Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:14521
RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag JvdB/C/D Zaaknummer / rekestnummer: 12040035 \ RP VERZ 26-50005 Beschikking van 20 april 2026 in de zaak van [verzoekende partij] , te [woonplaats] , verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek, hierna te noemen: “ [verzoekende partij] ”, gemachtigde: mr. S.T.W. Verhaagh, tegen STAAT DER NEDERLANDEN, RIJKSWATERSTAAT, MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, RIJKSINSTITUUT VOOR VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU, MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT , te 's-Gravenhage, verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek, hierna gezamenlijk te noemen: “de Staat”, gemachtigde: mr. M.M. Dragt en mr. H.A. Westra. Rijkswaterstaat zal hierna worden aangeduid als “RWS”. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zal hierna worden aangeduid als “RIVM”. 1 De procedure in het verzoek en in het tegenverzoek 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 59, ingekomen bij de griffie op 5 januari 2026; - het verweerschrift tevens houdende zelfstandig tegenverzoek van de zijde van RWS met producties 1 tot en met 34, ingekomen bij de griffie op 9 maart 2026; - het verweerschrift van de zijde van RIVM met producties 1 tot en met 5, ingekomen bij de griffie op 9 maart 2026; - de brief met aanvullende productie 60 van de zijde van [verzoekende partij] , ingekomen bij de griffie op 17 maart 2026; - de brief met productie 15 van de zijde van [verzoekende partij] , ingekomen bij de griffie op 18 maart 2026. 1.2. Op 23 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek en het tegenverzoek plaatsgevonden. [verzoekende partij] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.T.W. Verhaagh. Namens RWS is dhr. [naam 1] verschenen, bijgestaan door mw. mr. M.N. Dragt. Namens RIVM is dhr. [naam 2] verschenen, bijgestaan door mw. mr. H.A. Westra. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door [verzoekende partij] pleitaantekeningen overgelegd, die zich in het procesdossier bevinden. Van het overige verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich ook in het procesdossier bevinden. 1.3. De uitspraak is bepaald op heden. 2 De feiten in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek 2.1. [verzoekende partij] , geboren op [geboortedatum] 1978, is op 1 februari 2018 in dienst getreden bij het RIVM, onderdeel Dienst Vaccinvoorziening Preventieprogramma’s (DVP), in de functie van Adviseur bedrijfsvoering/ projectcontroller voor 36 uur per week. [verzoekende partij] werkte volgens een vast rooster 4 x 9 uur per week, waarbij de maandag zijn roostervrije dag was. 2.2. In een e-mail van 30 november 2022 schrijft [verzoekende partij] aan zijn meerdere, [naam 3] (hierna: [naam 3] ): “(…) @ [naam 3] Ik heb je vaak genoeg aangegeven dat ik de steeds groeiende DVP niet in mijn eentje kan blijven doen, inwerking slecht verlopen, workload is hoog, heel veel dingen lopen binnen DVP niet goed en als gevolg daarvan moet ik soms werk laten vallen (zoals bijvoorbeeld TK’s oktober) of ‘s avonds en of op mijn roostervrije maandag doorwerken. Ik ben een mens en de hoeveelheid werk bij mij die ik aankan heeft allang zijn grens bereikt. (…)” 2.3. Op 7 maart 2023 schrijft [verzoekende partij] vervolgens aan mw. [naam 4] : “(…) “Gisteren was mijn roostervrije dag, tot nu toe zit ik als projectcontroller in mijn eentje heel DVP te doen, ondersteuning vanuit projectbeheer is bedroevend en daardoor weekenden vaak werken. Kortom ik doe mijn stinkende best om iedereen en dan ook iedereen vanuit mijn positie te ondersteunen echter meer dan dat kan ik niet doen. Daar waar het kan kan en daar waar het niet kan, verwacht ik in ieder geval naar mijn persoon toe begrip. (…)” 2.4. Per 1 juni 2023 is [verzoekende partij] op eigen