Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:1358
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/696712 / KG ZA 25-1282 Vonnis in kort geding van 28 januari 2026 in de zaak van STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND te Amsterdam, eiseres, advocaten mrs. W.E. Pors en V. Martikjan te Rotterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Inspectie van het Onderwijs) te Den Haag, gedaagde, advocaten mrs. J.V. de Kort en M.J. Vetzo te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SIO’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 december 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de op 14 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van SIO pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. SIO is het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 onder b van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) van het Cornelius Haga Lyceum (hierna: het CHL) in Amsterdam. Deze school is in het schooljaar 2017 – 2018 van start gegaan met 45 leerlingen en heeft in het nu lopende schooljaar 497 leerlingen. Het CHL biedt onderwijs voor de schoolafdelingen mavo, havo en vwo. 2.2. Het bestuur van SIO kent een éénlaags model, met een algemeen (toezichthoudend-niet uitvoerend) bestuur en een dagelijks bestuur. De heer [naam 1] is voorzitter van het algemeen bestuur en de heer [naam 2] is de secretaris/penningmeester. De heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is directeur-bestuurder van SIO en houdt zich bezig met het dagelijks bestuur van SIO. 2.3. Toezicht op het onderwijs is geregeld in de Wet op het onderwijstoezicht (Wot). In die wet is bepaald dat er een Inspectie van het onderwijs is (de Inspectie) die ressorteert onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De taken van de Inspectie zijn beschreven in artikel 3 van de Wot. De Inspectie houdt uit hoofde van haar taak in artikel 3 lid 1, onder a, sub 1, van de Wot toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften door instellingen voor voortgezet onderwijs. Hiertoe verricht de Inspectie regulier onderzoek, zoals uitgewerkt in artikel 11 van de Wot. Daarnaast kan de Inspectie, op grond van artikel 15 van de Wot, ter uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 3 uit eigen beweging specifiek onderzoek verrichten. 2.4. In oktober 2018 heeft de Inspectie een regulier onderzoek bij het CHL gedaan. Dat heeft geleid tot een concept-rapport. Na verder onderzoek is door de Inspectie op 29 mei 2019 een definitief rapport opgemaakt. Ook daarna is door de Inspectie veelvuldig onderzoek gedaan bij het CHL en zijn er diverse rapportages opgemaakt, tot op heden meer dan twintig. De rapportages hebben betrekking op onderzoek naar veiligheid leerlingen en burgerschap, kwaliteit, bestuur, beoordeling examens, mavo, havo en vwo, registratie en melding aan- en afwezigheid, beoordeling examens, financiën, en voorts op herstelonderzoeken. 2.5. Het CHL staat sinds 2022 onder geïntensiveerd toezicht van de Inspectie vanwege meerdere wettelijke tekortkomingen in de onderwijskwaliteit. Vanaf 2022 heeft de Inspectie de drie schoolafdelingen van het CHL meermaals beoordeeld als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’. Het oordeel ‘zeer zwak’ is het meest negatieve oordeel dat de Inspectie aan een school kan geven. Het betekent dat de leerresultaten ernstig en langdurig tekortschieten en dat de school ernstig tekortschiet in een of meer regels uit de WVO 2020 of andere onderwijswetten. Het oordeel ‘onvoldoende” betekent dat de school op meerdere punten niet voldoet aan de basiskwaliteit die de wet eist. 2.6. De laatste stand van zaken is dat de Inspectie op basis van onderzoek op het CHL uitgevoerd in april 2025, op 10 juli 2025 twee rapporten heeft uitgebracht, beide genaamd “Herstelonderzoek”. In Zorgt het bestuur voor een goed functionerende medezeggenschap overeenkomstig de Wet medezeggenschap op scholen en de daarop aanvullende bepalingen in