Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:1444
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,089 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 text/xml public 2026-01-30T17:00:12 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 NL25.55098 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 text/html public 2026-01-29T09:38:00 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / NL25.55098 Asiel, Dublin, Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55098 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.55099, op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard. Kan de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister voor Frankrijk niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Zo hebben asielzoekers tijdens hun aanvraag geen recht op gratis rechtsbijstand, worden ze onvoldoende geïnformeerd over de procedure en is er sprake van onacceptabele en verborgen wachttijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op het AIDA-rapport over Frankrijk van juni 2025 (update 2024) en het AIDA-rapport over Frankrijk van mei 2024 (update 2023). Ook krijgt niet iedere Dublinterugkeerder in Frankrijk direct toegang tot de opvang. Hierdoor loopt eiser het risico om op straat te belanden. In dit kader wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2023. De rechtbank oordeelde daar dat uit het AIDA-rapport over Frankrijk van april 2023 (update 2022) volgt dat aan het einde van 2022, ondanks inspanningen van de Franse autoriteiten, ongeveer 40% van de asielzoekers in Frankrijk geen opvangplek hadden. Dit geldt ook voor veel Dublinclaimanten. Het feit dat deze problemen in ieder rapport terugkomen, laat zien dat de problemen structureel zijn. Verder vreest eiser dat hij bij terugkomst in Frankrijk zal worden gedetineerd, en zal hij aan racisme worden blootgesteld vanwege zijn Arabische achtergrond. Bovendien worden Dublinterugkeerders in Frankrijk feitelijk gehinderd bij het indienen van een nieuwe asielaanvraag. Dublinterugkeerders krijgen namelijk bij aankomst op de luchthaven een prefectuur vermeld waar zij hun asielaanvraag moeten indienen. Die liggen vaak ver van Parijs af, terwijl er geen enkele organisatie is die hen helpt om de betreffende prefectuur te bereiken. Tot slot wijst eiser op het arrest N.H. van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Hier oordeelde het EHRM dat Frankrijk in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft gehandeld bij drie alleenstaande mannen die rond 2013 in Frankrijk asiel hebben aangevraagd. 5.1. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. 5.2. De rechtbank oordeelt dat de minister voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) nog bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling heeft in haar laatste uitspraak ook het AIDA-rapport (update 2024) betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, waar eiser naar verwijst is van vóór deze Afdelingsuitspraken. Bovendien ligt het feitencomplex in die zaak anders. Eiser is namelijk een meerderjarige man, terwijl het in die zaak ging om een vrouw met haar negen maanden oude baby. Dat eiser pas gratis rechtsbijstand kan ontvangen in een beroepsprocedure, maakt ook niet dat de minister niet meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de Procedurerichtlijn volgt namelijk dat lidstaten alleen gratis rechtsbijstand moeten bieden als sprake is van een (beroeps)procedure tegen de beslissing op de asielaanvraag. In andere gevallen kunnen lidstaten gratis rechtsbijstand bieden, maar zijn zij daartoe niet verplicht. Eiser heeft verder zijn vrees om na overdracht aan racisme blootgesteld te worden of gedetineerd te worden niet onderbouwd. De enkele stelling op de zitting dat hij gelezen heeft dat dit risico bestaat, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat Dublinterugkeerders feitelijk gehinderd worden bij het indienen van een nieuwe asielaanvraag omdat ze zich moeten melden bij een prefectuur die ver van Parijs ligt. Bovendien stelt de rechtbank vast dat deze situatie niet op eiser van toepassing lijkt te zijn. In het claimakkoord staat vermeld dat eiser aan moet komen op de luchthaven Bordeaux en dat hij zich moet melden in de prefectuur Gironde. Bordeaux ligt in de prefectuur Gironde. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de verwijzing naar het arrest N.H.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 text/xml public 2026-01-30T17:00:12 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 NL25.55098 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 text/html public 2026-01-29T09:38:00 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1444 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / NL25.55098 Asiel, Dublin, Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55098 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.55099, op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard. Kan de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister voor Frankrijk niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Zo hebben asielzoekers tijdens hun aanvraag geen recht op gratis rechtsbijstand, worden ze onvoldoende geïnformeerd over de procedure en is er sprake van onacceptabele en verborgen wachttijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op het AIDA-rapport over Frankrijk van juni 2025 (update 2024) en het AIDA-rapport over Frankrijk van mei 2024 (update 2023). Ook krijgt niet iedere Dublinterugkeerder in Frankrijk direct toegang tot de opvang. Hierdoor loopt eiser het risico om op straat te belanden. In dit kader wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2023. De rechtbank oordeelde daar dat uit het AIDA-rapport over Frankrijk van april 2023 (update 2022) volgt dat aan het einde van 2022, ondanks inspanningen van de Franse autoriteiten, ongeveer 40% van de asielzoekers in Frankrijk geen opvangplek hadden. Dit geldt ook voor veel Dublinclaimanten. Het feit dat deze problemen in ieder rapport terugkomen, laat zien dat de problemen structureel zijn. Verder vreest eiser dat hij bij terugkomst in Frankrijk zal worden gedetineerd, en zal hij aan racisme worden blootgesteld vanwege zijn Arabische achtergrond. Bovendien worden Dublinterugkeerders in Frankrijk feitelijk gehinderd bij het indienen van een nieuwe asielaanvraag. Dublinterugkeerders krijgen namelijk bij aankomst op de luchthaven een prefectuur vermeld waar zij hun asielaanvraag moeten indienen. Die liggen vaak ver van Parijs af, terwijl er geen enkele organisatie is die hen helpt om de betreffende prefectuur te bereiken. Tot slot wijst eiser op het arrest N.H. van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Hier oordeelde het EHRM dat Frankrijk in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft gehandeld bij drie alleenstaande mannen die rond 2013 in Frankrijk asiel hebben aangevraagd. 5.1. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. 5.2. De rechtbank oordeelt dat de minister voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) nog bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling heeft in haar laatste uitspraak ook het AIDA-rapport (update 2024) betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, waar eiser naar verwijst is van vóór deze Afdelingsuitspraken. Bovendien ligt het feitencomplex in die zaak anders. Eiser is namelijk een meerderjarige man, terwijl het in die zaak ging om een vrouw met haar negen maanden oude baby. Dat eiser pas gratis rechtsbijstand kan ontvangen in een beroepsprocedure, maakt ook niet dat de minister niet meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de Procedurerichtlijn volgt namelijk dat lidstaten alleen gratis rechtsbijstand moeten bieden als sprake is van een (beroeps)procedure tegen de beslissing op de asielaanvraag. In andere gevallen kunnen lidstaten gratis rechtsbijstand bieden, maar zijn zij daartoe niet verplicht. Eiser heeft verder zijn vrees om na overdracht aan racisme blootgesteld te worden of gedetineerd te worden niet onderbouwd. De enkele stelling op de zitting dat hij gelezen heeft dat dit risico bestaat, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat Dublinterugkeerders feitelijk gehinderd worden bij het indienen van een nieuwe asielaanvraag omdat ze zich moeten melden bij een prefectuur die ver van Parijs ligt. Bovendien stelt de rechtbank vast dat deze situatie niet op eiser van toepassing lijkt te zijn. In het claimakkoord staat vermeld dat eiser aan moet komen op de luchthaven Bordeaux en dat hij zich moet melden in de prefectuur Gironde. Bordeaux ligt in de prefectuur Gironde. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de verwijzing naar het arrest N.H.