Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:12760
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,607 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 text/xml public 2026-05-20T15:29:10 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL25.59294 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 text/html public 2026-05-20T15:27:44 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL25.59294 Vovo, verweerder verzet zich niet RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59294 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], verzoekster, [geboortedatum verzoekster], [V-nummer verzoekster], van Turkse nationaliteit, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. 1.1. Bij besluit van 2 december 2025 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een reguliere verblijfsvergunning afgewezen. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoekster het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten. 1.3. De minister heeft op 1 april 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist. 4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist; veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 text/xml public 2026-05-20T15:29:10 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL25.59294 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 text/html public 2026-05-20T15:27:44 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12760 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL25.59294 Vovo, verweerder verzet zich niet RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.59294 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], verzoekster, [geboortedatum verzoekster], [V-nummer verzoekster], van Turkse nationaliteit, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. 1.1. Bij besluit van 2 december 2025 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een reguliere verblijfsvergunning afgewezen. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoekster het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten. 1.3. De minister heeft op 1 april 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist. 4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist; veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.