Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:12858
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,024 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 text/xml public 2026-05-21T10:42:27 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL25.60472 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 text/html public 2026-05-21T10:41:03 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL25.60472 Asiel; leeftijdsregistratie; gestelde minderjarigheid; algemene veiligheidssituatie Tigray; beroep gegrond; instandlating van de rechtsgevolgen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60472 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Procesverloop Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 7 april 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Op 28 februari 2024 heeft hij de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend. 2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Hij is afkomstig uit Tigray en behoort tot de Erob bevolkingsgroep. Vanwege zijn etniciteit is hij in het verleden gediscrimineerd. Eiser is in 2021 gevlucht vanwege de oorlog en hij heeft zich gevestigd in Adis Abeba. Op enig moment is hij gearresteerd omdat hij afkomstig was uit Tigray. Zijn tante heeft een valse identiteitskaart voor hem geregeld, waarmee hij is vrijgekomen, aldus eiser. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: De identiteit, nationaliteit en herkomst; De problemen vanwege de etnische afkomst. 3.1. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst deels ongeloofwaardig geacht. Verweerder gelooft wel de door eiser gestelde nationaliteit en herkomst, maar de identiteit niet. Eiser heeft echter geen identificerende documenten overgelegd, terwijl uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië 2024 (AAB) volgt dat het mogelijk is om vanuit het buitenland een identiteitskaart of paspoort aan te vragen. Eiser heeft bij aankomst in Italië 21 mei 2001 als geboortedatum opgegeven, terwijl hij nu verklaart te zijn geboren op 29 januari 2007. Gelet hierop, volgt verweerder de gestelde leeftijd niet. Het tweede relevante element acht verweerder wel geloofwaardig. Eiser heeft op grond van de geloofwaardig geachte relevante elementen niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn Tigrese afkomst. Uit het AAB Ethiopië blijkt namelijk dat de algemene veiligheidssituatie is verbeterd. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het ambtsbericht blijkt dat er geen sprake meer is van gedwongen rekrutering – waarvoor eiser stelt te vrezen – en bovendien is in november 2022 een vredesverdrag getekend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Leeftijd 4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de door hem in Italië opgegeven geboortedatum heeft aangehouden bij de vaststelling van zijn leeftijd. In Italië heeft hij namelijk een onjuiste leeftijd opgegeven, omdat hij wilde doorreizen. Ter onderbouwing heeft eiser zijn doopakte en een schooldocument overgelegd. 4.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn gestelde leeftijd niet heeft onderbouwd middels een origineel en echt bevonden identiteitsdocument. Twee medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) hebben eiser gehoord in het kader van een onderzoek naar zijn identiteit. In het proces-verbaal van 28 februari 2024 zijn hun bevindingen met betrekking tot een leeftijdsschouw opgenomen. Hieruit komt naar voren dat eiser door hen unaniem als evident meerderjarig wordt aangemerkt. Uit de schouw die door de hoormedewerker in de aanmeldfase is verricht, volgt dat eiser evident minderjarig is bevonden. Dit betekent dat de eindconclusie van de schouwsessies is dat er twijfel is over de minderjarigheid van eiser. Omdat er sprake was van twijfel omtrent de door eiser opgegeven leeftijd heeft verweerder conform de Werkinstructie (WI) 2023/6 een ‘Dublinonderzoek’ opgestart. De Italiaanse autoriteiten hebben verweerder op 5 april 2024 bericht dat eiser in Italië is geregistreerd met de geboortedatum 21 mei 2001 en dat in Italië geen leeftijdsonderzoek is verricht. Eiser heeft volgens verweerder geen verschoonbare verklaringen gegeven voor de verschillende door hem opgegeven leeftijden en daarom houdt verweerder 21 mei 2001 als geboortedatum aan. 4.2. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992), onder 6.9 tot en met 7.3, volgt dat verweerder in beginsel moet uitgaan van de minderjarigheid van eiser en dat het aan verweerder is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Verweerder moet hierbij alle feiten en omstandigheden meewegen. Verweerder mag hierbij niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Wel mag verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder ter zitting heeft erkend dat WI 2023/6 niet langer geldig is en dat er ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de thans geldende Werkinstructie, te weten WI 2025/1. Verweerder heeft het bestreden besluit op dit punt dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft aangevoerd dat de leeftijdsvaststelling echter feitelijk wel conform de thans geldende werkinstructie is verricht en dat kan worden uitgegaan van de in Italië door eiser opgegeven leeftijd. Daarbij is volgens verweerder van belang dat eiser zijn leeftijd niet heeft onderbouwd met (officiële) identificerende documenten, er een onlogisch en onverklaarbaar groot verschil tussen de in Italië en Nederland opgegeven leeftijden zit en de overgelegde doopakte en schooldocumenten door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt respectievelijk mogelijk niet echt zijn bevonden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder heeft namelijk ter zitting, desgevraagd, ook te kennen gegeven de tegenwerping dat eiser zich niet tot de Ethiopische autoriteiten heeft gewend teneinde identificerende documenten te verkrijgen, niet langer te handhaven aangezien hij in het kader van deze asielprocedure stelt te vrezen voor diezelfde autoriteiten.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 text/xml public 2026-05-21T10:42:27 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 NL25.60472 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 text/html public 2026-05-21T10:41:03 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12858 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / NL25.60472 Asiel; leeftijdsregistratie; gestelde minderjarigheid; algemene veiligheidssituatie Tigray; beroep gegrond; instandlating van de rechtsgevolgen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60472 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Procesverloop Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 7 april 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Op 28 februari 2024 heeft hij de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend. 2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Hij is afkomstig uit Tigray en behoort tot de Erob bevolkingsgroep. Vanwege zijn etniciteit is hij in het verleden gediscrimineerd. Eiser is in 2021 gevlucht vanwege de oorlog en hij heeft zich gevestigd in Adis Abeba. Op enig moment is hij gearresteerd omdat hij afkomstig was uit Tigray. Zijn tante heeft een valse identiteitskaart voor hem geregeld, waarmee hij is vrijgekomen, aldus eiser. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: De identiteit, nationaliteit en herkomst; De problemen vanwege de etnische afkomst. 3.1. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst deels ongeloofwaardig geacht. Verweerder gelooft wel de door eiser gestelde nationaliteit en herkomst, maar de identiteit niet. Eiser heeft echter geen identificerende documenten overgelegd, terwijl uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië 2024 (AAB) volgt dat het mogelijk is om vanuit het buitenland een identiteitskaart of paspoort aan te vragen. Eiser heeft bij aankomst in Italië 21 mei 2001 als geboortedatum opgegeven, terwijl hij nu verklaart te zijn geboren op 29 januari 2007. Gelet hierop, volgt verweerder de gestelde leeftijd niet. Het tweede relevante element acht verweerder wel geloofwaardig. Eiser heeft op grond van de geloofwaardig geachte relevante elementen niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn Tigrese afkomst. Uit het AAB Ethiopië blijkt namelijk dat de algemene veiligheidssituatie is verbeterd. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het ambtsbericht blijkt dat er geen sprake meer is van gedwongen rekrutering – waarvoor eiser stelt te vrezen – en bovendien is in november 2022 een vredesverdrag getekend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Leeftijd 4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de door hem in Italië opgegeven geboortedatum heeft aangehouden bij de vaststelling van zijn leeftijd. In Italië heeft hij namelijk een onjuiste leeftijd opgegeven, omdat hij wilde doorreizen. Ter onderbouwing heeft eiser zijn doopakte en een schooldocument overgelegd. 4.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn gestelde leeftijd niet heeft onderbouwd middels een origineel en echt bevonden identiteitsdocument. Twee medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) hebben eiser gehoord in het kader van een onderzoek naar zijn identiteit. In het proces-verbaal van 28 februari 2024 zijn hun bevindingen met betrekking tot een leeftijdsschouw opgenomen. Hieruit komt naar voren dat eiser door hen unaniem als evident meerderjarig wordt aangemerkt. Uit de schouw die door de hoormedewerker in de aanmeldfase is verricht, volgt dat eiser evident minderjarig is bevonden. Dit betekent dat de eindconclusie van de schouwsessies is dat er twijfel is over de minderjarigheid van eiser. Omdat er sprake was van twijfel omtrent de door eiser opgegeven leeftijd heeft verweerder conform de Werkinstructie (WI) 2023/6 een ‘Dublinonderzoek’ opgestart. De Italiaanse autoriteiten hebben verweerder op 5 april 2024 bericht dat eiser in Italië is geregistreerd met de geboortedatum 21 mei 2001 en dat in Italië geen leeftijdsonderzoek is verricht. Eiser heeft volgens verweerder geen verschoonbare verklaringen gegeven voor de verschillende door hem opgegeven leeftijden en daarom houdt verweerder 21 mei 2001 als geboortedatum aan. 4.2. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992), onder 6.9 tot en met 7.3, volgt dat verweerder in beginsel moet uitgaan van de minderjarigheid van eiser en dat het aan verweerder is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Verweerder moet hierbij alle feiten en omstandigheden meewegen. Verweerder mag hierbij niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Wel mag verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder ter zitting heeft erkend dat WI 2023/6 niet langer geldig is en dat er ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de thans geldende Werkinstructie, te weten WI 2025/1. Verweerder heeft het bestreden besluit op dit punt dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft aangevoerd dat de leeftijdsvaststelling echter feitelijk wel conform de thans geldende werkinstructie is verricht en dat kan worden uitgegaan van de in Italië door eiser opgegeven leeftijd. Daarbij is volgens verweerder van belang dat eiser zijn leeftijd niet heeft onderbouwd met (officiële) identificerende documenten, er een onlogisch en onverklaarbaar groot verschil tussen de in Italië en Nederland opgegeven leeftijden zit en de overgelegde doopakte en schooldocumenten door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt respectievelijk mogelijk niet echt zijn bevonden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder heeft namelijk ter zitting, desgevraagd, ook te kennen gegeven de tegenwerping dat eiser zich niet tot de Ethiopische autoriteiten heeft gewend teneinde identificerende documenten te verkrijgen, niet langer te handhaven aangezien hij in het kader van deze asielprocedure stelt te vrezen voor diezelfde autoriteiten.
Volledig
Hoewel de conclusies van Bureau Documenten over de doopakte en de schooldocumenten vragen oproepen, biedt dit, ook in samenhang bezien met het verschil in de door eiser opgegeven leeftijden, onvoldoende aanknopingspunten om niet langer van de presumptie van minderjarigheid uit te gaan. Daarbij is onder meer van belang dat deze documenten niet aan te merken zijn als identificerende documenten als bedoeld in paragraaf C1/4.2.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder had daarmee dus uit moeten gaan van de door eiser opgegeven leeftijd. Het bestreden besluit bevat op dit punt dus eveneens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt. Gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank dus niet in stand blijven. De gevolgen van deze conclusie komen later in deze uitspraak aan de orde. Veiligheidssituatie Tigray en rekrutering 5. Eiser voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Allereerst is van belang dat eiser eerder slachtoffer is geworden van vervolging en dat verweerder zijn asielrelaas ook geloofwaardig heeft bevonden. Daarnaast volgt uit de beschikbare landeninformatie dat er in Tigray mensenrechtenschendingen plaatsvinden, waaronder buitengerechtelijke executies, en er nog altijd sprake is van gedwongen rekrutering. De door eiser aangehaalde landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) is van recentere datum dan het AAB Ethiopië uit 2024, waar verweerder zich in de besluitvorming op baseert. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de bevolkingsgroep uit Tigray niet heeft aangemerkt als risicoprofiel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie in Tigray na het vredesakkoord van 2 november 2022 is verbeterd. Daarmee is er geen sprake van een situatie waarin de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade en evenmin is er sprake van een mate van willekeurig geweld dat individuele omstandigheden ertoe zouden kunnen leiden dat een reëel risico op ernstige schade bestaat in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (vgl. onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058). De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 23 februari 2026 heeft overgelegd waarin verschillende landeninformatie wordt aangehaald omtrent de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië. De rechtbank ziet in de aangedragen landeninformatie geen aanleiding om, voor zover eiser dat al betoogt, tot een ander oordeel te komen over de algemene situatie in Tigray. De aangehaalde landeninformatie dateert van de periode voor het AAB Ethiopië 2024. Hieruit volgt bovendien geen wezenlijk ander beeld dan reeds naar voren is gekomen in het ambtsbericht. Eiser heeft daarbij nagelaten te concretiseren in hoeverre de veiligheidssituatie is verslechterd. 5.2. De rechtbank overweegt over de door eiser gestelde vrees voor (gedwongen) rekrutering als volgt. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw volgt dat het feit dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Verweerder heeft niet betwist dat eiser in het verleden is gearresteerd en dat hij daarmee slachtoffer is geworden van een daad van vervolging. Het is dus aan verweerder om aannemelijk te maken dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen . 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging. Uit de aangehaalde landeninformatie volgt niet dat er op dit moment sprake is van vervolging van mensen die behoren tot de bevolkingsgroep uit Tigray. Voor zover eiser betoogt dat hij vreest te worden gerekruteerd voor de militaire dienst, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het AAB Ethiopië uit 2024 (p. 38) dat er sinds 2024 geen sprake meer is van gedwongen rekrutering. Eiser heeft verwezen naar meerdere informatiebrieven van VWN (d.d. 5 maart 2026) over onder meer gedwongen rekrutering en de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië, maar hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een andersluidende conclusie. Deze informatie schetst namelijk geen wezenlijk ander beeld omtrent de gedwongen rekrutering voor het leger in Tigray. Daarbij staat voorop dat een groot deel van de hierin aangehaalde informatie betrekking heeft op andere delen van Ethiopië dan Tigray, waar eiser vandaan komt en waar verweerder van stelt dat hij daarnaar kan terugkeren. De landeninformatie in de brief van VWN ziet namelijk grotendeels op de regio Oromia en dateert bovendien van de periode voorafgaand aan het meest recente ambtsbericht. Voor zover de landeninformatie wel betrekking heeft op de situatie in Tigray, biedt deze informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat er op grote schaal sprake is van gedwongen rekrutering in Tigray. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de veiligheidssituatie in Tigray is verbeterd en dat er inmiddels drie jaren zijn verstreken sinds eiser gevangen is genomen in het kader van de dienstplicht. Niet is gebleken dat de autoriteiten nog op zoek naar hem zijn. Verweerder heeft in dit kader bij de besluitvorming kunnen betrekken dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet weet of hij nog wordt gezocht door de autoriteiten. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 9 oktober 2025 (NL23.36279) is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden van eiser niet een op een overeenkomen met de omstandigheden van de eiser in die zaak. 5.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees heeft of een reëel risico loopt om opnieuw gerekruteerd te worden voor het leger. De hiertoe aangedragen gronden kunnen niet slagen. Tussenconclusie 6. Gelet op hetgeen is overwogen in overwegingen 4.1. tot en met 4.3., is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 7. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. 8. De rechtbank stelt vast dat eiser, afgaande op de thans door hem opgegeven leeftijd, op 29 januari 2025 meerderjarig is geworden. Op 2 maart 2024 heeft het eerste aanmeldgehoor plaatsgevonden. Daarbij is eiser door verweerder gehoord als minderjarige. Vervolgens heeft verweerder een nieuw aanmeldgehoor op 30 april 2025 gehouden waarbij eiser is gehoord als meerderjarige. Op dat moment was eiser (als wordt uitgegaan van zijn in Nederland opgegeven geboortedatum) inmiddels meerderjarig. Het nader gehoor heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser is geschaad in zijn belangen doordat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de door hem opgegeven leeftijd in Italië.
Volledig
Hoewel de conclusies van Bureau Documenten over de doopakte en de schooldocumenten vragen oproepen, biedt dit, ook in samenhang bezien met het verschil in de door eiser opgegeven leeftijden, onvoldoende aanknopingspunten om niet langer van de presumptie van minderjarigheid uit te gaan. Daarbij is onder meer van belang dat deze documenten niet aan te merken zijn als identificerende documenten als bedoeld in paragraaf C1/4.2.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder had daarmee dus uit moeten gaan van de door eiser opgegeven leeftijd. Het bestreden besluit bevat op dit punt dus eveneens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt. Gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank dus niet in stand blijven. De gevolgen van deze conclusie komen later in deze uitspraak aan de orde. Veiligheidssituatie Tigray en rekrutering 5. Eiser voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Allereerst is van belang dat eiser eerder slachtoffer is geworden van vervolging en dat verweerder zijn asielrelaas ook geloofwaardig heeft bevonden. Daarnaast volgt uit de beschikbare landeninformatie dat er in Tigray mensenrechtenschendingen plaatsvinden, waaronder buitengerechtelijke executies, en er nog altijd sprake is van gedwongen rekrutering. De door eiser aangehaalde landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) is van recentere datum dan het AAB Ethiopië uit 2024, waar verweerder zich in de besluitvorming op baseert. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de bevolkingsgroep uit Tigray niet heeft aangemerkt als risicoprofiel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie in Tigray na het vredesakkoord van 2 november 2022 is verbeterd. Daarmee is er geen sprake van een situatie waarin de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade en evenmin is er sprake van een mate van willekeurig geweld dat individuele omstandigheden ertoe zouden kunnen leiden dat een reëel risico op ernstige schade bestaat in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (vgl. onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058). De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 23 februari 2026 heeft overgelegd waarin verschillende landeninformatie wordt aangehaald omtrent de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië. De rechtbank ziet in de aangedragen landeninformatie geen aanleiding om, voor zover eiser dat al betoogt, tot een ander oordeel te komen over de algemene situatie in Tigray. De aangehaalde landeninformatie dateert van de periode voor het AAB Ethiopië 2024. Hieruit volgt bovendien geen wezenlijk ander beeld dan reeds naar voren is gekomen in het ambtsbericht. Eiser heeft daarbij nagelaten te concretiseren in hoeverre de veiligheidssituatie is verslechterd. 5.2. De rechtbank overweegt over de door eiser gestelde vrees voor (gedwongen) rekrutering als volgt. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw volgt dat het feit dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Verweerder heeft niet betwist dat eiser in het verleden is gearresteerd en dat hij daarmee slachtoffer is geworden van een daad van vervolging. Het is dus aan verweerder om aannemelijk te maken dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen . 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging. Uit de aangehaalde landeninformatie volgt niet dat er op dit moment sprake is van vervolging van mensen die behoren tot de bevolkingsgroep uit Tigray. Voor zover eiser betoogt dat hij vreest te worden gerekruteerd voor de militaire dienst, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het AAB Ethiopië uit 2024 (p. 38) dat er sinds 2024 geen sprake meer is van gedwongen rekrutering. Eiser heeft verwezen naar meerdere informatiebrieven van VWN (d.d. 5 maart 2026) over onder meer gedwongen rekrutering en de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië, maar hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een andersluidende conclusie. Deze informatie schetst namelijk geen wezenlijk ander beeld omtrent de gedwongen rekrutering voor het leger in Tigray. Daarbij staat voorop dat een groot deel van de hierin aangehaalde informatie betrekking heeft op andere delen van Ethiopië dan Tigray, waar eiser vandaan komt en waar verweerder van stelt dat hij daarnaar kan terugkeren. De landeninformatie in de brief van VWN ziet namelijk grotendeels op de regio Oromia en dateert bovendien van de periode voorafgaand aan het meest recente ambtsbericht. Voor zover de landeninformatie wel betrekking heeft op de situatie in Tigray, biedt deze informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat er op grote schaal sprake is van gedwongen rekrutering in Tigray. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de veiligheidssituatie in Tigray is verbeterd en dat er inmiddels drie jaren zijn verstreken sinds eiser gevangen is genomen in het kader van de dienstplicht. Niet is gebleken dat de autoriteiten nog op zoek naar hem zijn. Verweerder heeft in dit kader bij de besluitvorming kunnen betrekken dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet weet of hij nog wordt gezocht door de autoriteiten. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 9 oktober 2025 (NL23.36279) is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden van eiser niet een op een overeenkomen met de omstandigheden van de eiser in die zaak. 5.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees heeft of een reëel risico loopt om opnieuw gerekruteerd te worden voor het leger. De hiertoe aangedragen gronden kunnen niet slagen. Tussenconclusie 6. Gelet op hetgeen is overwogen in overwegingen 4.1. tot en met 4.3., is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 7. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. 8. De rechtbank stelt vast dat eiser, afgaande op de thans door hem opgegeven leeftijd, op 29 januari 2025 meerderjarig is geworden. Op 2 maart 2024 heeft het eerste aanmeldgehoor plaatsgevonden. Daarbij is eiser door verweerder gehoord als minderjarige. Vervolgens heeft verweerder een nieuw aanmeldgehoor op 30 april 2025 gehouden waarbij eiser is gehoord als meerderjarige. Op dat moment was eiser (als wordt uitgegaan van zijn in Nederland opgegeven geboortedatum) inmiddels meerderjarig. Het nader gehoor heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser is geschaad in zijn belangen doordat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de door hem opgegeven leeftijd in Italië.