zich als grondslag voor deze vordering op artikel 27, vijfde lid AV. Hierin is bepaald dat Lek gerechtigd is om, naast de hoofdsom en rente, van de opdrachtgever ook alle kosten, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, door de niet betaling veroorzaakt te vorderen, waaronder begrepen advocaatkosten, deurwaarderskosten en incassokosten. Bij gebrek aan nadere toelichting gaat de rechtbank ervan uit dat het bedrag van € 10.000 ziet op zowel kosten die zijn gemaakt ten opzichte van [partij B sub 2] als ten opzichte van [partij B sub1] . Bij gebrek aan een nadere toelichting gaat de rechtbank uit van een gelijke verdeling, dat wil zeggen dat € 5.000 ziet op de vordering tegen [partij B sub1] en € 5.000 ziet op de vordering tegen [partij B sub 2] . De vordering tegen [partij B sub 2] is echter afgewezen zodat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. 2.179. Daarmee ligt uitsluitend nog ter beoordeling voor of [partij B sub1] op grond van artikel 27, vijfde lid AV een bedrag van € 5.000 aan Lek moet betalen in verband met jegens hem gemaakte kosten. Lek heeft onweersproken gesteld dat onder de in artikel 27, vijfde lid AV bedoelde kosten ook de kosten vallen van het inschakelen van Lengkeek, welke kosten Lek heeft gemaakt om zich te verweren tegen de tegenvordering van [partij B sub1] . Lek heeft met facturen onderbouwd dat die kosten ten minste € 16.000 exclusief btw bedragen. Nu het verweer van Lek in elk geval voor belangrijke delen is geslaagd, is voldoende aannemelijk dat een redelijk deel van de kosten van Lengkeek (rond de 25%) ten opzichte van [partij B sub1] voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat Lek, ook andere gestelde interne en externe buitengerechtelijke incassokosten in aanmerking genomen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door de niet-betaling van [partij B sub1] veroorzaakte kosten – los van de proceskosten – in elk geval € 5.000 bedragen. De rechtbank ziet geen grond of aanleiding voor verder ambtshalve matiging van dit bedrag op grond van artikel 242 Rv. 2.180. Lek heeft over dit bedrag vergoeding van contractuele rente als bedoeld in artikel 27, vierde lid AV gevorderd, maar Lek heeft niet deugdelijk toegelicht waarom de in het vierde lid genoemde rente ook van toepassing is op de in het vijfde lid genoemde kosten, aangezien de contractuele rente volgens het vierde lid wordt gerekend als ‘de betaling van het verschuldigde niet binnen de gestelde termijn is ontvangen’, en ‘vanaf de dag van verzending der fakturen’. Dit alles duidt op betaling van de hoofdsom en niet op de betaling van de (buiten)gerechtelijke kosten. Evenmin is de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) van toepassing. Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst (de betaling van de facturen) en ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven (zoals betaling van (juridische) kosten). De meer subsidiair gevorderde wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) is wel toewijsbaar. Buitengerechtelijke kosten (reconventie [gedaagden] ) 2.181. [gedaagden] hebben in reconventie eveneens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Ten aanzien van [partij B sub1] wordt die vordering afgewezen, bij gebrek aan een gebleken hoofdvordering. [partij B sub 2] heeft wel aanspraak op ver De hiermee gemoeide kosten worden als volgt begroot: 3 punten voor de conclusie van 15 oktober 2025, de antwoordakte van 14 januari 2026 en de mondelinge behandeling van 6 februari 2026 x liquidatietarief V, waarbij voor de eerstgenoemde conclusie en de mondelinge behandeling een factor 0,5 wordt toegepast omdat daarin ook op andere onderdelen van het geschil is ingegaan. De aan [gedaagden] te vergoeden proceskosten komen daarmee uit op € 4.102 (2 x € 2.051). 3 De beslissing De rechtbank In conventie 3.1. wijst de vorderingen van Lek tegen [partij B sub 2] af; 3.2. veroordeelt Lek in de proceskosten van [partij B sub 2] , tot op heden begroot op € 11.992, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; als Lek niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Lek c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; 3.3. veroordeelt [partij B sub1] tot betaling aan Lek van een bedrag van € 42.370,94, vermeerderd met de contractuele rente van 1,25% per maand, te rekenen vanaf 25 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening; 3.4. veroordeelt [partij B sub1] tot betaling aan Lek van een bedrag van € 5.000 op de door Lek gemaakte kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde lid AV, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW), te rekenen vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van volledige voldoening; 3.5. veroordeelt [partij B sub1] in de proceskosten van Lek, tot op heden begroot op € 4.817,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; als [partij B sub1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B sub1] c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf vedertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald; 3.6. verklaart de veroordelingen onder 3.2 tot en met 3.5 uitvoerbaar bij voorraad; 3.7. wijst het meer of anders gevorderde af; In reconventie 3.8. verklaart voor recht dat de overeenkomst die Lek en [partij B sub 2] op of omstreeks 30 mei 2012 hebben gesloten voor de complete installaties ten behoeve van de kas, gedeeltelijk is ontbonden per 25 januari 2017, en wel voor zover Lek de werkzaamheden niet heeft afgerond en/of deze gebrekkig zijn en/of de prestaties van Lek achterbleven bij hetgeen partijen zijn overeengekomen; 3.9. veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 60.899,35 wegens ongedaanmakingsverbintenissen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW), te rekenen vanaf 25 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening; 3.10. veroordeelt Lek tot vergoeding aan [partij B sub 2] van de door [partij B sub 2] geleden en nog te lijden schade (in de vorm van extra elektrakosten, gemiste energiebesparing en teeltschade), nader op te maken bij staat; 3.11. veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 10.022,50 voor deskundigenkosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW), te rekenen vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening; 3.12. veroordeelt Lek tot betaling aan [partij B sub 2] van een bedrag van € 1.383,99 voor kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW), te rekenen vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van volledige voldoening; 3.13. veroordeelt Lek tot betaling a