Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:15388
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63336 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.J. Rohlof), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Overwegingen 1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond? 3. Eiser heeft op 28 april 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5 1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. 3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 4 Artikel 30 van de Vw. 5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw. 4. Onder bepaalde omstandigheden mag de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 ook toepassen in de situatie dat de minister in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat.6 Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac naar de vingerafdrukken van de vreemdeling. 5. In het geval van eiser heeft in de claimfase onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft, voordat hij besloot geen claimverzoek in te dienen, niet alleen onderzoek in Eurodac verricht, maar overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening een verzoek om informatie gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister ook in die situatie artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 mag toepassen. 6. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de beslistermijn te lopen. 7. Uit het aanmeldgehoor is gebleken dat Italië mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming. De rechtbank stelt echter vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.7 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat. 8. Deze uitspraak brengt met zich mee dat vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In dit geval was de asielaanvraag na de uitspraak van de ABRvS. Dat betekent dat gerekend wordt vanaf de datum van de aanvraag (28 april 2025). De minister had dus uit