Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:12784
ECLI:NL:RBDHA:2026:12784 text/xml public 2026-06-04T12:13:07 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-22 C/09/692775 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12784 text/html public 2026-06-04T12:11:24 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12784 Rechtbank Den Haag , 22-04-2026 / C/09/692775 Verdeling. Partijen hebben samen een appartement in Frankrijk geërfd. De rechtbank is van oordeel dat de in het testament opgenomen aanbiedingsregeling niet van toepassing is op de vaststelling van de wijze van verdeling door de rechter, maar enkel op de situatie waarin één van de partijen het eigen aandeel wil vervreemden. Nu het appartement zal worden verdeeld, is er geen belang meer bij de vorderingen omtrent het gebruik en beheer van het appartement. RECHTBANK Den Haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/692775 / HA ZA 25-877 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [partij 1] te [woonplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. R. van Biezen, tegen [partij 2] te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie Partijen worden hierna ‘ [partij 1] ’ en ‘ [partij 2] ’ genoemd. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. [partij 1] en [partij 2] hebben in 2000 samen een appartement in Frankrijk geërfd van hun vader. In de loop van de tijd zijn er geschillen ontstaan tussen hen over de wijze van gebruik en beheer, die zij niet onderling kunnen oplossen. Beide partijen hebben gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van het appartement vaststelt. 1.2. [partij 1] meent dat zij op basis van een aanbiedingsregeling uit het testament in de gelegenheid moet worden gesteld om het aandeel in het appartement van [partij 2] over te nemen tegen de waarde waarover successierecht is betaald. De rechtbank is echter van oordeel dat deze aanbiedingsregeling niet van toepassing is op de vaststelling van de wijze van verdeling door de rechter, maar enkel op de situatie waarin één van de partijen het eigen aandeel wil vervreemden. [partij 1] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld het appartement over te nemen tegen de actuele marktwaarde. Als [partij 1] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dan zal het appartement worden verkocht aan een derde en zal de opbrengst worden verdeeld. 1.3. Verder is de rechtbank van oordeel dat [partij 1] , nu het appartement zal worden verdeeld, geen belang meer heeft bij haar vorderingen omtrent het gebruik en beheer. Deze vorderingen worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 30 september 2025 met producties 1 en 2; de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 18; de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties 3 tot en met 6; de brief van [partij 1] van 2 maart 2026 met producties 7 tot en met 9; de ‘conclusie van antwoord in reconventie’ van [partij 2] waarbij tevens de eis in reconventie is vermeerderd, door de rechtbank ontvangen op 2 maart 2026, met producties 19 tot en met 28; het bericht van [partij 2] van 3 maart 2026 met productie 29; het bericht van [partij 1] van 6 maart 2026 met producties 10 tot en met 12; de uitlating vermeerdering eis zijdens [partij 1] . 2.2. Op 12 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. [partij 1] en [partij 2] zijn dochters van [erflater] . 3.2. [erflater] is overleden in het jaar 2000. 3.3. [erflater] beschikte ten tijde van zijn overlijden over een appartement te [plaats] in Frankrijk, [adres] (hierna: ‘het appartement’). 3.4. In het laatstelijk door [erflater] opgemaakte testament is – voor zover relevant – het volgende bepaald: “(…) II. Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn beide dochters, gezamenlijk voor gelijke delen, met in achtneming evenwel van de regels van plaatsv schilderen wanden en plafond; k. plaatsen van air conditioning; 8. [partij 2] veroordeelt om binnen 30 dagen na vonnis een voorschot te betalen van € 5.000,- ten behoeve van het onder 7 letters a tot en met h gevorderde; 9. [partij 2] veroordeelt om binnen 60 dagen na vonnis een voorschot te betalen van € 10.000,- ten behoeve van het onder 7 letters i tot en met k gevorderde; 10. de wijze van verdeling van het appartement vaststelt, waarbij [partij 2] wordt verplicht haar aandeel over te doen aan [partij 1] berekend naar die welke tot grondslag heeft gediend voor de heffing van het recht van successie; 11. [partij 2] veroordeelt medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het appartement aan [partij 1] onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag waarop [partij 2] daarmee in gebreke blijft na verloop van twee weken nadat zij daartoe is gesommeerd door een Franse notaris; 12. voorwaardelijk, indien de rechtbank een wijze van verdeling bepaalt waarbij het appartement aan een derde wordt verkocht, dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard; 13. voorwaardelijk, indien de rechtbank een wijze van verdeling bepaalt waarbij het appartement aan een derde wordt verkocht, dat de rechtbank voor recht verklaart dat [partij 1] het recht heeft om het appartement over te nemen voor een waarde gelijk aan de hoogste bieding plus € 1,00, waarbij zij de helft van die waarde aan [partij 2] dient te voldoen en [partij 2] dient mee te werken aan de levering van haar aandeel aan [partij 1] ; 14. [partij 2] veroordeelt in de proceskosten. 