verzoek overgestapt naar RWS. Daar was hij werkzaam binnen In het onderzoeksverslag wordt vermeld dat er verschillende pogingen zijn ondernomen om contact met haar te leggen, maar dat [naam 5] in alle gevallen niet heeft gereageerd op de verzoeken om in contact te komen. In het onderzoeksverslag staat vervolgens: “(…) 8. Conclusie (…) Voor zover nu bekend is, heeft [verzoekende partij] de informatie wel gekregen van [naam 5] maar is er geen enkel aantoonbaar bewijs dat [verzoekende partij] expliciete toestemming heeft gekregen van [naam 5] voor het verder doorsturen van deze bijzondere informatie naar een aantal medewerkers van het RIVM.(…)” 2.9. Per brief van 30 mei 2023 stuurt de directeur-generaal van het RIVM aan [verzoekende partij] een voornemen tot strafoplegging. In de brief staat dat hij met het delen van de vertrouwelijke e-mails over de gezondheid van een collega in strijd met de Gedragscode Integriteit Rijk 2020 heeft gehandeld en zich daarmee niet als goed ambtenaar heeft gedragen. Deze feiten rechtvaardigen het opleggen van de straf van een schriftelijke berisping, tenzij [verzoekende partij] in het gesprek zaken naar voren brengt die de visie op de feiten wijzigt. 2.10. Op 27 juni 2023 stuurt [verzoekende partij] een e-mail aan [naam 5] waarin hij vraagt om een bevestiging dat hij expliciete toestemming heeft gekregen om haar gegevens te delen met OR en overige medewerkers binnen het RIVM. [naam 5] heeft diezelfde dag gereageerd dat zij toestemming heeft gegeven om de misstanden te melden. 2.11. Tegen het voornemen tot strafoplegging maakt (de gemachtigde van) [verzoekende partij] op 30 juni 2023 schriftelijk bezwaar. 2.12. Op 5 juli 2023 vindt een gesprek plaats tussen [verzoekende partij] en zijn leidinggevenden bij RWS, [naam 6] (hierna: “ [naam 6] ”) en [naam 7] (hierna: “ [naam 7] ”). Tijdens dat gesprek komt het integriteitsonderzoek en de schorsing bij het RIVM ter sprake. [verzoekende partij] stuurt naar aanleiding daarvan een afschrift van de door zijn gemachtigde ingediende zienswijze tegen het voornemen tot strafoplegging aan [naam 6] en [naam 7] door. 2.13. Op 11 juli 2023 neemt [naam 6] telefonisch contact op met [verzoekende partij] en deelt zij hem mede dat zij de kwestie met het RIVM door wil sturen naar de afdeling juridische zaken voor advies. [verzoekende partij] stuurt haar daarna – voor zover relevant – de volgende e-mail: “(...) Terugkomend op ons telefonisch onderhoud van zojuist het volgende. Onderstaande kwestie heb ik in vertrouwen met jou en [naam 7] gedeeld. Je hebt mij aangegeven zojuist dat je onderstaande kwestie naar afdeling juridische zaken wilt doorsturen om advies. Ik vind dat die stap niet nodig is want dan raak ik onnodig beschadigd binnen RWS en daarnaast ik heb je deze kwestie in vertrouwen gedeeld. (…) Ik heb je ook medegedeeld zojuist dat ik heb besloten om niet meer bij RWS te werken daar, mede gelet op de situatie met de MPBers van project [project] , dit niet de omgeving is waarin ik wil werken. Dit zegt mijn gevoel. Uiteraard blijf ik doen wat men van mij verwacht wordt en zal ik me, wat er ook van zij, inzetten voor het project tot ik een andere baan heb gevonden. Ik ga rustig op zoek naar een andere baan en daarom is het óók niet passend en noodzakelijk dat onderstaande kwestie door jou wordt gedeeld binnen de rest van de organisatie. (…)” [naam 6] reageert daarop per e-mail van diezelfde dag: “(…) Mijn behoefte aan juridisch advies komt voort uit het volgende. Tijdens de sollicitatie heb je gezwegen over het lopende integriteitsonderzoek en de schorsing. Vervolgens ben je vaak afwezig geweest zonder dat je daar een goede reden voor hebt gegeven. Ik wil een weloverwogen standpunt kunnen innemen met betrekking tot het gedrag dat je hebt laten zien bij RWS. Het dossier dat je me stuurde is daarbij ook belangrijk. Jouw zienswijze op de voorgenomen bestraffing zal door RIVM leiden tot een besluit. Ik hoor graag van je welk besluit RIVM heeft genomen. (…)” 2.14. Op 17 juli 2023 meldt [verzoekende partij] zich per e-mail ziek. H Bij brief van 28 oktober 2024 wordt het verzoek van [verzoekende partij] om zijn ziekte aan te merken als beroepsziekte onder verwijzing naar het verslag van de medisch adviseur afgewezen. 