Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:15113
Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] , verzoeker (gemachtigde mr. W.H. Jebbink), tegen de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. S. El Boustati). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder over de door verzoeker aangekondigde demonstratie. 1.1. Verzoeker heeft op 17 december 2025 een kennisgeving gedaan van een demonstratie op 3 januari 2026, tussen 09:01 uur en 10:30 uur. Verzoeker wil met vier deelnemers een betoging houden op de stoep voor de ambassade van Egypte aan de Badhuisweg te Den Haag. De betoging is gericht tegen het regime van Egypte. Hierbij wil verzoeker gebruik maken van muziek en vlaggen. 1.2. Met het (primaire) bestreden besluit van 31 december 2025 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat de demonstratie op de gewenste dag en tijd mag plaatsvinden. Er wordt een beperking verbonden aan deze demonstratie, in die zin dat de demonstratie schuin tegenover de Egyptische ambassade moet plaatsvinden. De aangewezen locatie bevindt zich op de hoek van de Badhuisweg en de Nieuwe Duinweg te Den Haag. 1.3. Verzoeker heeft op dezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.4. Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om een nadere reactie in te dienen. De voorzieningenrechter heeft besloten om zonder zitting uitspraak te doen. Aan partijen is meegedeeld is dat het dictum naar verwachting op 2 januari 2026 om 17:00 uur bekend zal worden gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Achtergrond 2.1. Aan verzoeker is, in verband met gedragingen bij ambassades, waaronder die van Egypte, bij besluit van 3 oktober 2025 een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd, eindigend op 3 januari 2026 om 09.00 uur. Dit geldt voor een aangewezen gebied waarbinnen zich meerdere ambassades, waaronder die van Egypte, bevinden. Aan dit gebiedsverbod ligt een bestuurlijke rapportage van de politie van 3 oktober 2025 ten grondslag. Daarin is vermeld dat verzoeker in de periode van 21 juli 2025 tot en met 3 oktober 2025 betrokken is geweest bij nader omschreven gedragingen (tijdens demonstraties) bij verschillende ambassades. Verzoeker heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit tot het opleggen van het gebiedsverbod en dit besluit staat dan ook in rechte vast. Het gebiedsverbod is nadien door verweerder niet verlengd. Waar gaat deze zaak over? 2.2. Naar aanleiding van de kennisgeving heeft de politie meerdere malen contact gehad met verzoeker. Verzoeker is meegedeeld dat de demonstratie mag plaatsvinden, waar hij zich aan moet houden tijdens de demonstratie en dat de demonstratie moet plaatsvinden op een andere dan de gewenste locatie. 2.3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de eerdere gedragingen van verzoeker bij de ambassade (van Egypte) hebben geleid tot acute verstoringen en risico’s voor de veiligheid van medewerkers en bezoekers van de ambassade. Verzoeker heeft onder meer de toegangspoort van deze ambassade vergrendeld met een slot, waardoor het functioneren van de diplomatieke post ernstig werd belemmerd. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan bekladding van de ambassade en ook aan mishandeling van een persoon bij de ambassade. Verzoeker heeft herhaaldelijk niet voldaan aan vorderingen van de politie en de politie heeft meerdere keren moeten optreden om wanordelijkheden te voorkomen. Daarom was aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd (zie hierboven onder overweging 2.1). Volgens verweerder zijn de ervaringen met eerdere demonstraties van ve