de WVO 2020? In het Onderzoeksplan is ook een globale beschrijving gegeven van de drie fases van het onderzoek: de voorbereidende fase, de uitvoerende fase en de afrondingfase. De Inspectie heeft het SIO verzocht om voor aanvang van de voorbereidende fase een groot aantal documenten toe te sturen (zoals onder meer: vastgestelde statuten van de stichting, het bestuursreglement, het rooster van aftreden van het bestuur, de integriteitscode van het bestuur, het managementstatuut, de code goed bestuur en goed toezicht die het bestuur hanteert en documenten waarmee het uitvoerend deel van het bestuur zich verantwoord aan het toezichthoudend deel van het bestuur). Voor wat betreft het uitvoerend onderzoek staat in het Onderzoeksplan vermeld dat de Inspectie op 20, 21 en 22 januari 2026 het bestuur zal bezoeken voor onder meer: een bestuursgesprek, gesprek schoolleiding, gesprek teamleider, gesprek medezeggenschap, gesprek over personeelsbeleid en inzage in personeelsdossiers, gesprek met leraren en een gesprek met oudergeleding MR, Over de afrondingsfase staat in het Onderzoeksplan vermeld hoe de bevindingen van de Inspectie worden verwoord in antwoorden op de onderzoeksvragen. Daarop wordt een concept-rapport opgesteld, waarin het bestuur daarover wordt geïnformeerd en gelegenheid krijgt om daarop te reageren. Verder is vermeld dat het rapport ten slotte drie weken na vaststelling openbaar wordt gemaakt. 2.10. Op 12 november 2025 heeft de Inspectie enkele data voorgesteld voor een startgesprek voor het onderzoek naar bestuurlijk handelen. De advocaat van SIO heeft in antwoord daarop bij brief van 18 november 2025 diverse bezwaren geuit tegen het voorgenomen onderzoek en hij heeft de Inspectie verzocht van dit onderzoek af te zien. De Inspectie heeft te kennen gegeven dat niet te zullen doen en zij heeft gemotiveerd waarom de bezwaren van SIO naar het oordeel van de Inspectie geen standhouden. Verdere communicatie tussen SIO en de Inspectie heeft niet tot overeenstemming geleid en SIO heeft de Inspectie bericht de legitimiteit van het onderzoek aan de voorzieningenrechter voor te zullen leggen. 3 Het geschil 3.1. SIO vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te verbieden het aangekondigde onderzoek naar het bestuurlijk handelen van SIO doorgang te laten vinden, met dien verstande dat dit bestuurlijk handelen uiteraard wel meegenomen kan worden in de al aangekondigde nieuwe herstelonderzoeken, met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding. 3.2. Daartoe voert SIO – samengevat – het volgende aan. 3.2.1. Het aangekondigde onderzoek naar het bestuurlijk handelen van SIO is onrechtmatig en vormt misbruik van bevoegdheid. Het heeft geen rechtmatige juridische en feitelijke grondslag. Het is in strijd met artikel 23 Grondwet, artikel 4 van de Wot, artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 14 en 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 5:13 Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.2.2. Het voorgenomen onderzoek naar bestuurlijk handelen is een onderzoek naar de bekende weg. SIO houdt één school in stand, namelijk het CHL. De (vele) onderzoeken die de Inspectie bij het CHL heeft gedaan omvatten daarmee ook onderzoek naar het bevoegd gezag van SIO. Alle contact van de Inspectie in het kader van de onderzoeken bij het CHL is namelijk met het bestuur van SIO. De bevindingen van de onderzoeken worden ook steeds voorgelegd aan het bestuur van SIO, waarop het bestuur dan inbreng levert. Daarmee kent de Inspectie alle relevante feiten al door eerdere onderzoeken naar het CHL. Het onderzoek van de Inspectie naar het “bestuurlijk handelen” van het bestuur van SIO kan daarmee niet anders aangemerkt worden dan als “harrassment”. De Inspectie maakt misbruik van bevoegdheid omdat het onderzoek geen rechtmatig doel dient. 