2.21. In het advies van 15 november 2024 schrijft de bedrijfsarts dat geleidelijk gestart kan worden met re-integreren. Op 3 december 2024 vindt vervolgens een gesprek plaats tussen [verzoekende partij] en RWS waarin RWS te kennen geeft dat [verzoekende partij] vrijgesteld zal worden van werkzaamheden in verband met de ernstig verstoorde arbeidsverhouding. In een gesprek tussen [verzoekende partij] en RWS op 18 december 2024 wordt vervolgens besproken dat ingezet wordt op mediation en dat [verzoekende partij] vanaf 6 januari 2025 toch re-integratiewerkzaamheden zal gaan oppakken. 2.22. Op 16 januari 2025 krijgt [verzoekende partij] een officiële waarschuwing van RWS. In de brief van RWS aan [verzoekende partij] staat hierover – voor zover hier relevant – het volgende: “(…) Ik heb gisteren, 15 januari 2025, in het kader van de Wet verbetering poortwachter per e-mail een aantal vragen aan de bedrijfsarts gesteld. Om in dat proces zo transparant mogelijk te handelen, waar u ook recht op heeft, heb ik u meegenomen in de CC van deze e-mail. U heeft ervoor gekozen om deze e-mail te beantwoorden, alhoewel deze niet direct aan u gericht was. Deze e-mail heb ik ontvangen in de avond van 15 januari 2025. De inhoud van de e-mail en uw toon geven mij aanleiding hierop te reageren en u een officiële waarschuwing toe te kennen. De Gedragscode Integriteit Rijk schrijft voor hoe wij professioneel met elkaar dienen om te gaan. Met de uitlating ‘Een tip: hou je gedeisd [naam 9] , niet meer olie op het vuur gooien. Je hebt reeds een brandende haard’, constateer ik dat ik deze inhoud als zeer bedreigend ervaar en zeker grensoverschrijdend is. (…)” 2.23. [verzoekende partij] meldt zich daarna – eveneens op 16 januari 2025 – opnieuw ziek. 2.24. Per brief van 23 januari 2025 ontvangt [verzoekende partij] van RWS een kennisgeving dat zijn loon zal worden stopgezet indien hij weigert mee te werken aan re-integratie. Uit de brief volgt dat [verzoekende partij] niet in gesprek wenst te gaan met de casemanager die vanuit RWS verantwoordelijk is voor de re-integratieverplichtingen. 2.25. [verzoekende partij] heeft medisch adviesbureau Mediathos ingeschakeld om het medisch advies van Kartagena te beoordelen en een second opinion te geven. In het rapport van Mediathos van 18 juli 2025 staat voor zover hier relevant: “(…) Advies op basis van bovenstaande bronnen: Op basis van bovenstaande bronnen is er sprake van een consistent verhaal en beloop van ervaren buitensporig karakter in dé verhouding binnen het werk en de werkomstandigheden, zowel bij het RIVM als bij RWS. Deze ervaringen van client staan niet op zichzelf. Uit de Cultuuronderzoeken van het FNV blijkt dat deze ervaringen niet louter alleen een ervaring van client zelf zijn, maar structureel aanwezig zijn bij een groot deel van zijn collega’s. Behalve stress, onveilig gevoel en verminderd functioneren als bron van ziekmelding, is er ook onder sommige van zijn directe collega’s sprake van suïcidale gedachten. Client heeft in zijn zeer directe nabijheid deze gedachten en uitvoering van deze gedachten bij collega’s meegemaakt en inmiddels ook zelf ervaren. Het is zeer aannemelijk dat deze buitensporige werkomstandigheden zeker in meer of mindere mate effect hebben op de emotionele gesteldheid van client en zijn collega’s. Bij cliënt is er gezien zijn langdurig ziekteverzuim zeker sprake van een ernstig effect op zijn emotionele gesteldheid. De diagnose PTSS zoals gesteld door de GZpsycholoog is gesteld op basis van de