4.2. [partij 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij 1] in de kosten van het geding. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover vereist, nader ingegaan. In reconventie 4.4. [partij 2] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: bepaalt dat de nalatenschap alsnog verdeeld wordt; primair: de wijze van verdeling bepaalt inhoudende dat het appartement aan een derde wordt verkocht; bepaalt dat er een onafhankelijke en gekwalificeerde taxateur benoemd wordt om het appartement bindend te taxeren tegen de waarde in het economisch verkeer met als peildatum januari 2026 althans de datum van feitelijke verdeling, waarbij de kosten van de taxatie ten laste van de verkoopopbrengst gebracht zullen worden; bepaalt dat [partij 1] dient mee te werken aan alle (rechts-)handelingen die nodig zijn om het onroerend goed te taxeren en te verkopen: [partij 1] veroordeelt om binnen 2 dagen nadat het vonnis gewezen is, medewerking te verlenen door het verlenen van toegang aan de makelaar voor de taxatie en verkoop van de woning, aan de ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar en om in te stemmen met de vraagprijs die door deze makelaar bindend wordt geadviseerd; [partij 1] veroordeelt om medewerking te verlenen aan het openstellen van het appartement voor bezichtigingen door gegadigden; [partij 1] veroordeelt om mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst op het moment dat er een kandidaat-koper is die een prijs wil betalen die tussen de laat- en vraagprijs ligt, zoals de makelaar die (bindend) adviseert; [partij 1] veroordeelt tot het meewerken aan het passeren van de notariële akte om het appartement aan de koper te leveren; [partij 1] veroordeelt om aan [partij 2] een dwangsom van € 250,00 te betalen voor iedere keer c.q. dag en/of dagdeel dat zij niet aan de vorderingen onder punten 1 tot en met 8 voldoet; bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de rechtshandelingen te verrichten door [partij 1] , te weten het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële akte, indien [partij 1] binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke zou zijn gebleven haar medewerking te verlenen zoals onder punten 1 tot en met 8 vermeld, dan wel [partij 1] te machtigen tot Toepasselijk recht 5.6. Het appartement is gelegen in Frankrijk, zodat de vraag opkomt welk recht van toepassing is op de beoordeling van de vorderingen tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap. De rechtbank is, net als partijen, van oordeel dat de vordering om de wijze van verdeling vast te stellen, beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht. De rechtbank is van oordeel dat dit kan worden afgeleid uit artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat Nederlands recht altijd van toepassing is op Nederlandse rechterlijke procedures. Weliswaar heeft voornoemde vordering niet te maken met procesrechtelijke kwesties, maar heeft die wel betrekking op procesmatige handelingen. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen. Wettelijk kader 5.7. Op grond van artikel 3:175 lid 1 BW kan, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, ieder van hen over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken. 5.8. Indien de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, kan de rechter op grond van artikel 3:185 lid 1 BW op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Beoordeling 5.9. [partij 1] heeft gesteld dat het appartement op grond van artikel V van het testament van [erflater] – zoals hiervoor in par. 3.4 geciteerd – (hierna: “de last”) aan haar moet worden toebedeeld tegen de waarde die tot grondslag heeft gediend bij de heffing van het successierecht. De reden daarvoor is, zoals [partij 1] ter zitting heeft bevestigd, dat [partij 2] het appartement wil vervreemden en daarom verplicht is haar aandeel tegen deze prijs aan [partij 1] aan te bieden. Dit volgt volgens [partij 1] uit de tekst van de last en er is volgens [partij 1] geen ruimte voor een uitleg van de last. [partij 2] heeft dit standpunt weersproken. Volgens [partij 2] moet de last worden uitgelegd en volgt daaruit dat deze last niet van toepassing is op de situatie waarin de rechter de eenvoudige gemeenschap verdeelt. 5.10. De rechtbank is van oordeel dat de bepaling in het testament niet van toepassing is op de wijze van verdeling door de rechter, maar enkel op de situatie waarin één van de partijen het aandeel wil vervreemden, en overweegt daartoe als volgt. 