3.2.3. Deelvraag 1 di Daarin is gemotiveerd beschreven dat het langdurig tekortschieten van het bestuur om zorg te dragen voor de onderwijskwaliteit van het CHL de aanleiding voor het onderzoek vormt. Daarbij wordt ook vermeld dat de sturing van het bestuur er in de afgelopen jaren niet toe heeft geleid dat de onderwijskwaliteit is verbeterd, terwijl de zorg daarvoor primair de verantwoordelijkheid is van een schoolbestuur. Het Onderzoeksplan vermeldt verder dat het CHL al sinds 2022 onder geïntensiveerd toezicht staat. Vanaf 2022 zijn de drie schoolafdelingen van het CHL meermaals als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’ beoordeeld. Ondanks opgestelde verbeterplannen heeft de Inspectie in de recente rapporten van 10 juli 2025, de afdelingen mavo en havo van het CHL nog steeds als ‘zeer zwak’ beoordeeld en de afdeling vwo als ‘onvoldoende’. Op een aantal wettelijke vereisten schiet het bestuur langdurig tekort, en vaak heeft de Inspectie bij herhaling tekortkomingen geconstateerd. Het gaat daarbij op alle drie de schoolsoorten om tekortkomingen op het gebied van de begeleiding van leerlingen, het bestrijden van (taal)achterstanden, afstemming van de lessen op de leerbehoeften van de leerlingen, niet voldoen aan de wettelijke onderwijstijd door veelvuldige lesuitval, het ontbreken van toetsbare doelen als onderdeel van de kwaliteitszorg, het realiseren van de doelen voor goed onderwijs, onbevoegd of onderbevoegde docenten voor een bovenmatig deel van de lessen en tekortschietende evaluatie van de doelen voor goed onderwijs. Verder heerst op de lessen op de mavo geen passend leerklimaat en schieten de leerresultaten op mavo en havo ernstig en langdurig tekort. 4.5. SIO heeft niet betwist dat sprake is van de in het Onderzoeksplan weergegeven langdurige en ernstige tekortkomingen in de onderwijskwaliteit en evenmin dat het schoolbestuur er al jarenlang niet is slaagt om het tij te keren en daarmee de onderwijswet na te leven. Tegen die achtergrond is het naar voorshands oordeel begrijpelijk en redelijk dat de Inspectie, gelet op haar taak als toezichthouder, het noodzakelijk acht om te onderzoeken welke rol het bestuur speelt in deze situatie. SIO wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat er feitelijk geen grond is voor het voorgenomen onderzoek naar bestuurlijk handelen. 4.6. De voorzieningenrechter deelt ook de visie van de Staat dat de in het Onderzoeksplan opgenomen onderzoeksvragen duidelijk maken dat de Inspectie zich zal richten op de inrichting van het bestuur van SIO en de mate waarin het bestuur stuurt op onderwijskwaliteit, en dat zij daarmee blijft binnen de grenzen van haar wettelijke taak als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a Wot. De voorzieningenrechter gaat niet mee in het standpunt van SIO dat het zou gaan om een onderzoek naar de bekende weg. De Staat heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de centrale vraag en de deelvragen opgenomen in het Onderzoeksplan impliceren dat dit onderzoek niet gaat om een beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op mavo, havo of vwo, wat onderwerp van de diverse andere onderzoeken is geweest waarnaar SIO heeft verwezen, maar zich toespitst op het handelen van het bestuur. Dat dat handelen centraal heeft gestaan in eerdere, recente, onderzoeken, heeft SIO onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat de Inspectie de afgelopen jaren alle contacten over de onderwijskwaliteit met het bestuur heeft gehad, wil nog niet zeggen dat de Inspectie zich een volledig beeld over het bestuurlijk handelen heeft kunnen vormen. Dat het bestuurlijk handelen van SIO eerder in 2021 al eens onderwerp van onderzoek is geweest, waar SIO ook nog op heeft gewezen, vormt gelet op de sindsdien herhaaldelijk vastgestelde onvoldoende leerresultaten en ernstige tekortkomingen in het onderwijsproces vanaf 2022 evenmin reden om van een nieuw onderzoek af te zien. Verder is de voorzieningenrechter het met de Staat eens dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid ongewenst is om, zoals SIO kennelijk voorstelt, de vragen over het best