in zijn werk opgelopen traumatische ervaringen. De diagnose is geobjectiveerd door de door de GZ psycholoog vastgestelde symptomen. De psychiater heeft dient eenmalig gezien zodat het stellen van een diagnose niet mogelijk is. De psychiater heeft de situatie beschreven waaruit blijkt dat cliënt ernstig 7:686a lid 6 of lid 7 BW, en deze aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.642,37 bruto aan overuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 9.821,19, een en ander aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.363,78 bruto aan ten onrechte ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 7.681,89 bruto, aan [verzoekende partij] te volden binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 31.878,59 bruto ten titel van opgebouwd maar niet genoten verlof, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.995,29 (inclusief btw) ten titel van materiele schadevergoeding, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 200.000,00 (netto) ten titel van immateriële schadevergoeding, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.347,05 inclusief btw, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking; de Staat te veroordelen tot vergoeding van de integrale kosten voor verleende rechtsbijstand, tot 1 december 2025 te bepalen op een bedrag van € 11.616,- inclusief btw en vanaf 1 januari 2025 nader en in redelijkheid te bepalen (pro memorie), en te bepalen dat de Staat de reeds opengevallen kosten binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking aan [verzoekende partij] voldoet, althans geheel subsidiair de Staat te veroordelen in de proceskosten, waaronder het salaris gemachtigde en de nakosten; de Staat te veroordelen om binnen 10 dagen na dagtekening van de beschikking de correcte bruto-nettospecificaties van de aan [verzoekende partij] toe te kennen bruto bedragen aan [verzoekende partij] te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de Staat hier niet aan voldoet, en met een maximum van € 36.000,-. de Staat te veroordelen tot betaling aan [verzoekende partij] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. Aan zijn verzoek legt [verzoekende partij] – samengevat – ten grondslag dat de Staat jegens hem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor [verzoekende partij] arbeidsongeschikt is geraakt. In dat verband stelt [verzoekende partij] dat de Staat onvoldoende zorg heeft gedragen voor een veilige werkomgeving. In dat kader heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat hij bij het RIVM als lid van de ondernemingsraad vaak is aangesproken door medewerkers over onveilige werkomstandigheden waarmee niks werd gedaan. Er was sprake van een sociaal onveilige werkomgeving binnen de afdeling Bedrijfsvoering, waar [verzoekende partij] werkzaam was. [verzoekende partij] heeft ervaren hoe een collega, [naam 5] , ten gevolge van de onveilige werkomgeving worstelde met suïcidale gedachten. Toen [verzoekende partij] hiervoor aandacht wilde vragen en collega’s per e-mail op de hoogte heeft gebracht van de situatie van [naam 5] is hij ten onrechte geschorst en heeft hij ten onrechte een waarschuwing gekregen. De onveilige werkomstandigheden binnen het RIVM hebben geleid tot ernstige gezondheidsproblemen bij [verzoekende partij] . Verder was er bij het RIVM sprake van een hoge werkdruk en werkte [verzoekende partij] structureel over op zijn roostervrije maandag. RIVM weigert de overuren echter uit te betalen. De overuren die het RIVM niet wil uitbetalen, de onterechte schorsing, het onzorgvuldige onderzoek dat het RIVM daarna heeft gedaan evenals de waarschuwing die [verzoek Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.2. [verzoekende partij] stelt in de eerste plaats dat sprake is van een onveilige werkomgeving bij het RIVM waaraan [verzoekende partij] is blootgesteld en wat heeft bijgedragen aan zijn arbeidsongeschiktheid. In dat kader heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat hij tijdens zijn dienstverband bij het RIVM lid was van de ondernemingsraad en aldaar vaak meldingen heeft ontvangen van medewerkers over onveilige werksituaties. Het incident met [naam 5] is daar een voorbeeld van, aldus [verzoekende partij] . [verzoekende partij] stelt dat hij met haar alle loketten binnen het RIVM is afgegaan om te zoeken naar een oplossing, maar dat het RIVM niets heeft gedaan. 