Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:12779
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,070 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 text/xml public 2026-05-20T17:47:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL26.26297 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 text/html public 2026-05-20T17:46:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL26.26297 bewaring – artikel 59a, eerste lid, van de Vw – zware gronden betwist – lichter middel – ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.26297 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. Y. Özdemir) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Maatregel van bewaring 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder, onder verwijzing naar het claimakkoord van Kroatië van 29 november 2024, overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. 3. Eiser betwist alle zware gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij Nederland om asielgerelateerde redenen is binnengekomen en zich direct na aankomst heeft gemeld. Ook heeft hij in Kroatië geen asielaanvraag ingediend. Verder heeft hij zich niet aan het toezicht onttrokken, nu hij voor verweerder steeds bereikbaar en beschikbaar was en altijd op afspraken is verschenen. Tot slot werkt hij wel degelijk mee aan de overdracht. Dit volgt ook uit het vertrekgesprek van 12 mei 2026. 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Ten aanzien van zware grond 3a stelt de rechtbank vast dat eiser zelf heeft verklaard op illegale wijze naar Nederland te zijn gekomen en niet te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Daarmee is deze grond feitelijk juist. Zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Eiser is op 6 maart 2024 immers met onbekende bestemming vertrokken. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgronden gericht tegen de zware grond 3k en de lichte gronden kunnen daarom verder onbesproken blijven. Lichter middel 5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser wijst erop dat de op 21 mei 2026 geplande overdracht buiten zijn toedoen geen doorgang zal vinden. Daarnaast komt hij zijn afspraken steeds na en wil hij in Nederland blijven. Om die reden bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zal onderduiken. Dat de op 21 mei 2026 geplande overdracht buiten zijn toedoen geen doorgang zal vinden, maakt dit niet anders. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Ambtshalve toets 7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) Nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. Proces-verbaal van gehoor van 8 mei 2026, p. 2 van 8.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 text/xml public 2026-05-20T17:47:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL26.26297 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 text/html public 2026-05-20T17:46:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12779 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL26.26297 bewaring – artikel 59a, eerste lid, van de Vw – zware gronden betwist – lichter middel – ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.26297 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. Y. Özdemir) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Maatregel van bewaring 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder, onder verwijzing naar het claimakkoord van Kroatië van 29 november 2024, overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. 3. Eiser betwist alle zware gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij Nederland om asielgerelateerde redenen is binnengekomen en zich direct na aankomst heeft gemeld. Ook heeft hij in Kroatië geen asielaanvraag ingediend. Verder heeft hij zich niet aan het toezicht onttrokken, nu hij voor verweerder steeds bereikbaar en beschikbaar was en altijd op afspraken is verschenen. Tot slot werkt hij wel degelijk mee aan de overdracht. Dit volgt ook uit het vertrekgesprek van 12 mei 2026. 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Ten aanzien van zware grond 3a stelt de rechtbank vast dat eiser zelf heeft verklaard op illegale wijze naar Nederland te zijn gekomen en niet te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Daarmee is deze grond feitelijk juist. Zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Eiser is op 6 maart 2024 immers met onbekende bestemming vertrokken. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgronden gericht tegen de zware grond 3k en de lichte gronden kunnen daarom verder onbesproken blijven. Lichter middel 5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser wijst erop dat de op 21 mei 2026 geplande overdracht buiten zijn toedoen geen doorgang zal vinden. Daarnaast komt hij zijn afspraken steeds na en wil hij in Nederland blijven. Om die reden bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zal onderduiken. Dat de op 21 mei 2026 geplande overdracht buiten zijn toedoen geen doorgang zal vinden, maakt dit niet anders. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Ambtshalve toets 7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) Nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. Proces-verbaal van gehoor van 8 mei 2026, p. 2 van 8.