5.11. Omdat het testament is opengevallen in 2000 en sprake is van onder oud erfrecht verkregen rechten, is volgens artikel 69 Overgangswet NBW het toenmalige (oude) erfrecht van toepassing en dus niet de artikel 4:46 BW en artikel 4:47 BW. De wijze van uitleg onder het oude erfrecht en het nieuwe erfrecht ontlopen elkaar evenwel niet veel. Onder het oude recht werd de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen beheerst door artikel 4:932 BW (oud) en artikel 4:933 BW (oud). Die artikelen hielden in dat niet door uitleg mag worden afgeweken van de bewoordingen in het testament die ‘duidelijk’ zijn en dat slechts in geval van dubbelzinnige bewoordingen mag worden nagegaan wat de bedoeling van de erflater is geweest. De Hoge Raad heeft in dat kader evenwel geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking ‘duidelijk’ zijn, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. 5.12. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [partij 1] niet wordt gevolgd in haar beroep op de last. Volgens de letterlijke tekst van de last ziet deze immers op de situatie waarin ‘ één hunner haar aandeel in het appartementsrecht wenst te vervreemden’ . Tekstueel heeft deze last daarmee betrekking op vervreemding van het aandeel door één van de deelgenoten zoals dat nu geregeld is in artikel 3:175 lid 1 BW. Uit de tekst van de last volgt niet dat de last ook ziet op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap door de rechter, zoals [partij 1] betoogt. 5.13. Indien geoordeeld zou w [partij 1] heeft verder – samengevat – diverse vorderingen ingesteld omtrent het gebruik en beheer van het appartement (de vorderingen genoemd in par. 4.1 onder 1 tot en met 9). 5.21. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende heeft onderbouwd waarin haar belang bij deze vorderingen nog is gelegen, gegeven het feit dat het appartement zal worden verdeeld. [partij 1] heeft aangevoerd dat partijen de nodige praktische uitdagingen zullen ervaren bij de verdeling, aangezien het een appartement in Frankrijk betreft, waardoor het ook voor de tussentijd wenselijk kan zijn om voorzieningen te treffen. De rechtbank overweegt echter dat partijen al gedurende 26 jaar gemeenschappelijk eigenaar zijn van het appartement en dat daarom - zonder specifieke onderbouwing - niet valt in te zien waarom er met het oog op het proces van verdeling in de tussentijd voorzieningen omtrent gebruik en beheer moeten worden getroffen. Daarbij komt dat het voor partijen mogelijk is om de verdeling plaats te laten vinden ten overstaan van een Nederlandse notaris gespecialiseerd in (de verdeling van) onroerend goed in Frankrijk, waardoor de door [partij 1] verwachte praktische uitdagingen grotendeels kunnen worden ondervangen. 5.22. De vordering van [partij 1] tot het afleggen van rekening en verantwoording door [partij 2] wordt eveneens afgewezen. Deze vordering heeft betrekking op de bankrekening die op naam staat van [partij 2] en die wordt aangehouden bij een Franse bank. Van deze bankrekening worden – zo begrijpt de rechtbank – kosten afgeschreven die worden gemaakt ten behoeve van het appartement. [partij 1] heeft onweersproken gesteld dat ze – onverplicht – altijd al de bankafschriften van die bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan de zoon van [partij 2] , die namens haar in deze handelt. [partij 1] heeft niet toegelicht welk belang ze nog heeft bij haar vordering. 5.23. De vorderingen van [partij 1] worden dus afgewezen. Dit oordeel brengt ook met zich dat de vordering van [partij 2] in reconventie - om te bepalen dat de kosten van eventuele beheerder gelijkelijk moeten worden gedeeld - wordt afgewezen. Proceskosten 5.24. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6 De beslissing De rechtbank: In conventie en in reconventie 6.1. stelt de wijze van verdeling van het appartement als volgt vast: Primair: overname van het appartement door [partij 1] 6.1.1. stuurt binnen twee weken na datum van dit vonnis – dus uiterlijk op 6 mei 2026 – een bericht aan [partij 2] , waarin zij drie verschillende makelaars voorstelt die de woning kunnen taxeren tegen de actuele marktwaarde. Uit deze drie makelaars kiest [partij 2] er één. Zij bericht [partij 1] binnen één week na het voorstel van [partij 1] over haar keuze. Als één van de partijen niet tijdig een voorstel of een keuze doet, heeft de andere partij het recht om de makelaar eenzijdig aan te wijzen. Partijen zullen vervolgens gezamenlijk een opdracht verlenen aan de gekozen of aangewezen makelaar om het appartement te taxeren. De makelaar stelt de actuele marktwaarde voor partijen bindend vast. Beide partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld (een vertegenwoordiger) bij de taxatie aanwezig te (laten) zijn. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen; 6.1.2. het appartement wordt toegedeeld aan [partij 1] , onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen één maand na de datum van het taxatierapport (i) bij [partij 2] aangeeft dat zij het appartement over wil nemen en (ii) aantoont dat zij het appartement kan financieren; 6.1.3. indien aan de hiervoor onder 6.1.2 genoemde voorwaarden (i) en (ii) wel wordt voldaan, zal [partij 2] haar aandeel in het appartement zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één maand na het moment waarop [partij 2] aantoont dat zij de benodigde financiering kan verkrijgen, leveren aan [partij 1] . [partij 2