4.3. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat het veel impact op [verzoekende partij] moet hebben gehad dat een collega zich tot hem heeft gewend met suïcidale gedachten, is niet gebleken dat [verzoekende partij] zelf te maken heeft gehad met onveilige situaties binnen het RIVM. Uit de stelling van [verzoekende partij] volgt dat collega’s zich tot hem hebben gewend met meldingen over onveilige situaties en dat hij heeft geprobeerd die collega’s te helpen. Datzelfde geldt voor de situatie met [naam 5] . Die gestelde onveilige situaties hebben dus geen betrekking op de werkomgeving van [verzoekende partij] zelf. Uit niets blijkt dat hij zelf onveilige werksituaties heeft meegemaakt. [verzoekende partij] heeft verwezen naar een drietal onderzoeksrapporten van de FNV over de sociale veiligheid binnen de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Justitie en Veiligheid (J&V) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Hij verwijst onder meer naar de conclusie van de FNV in het rapport over VWS waarin staat dat mensen vooral bij CIBG, RIVM en PSGD een onveilige werkomgeving ervaren. Ook dit betreft een algemeen rapport. Uit het rapport volgt niet dat en/of op welke wijze [verzoekende partij] zelf met onveilige werksituaties te kampen heeft gehad. Naar het oordeel van de kantonrechter is dus niet komen vast te staan dat [verzoekende partij] zelf te maken heeft gehad met onveilige situaties op de werkvloer. 4.4. Aan het gestelde ernstig verwijtbaar handelen heeft [verzoekende partij] verder ten grondslag gelegd dat er sprake was van een hoge werkdruk waardoor [verzoekende partij] structureel heeft gewerkt op zijn roostervrije maandag. [verzoekende partij] stelt dat hij dit vaak ter sprake heeft gebracht en heeft verzocht om versterking, maar dat het RIVM daar niets mee deed. In dat verband wijst [verzoekende partij] op een drietal e-mails van 30 november 2022, 7 maart 2023 en 26 april 2023. Uit die e-mails blijkt dat [verzoekende partij] bij zijn leidinggevende aangeeft dat hij “ de steeds groeiende DVP niet in mijn eentje kan blijven doen ”, dat hij soms werk moet laten vallen of ’s avonds en op zijn roostervrije maandag moet doorwerken (e-mail 30 november 2022). Ook geeft [verzoekende partij] in zijn e-mail van 30 november 2022 aan dat de hoeveelheid werk die hij aan kan zijn grens allang heeft bereikt. Op 7 maart 2023 schrijft [verzoekende partij] dat hij in zijn eentje heel DVP zit te doen en dat hij zijn stinkende best doet om iedereen vanuit zijn positie te ondersteunen en dat hij meer dan zijn best niet kan doen. Hij vraagt om begrip. In de e-mail van 26 april 2023 schrijft [verzoekende partij] vervolgens dat hij de maandagen vanaf 2022 heeft gewerkt en dat hij die niet kon opnemen als tijd voor tijd en ook geeft hij nogmaals aan dat hij in zijn eentje DVP heeft moeten bedienen. Ter zitting heeft [naam 2] (stafhoofd RIVM) verklaard dat [verzoekende partij] inderdaad heeft aangegeven dat de werkdruk hoog is en dat vanuit het RIVM aan [verzoekende partij] is gezegd dat hij de werkzaamheden niet op zijn roostervrije maandag moet uitvoeren, waardoor ook voor de organisatie zichtbaar zou worden dat de werkzaamheden niet af zouden komen als [verzoekende partij] niet zou overwerken. [verzoekende partij] betwist dat dit tegen he [verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat de situatie daarna door zijn leidinggevende, [naam 6] , is geëscaleerd en dat hij is weggepest. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat op 5 juli 2023 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen onder andere [verzoekende partij] en [naam 6] en dat [verzoekende partij] tijdens dat gesprek melding heeft gemaakt van de schorsing en het integriteitsonderzoek bij het RIVM. [naam 6] verwijt [verzoekende partij] daarna dat hij daar niet eerder melding van heeft gemaakt en ook heeft zij de kwestie doorgezet aan juridische zaken voor advies. Daar is [verzoekende partij] het niet mee eens. Naar het oordeel van de kantonrechter is het begrijpelijk dat RWS het van belang achtte te weten wat er speelde met betrekking tot het integriteitsonderzoek dat liep bij het RIVM. Dat daarbij op voorhand de afdeling juridische zaken is ingeschakeld zodat de situatie beoordeeld kon worden levert geen verwijtbaar handelen op. Niet gebleken is dat de situatie door toedoen van RWS verder is geëscaleerd. 4.7. Op 17 juli 2023 meldt [verzoekende partij] zich vervolgens ziek. Anders dan [verzoekende partij] heeft gesteld is niet gebleken dat RWS haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Uit de verslagen van de bedrijfsarts volgt dat [verzoekende partij] volledig arbeidsongeschikt was en dat re-integratie niet verstandig werd geacht. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat RWS heeft getracht om een kennismakingsgesprek te organiseren met het nieuwe afdelingshoofd en dat zij mediation heeft aangeboden om de werkrelatie te normaliseren. [verzoekende partij] stelt dat RWS heeft nagelaten een (correct) plan van aanpak op te stellen. Uit de stellingen van RWS volgt echter dat [verzoekende partij] meerdere malen bezwaar heeft gemaakt tegen de formuleringen zoals opgenomen in het plan van aanpak en dat RWS het daarop meerdere malen heeft aangepast. Dat is door [verzoekende partij] niet weersproken. [verzoekende partij] verwijt RWS verder dat zij geen contact met hem heeft opgenomen tijdens zijn ziekteperiode. Daarbij miskent [verzoekende partij] dat de bedrijfsarts gedurende lange periode in zijn adviezen contact tussen [verzoekende partij] en zijn leidinggevenden heeft afgeraden. Daar komt bij dat RWS in december 2023 ook aan de bedrijfsarts advies heeft gevraagd over de wijze waarop contact diende te worden onderhouden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat RWS haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Dit oordeel vindt tevens steun in de WIA-beoordeling van het UWV alwaar de arbeidsdeskundige de re-integratie inspanningen van de werkgever voldoende heeft bevonden. 4.8. [verzoekende partij] heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat zijn loon ten onrechte met 30% is gekort omdat RWS ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8.2 CAO Rijk. Dit standpunt wordt niet gevolgd. RWS heeft zorgvuldig gehandeld waar het betreft de behandeling van het beroepsziekteverzoek van [verzoekende partij] . Zij heeft immers een onafhankelijk medisch adviseur ingeschakeld, het loon 100% doorbetaald gedurende het onderzoek en aanvullende afspraken met [verzoekende partij] gemaakt over de kosten. Dat RWS de conclusie van de medisch adviseur opvolgt kan haar niet worden verweten en kan evenmin als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt. 4.9. [verzoekende partij] was het met het oordeel van de medisch adviseur niet eens en heeft een second opinion gevraagd en in dat kader Mediathos ingeschakeld. Mediathos heeft onderzoek gedaan naar het causaal verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht van de werkgever van [verzoekende partij] en zijn arbeidsongeschiktheid. De medisch adviseur komt tot de conclusie dat het zeer aannemelijk is dat er sprake is van een causaal verband. In zijn advies schrijft de medisch adviseur “Op basis van bovenstaande bronnen is er sprake van een consistent verhaal en beloop van ervaren buitensporig Billijke vergoeding, immateriële en materiële schadevergoeding 4.16. Hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat, zodat er geen grond is voor toekenning van een billijke vergoeding. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat ook geen grond is voor toekenning van een immateriële schadevergoeding. 4.17. Datzelfde geldt voor de materiële schadevergoeding waarop [verzoekende partij] aanspraak maakt. [verzoekende partij] maakt in dat verband immers aanspraak op vergoeding van de kosten voor het medisch advies van Mediathos. Hij stelt dat hij deze kosten heeft moeten maken om de schade en aansprakelijkheid van de Staat te kunnen vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekende partij] . Daarmee is ook niet komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 van de CAO Rijk. Er is dan ook geen grondslag voor toewijzing van de materiële schadevergoeding. Overuren 4.18. [verzoekende partij] maakt aanspraak op betaling van overuren ter hoogte van € 15.456,29 bruto aan achterstallig loon inclusief IKB over 2022 en een bedrag van € 4.186,08 bruto inclusief IKB over 2023. Daarnaast maakt [verzoekende partij] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50% ter hoogte van € 9.821,19 bruto. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoekende partij] dat hij bij het RIVM in 2022 en een deel van 2023 noodgedwongen op de maandagen heeft gewerkt, terwijl hij formeel op de maandagen vrij was. Zoals onder 4.4. al overwogen staat vast dat [verzoekende partij] op de maandagen heeft overgewerkt. De Staat wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het overwerk niet is opgedragen en dat deze overuren daarom niet uitbetaald hoeven te worden. De leidinggevende bij het RIVM heeft weliswaar niet expliciet aan [verzoekende partij] opgedragen om op zijn vrije dag te werken, maar die wist wel dat [verzoekende partij] op zijn vrije dagen zat te werken. Dat heeft [verzoekende partij] immers in e-mails aangegeven. Bovendien is ter zitting ook erkend dat de werkdruk hoog was. De Staat stelt expliciet tegen [verzoekende partij] te hebben gezegd niet op zijn vrije dag te werken, zodat zichtbaar wordt waar de pijnpunten in de organisatie zitten. [verzoekende partij] heeft betwist dat dergelijke gesprekken zijn gevoerd. Nu de Staat die gesprekken niet heeft weten te onderbouwen moet het ervoor worden gehouden dat hij [verzoekende partij] niet heeft gewaarschuwd die werkzaamheden niet uit te voeren. Daardoor heeft de Staat onvoldoende maatregelen getroffen [verzoekende partij] te weerhouden om op zijn vrijde dagen te werken. Daarmee heeft de Staat die overuren impliciet geaccepteerd. Dit betekent dat in het kader van goed werkgeverschap die overuren aan [verzoekende partij] moeten worden uitbetaald. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen de door [verzoekende partij] overgelegde berekeningen, zodat de kantonrechter de verzochte bedragen aan overuren over 2022 en 2023 ter hoogte van in totaal € 19.642,37 zal toewijzen en de Staat zal veroordelen dit bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking aan [verzoekende partij] te betalen. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 15%, zijnde een bedrag van € 2.946,35. 4.19. De wettelijke rente over de uitbetaling van de overuren zal worden toegewezen op de hierna onder de beslissing vermelde wijze. Ingehouden loon 4.20. [verzoekende partij] maakt aanspraak op ingehouden loon over de periode van 1 november 2024 tot medio juli 2025. Anders dan [verzoekende partij] heeft gesteld heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 CAO Rijk. Dit betekent dat de Staat het loon vanaf 1 november 2024 met 30% mocht korten. Het verzoek van [verzoekende partij] wordt op dit punt dan ook afgewezen. Opgebouwde verlofuren 4.21. [verzoekende