Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:1362
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39848 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Drenth). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Proces- en zaaksverloop 2. Eiser heeft op 8 oktober 2015 voor de eerste keer een asielaanvraag ingediend. Op 2 december 2015 heeft een aanmeldgehoor plaatsgevonden. Op 23 april 2016 heeft een gecombineerd eerste en nader gehoor plaatsgevonden. 2.1. Op 12 oktober 2016 is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Bij brief van 27 april 2017 heeft zijn toenmalige gemachtigde bericht te hebben vernomen dat eiser een meisje achterna is gereisd naar Griekenland. De minister heeft met het besluit van 4 mei 2017 de aanvraag buiten behandeling gesteld. 2.2. Op 3 maart 2023 hebben de Slowaakse autoriteiten een Dublin-claim ingediend. Hierbij is vermeld dat eiser tot februari 2023 heeft gewerkt en gewoond in Griekenland en dat hij heeft besloten terug te keren naar Nederland. Nederland heeft op 10 maart 2023 deze Dublin-claim geaccepteerd. Op 9 mei 2023 heeft eiser nogmaals een asielaanvraag ingediend in Nederland. Op 8 april 2024 is eiser opnieuw gehoord. Op 30 juli 2024 is eiser aanvullend gehoord en heeft hij verklaard in Turkije te hebben verbleven. 2.3. Op 2 april 2025 is een voornemen genomen om de aanvraag buiten behandeling te stellen omdat eiser vanaf 28 maart 2025 opnieuw met onbekende bestemming was vertrokken. 2.4. Op 8 april 2025 heeft eiser zich weer gemeld. Op 15 juli 2025 is een nieuw voornemen uitgebracht. Op 12 augustus 2025 is een zienswijze uitgebracht. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. L.J. Meijering namens de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabieren. In Syrië heeft hij geen problemen ondervonden, maar bij terugkeer vreest hij voor gewapende groeperingen en de militaire dienstplicht. Het bestreden besluit 4. De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser uit Syrië komt op zichzelf niet genoeg is om als vluchteling te worden aangemerkt. De vrees van eiser voor de dienstplicht voldoet niet aan het in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde beleid, zodat er ook op dat punt geen sprake is van vluchtelingschap. Ook zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst niet genoeg om een risico op ernstige schade bij terugkeer aan te nemen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor gewapende groeperingen. De algemene situatie in Syrië is zodanig dat er een relatief laag niveau van willekeurig geweld is. Niet is gebleken dat er individuele omstandigheden zijn waardoor eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer. Eiser heeft waarschijnlijk identiteitsdocumenten weggemaakt of vernietigd en kennelijk inconsequent en vals verklaard. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Horen 5. Met betrekking tot de stelling van eiser dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat hij nader gehoord had moeten word 108-110).”6.5. Eiser heeft in beroep verwezen naar door Vluchtelingenwerk verzamelde landeninformatie van 4 augustus 2025 (over rekrutering en dienstweigering in SDF-gebied). Daarbij is op blz. 10 onder meer informatie opgenomen van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van juni 2025, waarin is onderstreept dat “the risk of forced recruitment as such may not generally imply a nexus to a reason for persecution.” . 6.6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het onzeker is of eiser als Arabier daadwerkelijk de dienstplicht zal moeten vervullen, aangezien de rekruteringscampagne onder Arabieren minder strikt wordt toegepast. Zelfs in het geval eiser wel de dienstplicht zou moeten vervullen, is het volgens de minister onbekend of hij überhaupt gevechtshandelingen zou moeten verrichten. De minister acht het op dit moment niet aannemelijk dat eiser als dienstplichtige handelingen zal moeten verrichten die oorlogsmisdrijven (of andere misdrijven die onder artikel 1F vallen) vormen. Evenmin is het aannemelijk geacht dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden op grond van dienstweigering of desertie. Ten derde wordt eiser niet aangemerkt als gewetensbezwaarde. Daarbij is er op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij zichzelf niet ziet werken voor het leger, omdat Assad de leider van het leger was. 6.7. Gelet op voornoemde ontwikkelingen speelt het onder 6.2. aangehaalde asielmotief niet meer. Eiser heeft in de zienswijze van 12 augustus 2025 kunnen reageren op de ontwikkelingen. Daarbij noemt eiser de twaalf maanden dienstplicht in het DAANES-gebied te vrezen. Dit staat dan weer haaks op wat hij op 8 april 2024 heeft verklaard, namelijk dat hij wel bereid is om militaire dienst te ondergaan, alleen niet onder Assad. De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom eiser niet valt aan te merken als gewetensbezwaarde en het gestelde ook anderszins niet leidt tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank ziet in de thans door eiser gegeven onderbouwing, gelet ook op voornoemde landeninformatie, onvoldoende grond om het besluit op dit punt te vernietigen. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn 7. Met betrekking tot het beroep op artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU overweegt de rechtbank als volgt. 7.1. Artikel 15 kent drie soorten “ernstige schade” die kunnen rechtvaardigen dat subsidiaire bescherming wordt toegekend aan de persoon die een reëel risico op deze schade loopt indien hij wordt teruggezonden naar zijn land van herkomst: a) de doodstraf of executie; ofb) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst ; of c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 7.2. Het Hof van Justitie heeft benadrukt dat, ofschoon elk soort ernstige schade een autonome grond voor erkenning van de subsidiaire bescherming vormt, waarvan de voorwaarden ten volle moeten zijn vervuld om deze bescherming te verlenen, dit artikel geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen deze verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade. Ten eerste kan uit een en hetzelfde verzoek om internationale bescherming namelijk blijken dat er een risico bestaat dat de verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef aan verschillende soorten ernstige schade wordt blootgesteld. Ten tweede kan een en hetzelfde element worden gebruikt om te staven dat er sprake is van een reëel risico om meerdere van deze soorten ernstige schade te ondergaan. 7.3. Eiser heeft betoogd dat alle voorwaarden met betrekking tot 15c zijn vervuld. Het gaat daarbij om de volgende voorwaarden: een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van