Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:15368
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/334836-21 en 09/310260-23 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 13 mei 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het (pro forma) onderzoek in de zaak met parketnummer 09/334836-21 is gehouden op de terechtzittingen van 18 maart 2022, 15 juni 2022, 25 augustus 2022, 22 november 2022, 14 november 2023, 9 oktober 2024, en op 15 april 2026 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden in zowel de zaak met parketnummer 09/334836-21 als de zaak met parketnummer 09/310260-23. Op 13 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Arkesteijn naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Tegen de verdachte zijn twee dagvaardingen uitgebracht, te weten onder parketnummer 09/334836-21 (hierna: dagvaarding I) en onder parketnummer 09/310260-23 (hierna: dagvaarding II), waarin is vermeld wat hem ten laste is gelegd. De tenlastelegging bij dagvaarding I is op de terechtzitting van 9 oktober 2024 gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking in dagvaarding I komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte onderstaande feiten heeft begaan: 1. het medeplegen van drugshandel in de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 juni 2021, terwijl nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder opgelegde gevangenisstraf voor een soortgelijk feit; 2. het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet in de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 juni 2021, terwijl nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder opgelegde gevangenisstraf voor een soortgelijk feit; 3. het medeplegen van het voorbereiden van brandstichting of ontploffing in de periode van 13 april 2021 tot en met 28 juni 2021; 4. het voorhanden hebben van een vuurwapen op 14 december 2021. De verdenking in dagvaarding II komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte onderstaande feiten heeft begaan: 1. het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 1 juni 2021, subsidiair het – in de periode van 13 april 2021 tot en met 1 juni 2021 – medeplichtig zijn aan het teweegbrengen van een ontploffing op 1 juni 2021; 2. het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 28 juni 2021, subsidiair het – in de periode van 13 april 2021 tot en met 1 juni 2021 – medeplichtig zijn aan het teweegbrengen van een ontploffing op 28 juni 2021. 3 De geldigheid van de dagvaarding 3.1. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich – op gronden zoals verwoord in haar pleitnota – op het standpunt gesteld dat dagvaarding I ten aanzien van feit 1 en feit 2 partieel nietig is, omdat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat ook dagvaarding II partieel nietig is. 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlasteleggingen voldoende duidelijk zijn. 3.3. Het oordeel van de rechtbank Een dagvaarding moet een opgave inhouden van het tenlastegelegde feit en die opgave moet voldoende feitelijk en voldoende duidelijk zijn, zodat de verdachte weet wat hem verweten wordt (artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering). Of daaraan is voldaan, hangt niet alleen af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld maar ook het dossier waarop zij is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de tenlastelegging, zowel in dagvaarding I als in dagvaarding II, bezien in het licht van de inhoud van het dossier, een voldoende duidelijke en vo Dit dient te leiden tot een verbod op het gebruik van bewijsmateriaal. Het openbaar ministerie bestrijdt dat sprake is geweest van schending van fundamentele rechten. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de AnoM-operatie heeft plaatsgevonden op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de FBI, zijnde een federale instelling voor wetshandhaving in de Verenigde Staten, en daarmee dus onder verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de data onder verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten is verkregen. Daarnaast was Litouwen betrokken. De in onderhavig dossier betrokken data is verstrekt door de Amerikaanse autoriteiten. Het door de Hoge Raad neergelegde toetsingskader geeft aan dat het niet tot de taak van Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim. Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is volgens de Hoge Raad het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces. Hoewel de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM ziet de rechtbank redenen het door de Hoge Raad aangereikte toetsingskader toe te passen, immers zijn de Verenigde Staten wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die hier relevant zijn, in het bijzonder ook het recht op privacy en de toegang tot een onafhankelijke rechter. Het bewijsuitsluitingsverweer v De rechtbank overweegt ten aanzien van de pleegperiode dat uit de AnoM-chats volgt dat de verdachte vanaf 13 februari 2021 zich bezighield met de handel in drugs zoals MDMA en amfetamine, zijnde verdovingsmiddelen genoemd in Lijst I van de Opiumwet. Gelet hierop acht de rechtbank een pleegperiode vanaf 13 februari 2021 ten aanzien van de onder 2 van dagvaarding I ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigd bewezen. Uit de chats volgt verder dat de verdachte in ieder geval vanaf 23 februari 2021 zich ook bezighield met cocaïnehandel. De rechtbank acht daarom voor wat betreft de onder 1 van dagvaarding I ten laste gelegde handel in cocaïne een pleegperiode vanaf 23 februari 2021 wettig en overtuigend bewezen. De laatste chatberichten van de verdachte die op activiteiten rondom drugshandel betrekking hebben, dateren van 13 april 2021, te weten de datum van de hiervoor genoemde diefstal van de partij met 40 blokken. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de pleegperiode tot en met 13 april 2021 voor zowel feit 1 als feit 2 van dagvaarding I wettig en overtuigend bewezen. Voor een langere pleegperiode is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs. Medeplegen Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank daarnaast af dat de verdachte in de hiervoor genoemde periode veelvuldig contact heeft gehad met anderen over drugs(handel), en dat hij betrokken was bij de (uitvoering van) concrete plannen over de uitvoer en in- en verkoop van drugs. Zo wordt in de chatberichten gesproken over de verkoop van drugs, prijzen, kilo’s, een stashplek, welke voorraden er nog zijn en over de kwaliteit. Daarnaast leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte als een tussenpersoon heeft gehandeld om drugs te verkopen, te testen, op te halen of te vervoeren. Uit de chatberichten en de daarin uitgewisselde foto’s van onder andere blokken wit poeder blijkt immers ondubbelzinnig dat de verdachte veelvuldig instructies ontving voor onder andere het regelen van drugstransporten en dat hij vervolgens andere personen aanstuurde voor die transporten en inlichtingen daarover verstrekte. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de handel in drugs. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Recidive als verzwaringsgrond Van recidive als bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer het delict is gepleegd binnen vijf jaar nadat de veroordeling wegens het eerdere soortgelijke misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij op 20 mei 2016 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet – een soortgelijk feit – en dat die veroordeling op 4 juni 2016 onherroepelijk is geworden. De rechtbank constateert dat de onderhavige bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd binnen vijf jaar sinds deze eerdere veroordeling. De rechtbank verklaart de in de tenlastelegging opgenomen recidive als verzwaringsgrond wettig en overtuigend bewezen. Conclusie ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2 De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger in cocaïne heeft gehandeld en voorbereidingshandelingen voor de verkoop van cocaïne en andere soorten drugs vermeld op Lijst I van de Opiumwet heeft verricht, en dat ten aanzien van beide feiten sprake was van recidive zoals bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht. Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 en dagvaarding II, feiten 1 en 2 De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het teweegbrengen van een explosie (dagvaarding I, feit 3). Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte als medepleger of als medeplicht Conclusie ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 en dagvaarding II, feiten 1 en 2 De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte als medepleger voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het teweegbrengen van een ontploffing. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het teweegbrengen van twee ontploffingen. 3.6. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I, feiten 1, 2 en 3 en onder dagvaarding II, feiten 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Dagvaarding met parketnummer 09/334836-21: 1. hij in de periode van 23 februari 2021 tot en met 13 april 2021 te Dordrecht, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan; 2. hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2021 tot en met 13 april 2021 te Dordrecht, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van hoeveelheden van (een) middel(en) vermeld op lijst I, opzettelijk middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, te weten door - een testpersoon te regelen en/of zelf de drugs te testen, - een of meerdere transporten en/of locaties te regelen, - een of meerdere vouchers en/of overdrachtsbewijzen te verschaffen en/of te regelen, - als tussenpersoon te fungeren voor de overdacht en/of leveringen van drugs en/of cocaïne en/of - een of meerdere gesprekken heeft gevoerd en inlichtingen uitgewisseld over de levering, prijs, hoeveelheid, beschikbaarheid en/of samenstelling van cocaïne, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan; 3. hij in of omstreeks de periode van 13 april 2021 tot en met 28 juni 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing waarbij gemene gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meerdere anderen te duchten is, te weten artikel 157 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk, voorwerpen en stoffen, te weten: - een of meerdere explosieven, en/of - flitspoeder, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad; Dagvaarding met parketnummer 09/310260-23 1 een of meer onbekend gebleven personen op [datum 1] 2021 te [adres 2] , tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/ hebben gebracht door een metalen platte bak met 100 gram flitspoeder, zijnde een geïmproviseerde explosieve constructie, te ontsteken, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de deur en ramen en de woning aan de Stoelmatter en in de woning aanwezige goederen en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en aanwezigen in de voornoemde woning, waaronder [naam 2] en haar kinderen ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ) te duchten was, bij het plegen van welk misdr Het gebruik van explosieven in een criminele context wordt door de rechtbank als bijzonder zorgwekkend beschouwd. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij kennelijk enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gewin en zich niets heeft aangetrokken van de mogelijke gevolgen voor anderen. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 juli 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook was nog geen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerdere veroordeling verstreken. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht in strafverzwarende zin mee. Ook eerder, langer dan vijf jaar geleden, heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten, ook met geweld. De op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden maar weegt dit niet mee bij de op te leggen straf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7 De voorlopige hechtenis De verdachte is bij beslissing van deze rechtbank van 8 december 2022 geschorst uit de voorlopige hechtenis opdat een – in een andere strafzaak – opgelegde straf geëxecuteerd kon worden. Bij beslissing van 14 september 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet voortduren tot aan de einduitspraak in de onderhavige strafzaak. 7.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na de einduitspraak niet moet voortduren. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. Subsidiair heeft zij verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van de einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag eindigt. Bij vonnis van heden is de verdachte schuldig bevonden aan ernstige strafbare feiten en veroordeeld tot een gevangenisstraf die van langere duur dan hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Als een veroordeling is uitgesproken en een straf is bepaald, mag de samenleving in het kader van een goede rechtspleging verwachten dat die gemotiveerde straf direct ten uitvoer wordt gelegd. De rechter heeft zich immers uitgesproken en bepaald dat het gedrag van de verdachte een straf wenselijk en noodzakelijk maakt. Een hernieuwde schorsing door dezelfde rechter die op het moment van schorsing nadrukkelijk heeft aangegeven dat die tijdelijk was, immers tot het moment waarop vonnis in eerste aanleg wordt gewezen, is dan ook niet uit te leggen aan de maatschappij, behoudens in bijzondere gevallen. Een dergelijk bijzonder geval doet zich hier niet voor. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis dan ook niet opnieuw schorsen. 8 De inbeslaggenomen voorwerpen 8.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het op de beslagl