Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:12593
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 text/xml public 2026-05-20T10:02:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL24.45810 en NL24.45812 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 text/html public 2026-05-19T14:51:03 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL24.45810 en NL24.45812 8 EVRM privéleven ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.45810 (beroep) NL24.45812 (voorlopige voorziening V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1988, van Tunesische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. P. Le Heux), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.I. Lemmers). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 1 april 2023 en het opgelegde terugkeerbesluit. 1.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De minister heeft met het besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) eisers bezwaar ongegrond verklaard. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de minister de verblijfsvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van een partnerrelatie van 16 mei 2011 tot 1 september 2013. Deze verblijfsvergunning is ingetrokken omdat de relatie is beëindigd. Daarna heeft eiser zonder verblijfstitel in Nederland verbleven. Op 5 april 2019 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘verblijf bij partner’, namelijk bij [referente] (hierna: referente). Eiser heeft met ingang van 6 november 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente gekregen. Op 29 maart 2023 heeft referente bij de minister gemeld dat de relatie met ingang van 1 april 2023 is beëindigd. De minister heeft vervolgens op 14 februari 2024 een voornemen verstuurd om de verblijfsvergunning in te trekken. Op 25 maart 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2023 ingetrokken en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend en vervolgens is eiser gehoord. Bij het bestreden besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Omvang van het geschil 5. Tussen partijen is niet in geschil dat de relatie tussen eiser en referente is beëindigd en dat daarmee de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan eiser is afgegeven is komen te vervallen. Evenmin is in geschil dat er geen sprake is van familieleven. 6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister een vergunning aan eiser had moeten geven op grond van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft wel vastgesteld dat er sprake is van privéleven, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen. Belangenafweging in het kader van privéleven 7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de intrekking en weigering van een verblijfsvergunning aan eiser geen schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. Aan het privéleven van eiser wordt onvoldoende gewicht toegekend. Eiser heeft namelijk vrijwel zijn hele volwassen leven in Nederland gewoond en gewerkt. Ook heeft hij verschillende keren een verblijfsvergunning gehad en wist hij gedurende een periode niet dat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken. Hij heeft verder nooit een beroep gedaan op de algemene middelen. Ook heeft eiser een goede baan, een vast contract, altijd gewerkt en belasting betaald. De conclusie van de minister dat eiser sterkere banden met Tunesië dan met Nederland heeft, wordt niet door de feiten gedragen. Eiser verricht bovendien essentiële mantelzorgtaken voor een goede vriend en hij heeft een uitgebreid sociaal netwerk opgebouwd in Nederland. De minister heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarom het economische belang van Nederland wordt geschaad door de aanwezigheid van eiser. Tenslotte heeft de minister de positieve bijdrage die eiser levert aan de Nederlandse economie niet voldoende zorgvuldig onderzocht en meegewogen. 8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de inmenging in het privéleven van eiser in Nederland is gerechtvaardigd in het licht van het economisch belang van Nederland. Dat eiser niet meer voldoet aan het doel van zijn verblijfsvergunning is in zijn nadeel gewogen. Ook is in zijn nadeel gewogen dat eiser hierbij gebruik blijft maken van de voorzieningen die vanuit de algemene middelen worden betaald als gezondheidszorg en huisvesting. Dit belang weegt minder zwaar omdat eiser werkt, maar aan eisers werk kan geen doorslaggevende waarde worden toegekend. Hoewel eiser een vast contract heeft en geen beroep doet op de algemene middelen, neemt hij met dit werk waarschijnlijk een arbeidsplaats in die ook door iemand met rechtmatig verblijf in Nederland kan worden vervuld. Daarnaast verblijft eiser weliswaar al meer dan vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft daarvan slechts vijf jaar legaal verblijf gehad. Eisers verklaring dat hij zich niet bewust is geweest van (een deel van) zijn illegale verblijf heeft hij niet onderbouwd. Eisers sociale contacten zijn in zijn voordeel meegewogen, maar kunnen vanuit het buitenland worden onderhouden en maken niet dat eiser recht heeft op bescherming van zijn privéleven. Tenslotte is op de zitting besproken dat eisers mantelzorgtaken voorafgaand aan het bestreden besluit zijn vervuld en dat daar geen sprake meer van is. Artikel 3 van het EVRM 9. Eiser stelt verder dat hij in Tunesië een ernstig risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM loopt. Hij is twee keer zonder enige reden vastgezet en afgeperst door de politie tijdens zijn laatste twee bezoeken aan Tunesië in 2022 en 2023. Hij heeft ook een document overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2022 is aangehouden. Eiser zal ook gevaar lopen als hij terug moet naar Tunesië omdat hij is verwesterd, tatoeages heeft en geen moslim meer is. 10. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen reëel risico is op refoulement en dat er in het kader van het arrest Ararat een voldoende actuele beoordeling is gemaakt. Eiser heeft zijn stellingen niet nader geconcretiseerd en de overgelegde documenten tonen niet aan dat eiser is onderworpen aan strafrechtelijke vervolging. Ter zitting heeft de minister ten aanzien van het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM verder toegelicht dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Tunesië te maken krijgt met een evidente schending van artikel 3 van het EVRM. Tunesië wordt namelijk over het algemeen gezien als een veilig land van herkomst. De aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geldt echter niet ten aanzien van personen die te maken krijgen met (strafrechtelijke) vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Tunesië bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 text/xml public 2026-05-20T10:02:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL24.45810 en NL24.45812 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 text/html public 2026-05-19T14:51:03 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12593 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL24.45810 en NL24.45812 8 EVRM privéleven ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.45810 (beroep) NL24.45812 (voorlopige voorziening V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1988, van Tunesische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. P. Le Heux), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.I. Lemmers). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 1 april 2023 en het opgelegde terugkeerbesluit. 1.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De minister heeft met het besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) eisers bezwaar ongegrond verklaard. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de minister de verblijfsvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van een partnerrelatie van 16 mei 2011 tot 1 september 2013. Deze verblijfsvergunning is ingetrokken omdat de relatie is beëindigd. Daarna heeft eiser zonder verblijfstitel in Nederland verbleven. Op 5 april 2019 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘verblijf bij partner’, namelijk bij [referente] (hierna: referente). Eiser heeft met ingang van 6 november 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente gekregen. Op 29 maart 2023 heeft referente bij de minister gemeld dat de relatie met ingang van 1 april 2023 is beëindigd. De minister heeft vervolgens op 14 februari 2024 een voornemen verstuurd om de verblijfsvergunning in te trekken. Op 25 maart 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2023 ingetrokken en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend en vervolgens is eiser gehoord. Bij het bestreden besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Omvang van het geschil 5. Tussen partijen is niet in geschil dat de relatie tussen eiser en referente is beëindigd en dat daarmee de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan eiser is afgegeven is komen te vervallen. Evenmin is in geschil dat er geen sprake is van familieleven. 6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister een vergunning aan eiser had moeten geven op grond van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft wel vastgesteld dat er sprake is van privéleven, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen. Belangenafweging in het kader van privéleven 7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de intrekking en weigering van een verblijfsvergunning aan eiser geen schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. Aan het privéleven van eiser wordt onvoldoende gewicht toegekend. Eiser heeft namelijk vrijwel zijn hele volwassen leven in Nederland gewoond en gewerkt. Ook heeft hij verschillende keren een verblijfsvergunning gehad en wist hij gedurende een periode niet dat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken. Hij heeft verder nooit een beroep gedaan op de algemene middelen. Ook heeft eiser een goede baan, een vast contract, altijd gewerkt en belasting betaald. De conclusie van de minister dat eiser sterkere banden met Tunesië dan met Nederland heeft, wordt niet door de feiten gedragen. Eiser verricht bovendien essentiële mantelzorgtaken voor een goede vriend en hij heeft een uitgebreid sociaal netwerk opgebouwd in Nederland. De minister heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarom het economische belang van Nederland wordt geschaad door de aanwezigheid van eiser. Tenslotte heeft de minister de positieve bijdrage die eiser levert aan de Nederlandse economie niet voldoende zorgvuldig onderzocht en meegewogen. 8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de inmenging in het privéleven van eiser in Nederland is gerechtvaardigd in het licht van het economisch belang van Nederland. Dat eiser niet meer voldoet aan het doel van zijn verblijfsvergunning is in zijn nadeel gewogen. Ook is in zijn nadeel gewogen dat eiser hierbij gebruik blijft maken van de voorzieningen die vanuit de algemene middelen worden betaald als gezondheidszorg en huisvesting. Dit belang weegt minder zwaar omdat eiser werkt, maar aan eisers werk kan geen doorslaggevende waarde worden toegekend. Hoewel eiser een vast contract heeft en geen beroep doet op de algemene middelen, neemt hij met dit werk waarschijnlijk een arbeidsplaats in die ook door iemand met rechtmatig verblijf in Nederland kan worden vervuld. Daarnaast verblijft eiser weliswaar al meer dan vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft daarvan slechts vijf jaar legaal verblijf gehad. Eisers verklaring dat hij zich niet bewust is geweest van (een deel van) zijn illegale verblijf heeft hij niet onderbouwd. Eisers sociale contacten zijn in zijn voordeel meegewogen, maar kunnen vanuit het buitenland worden onderhouden en maken niet dat eiser recht heeft op bescherming van zijn privéleven. Tenslotte is op de zitting besproken dat eisers mantelzorgtaken voorafgaand aan het bestreden besluit zijn vervuld en dat daar geen sprake meer van is. Artikel 3 van het EVRM 9. Eiser stelt verder dat hij in Tunesië een ernstig risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM loopt. Hij is twee keer zonder enige reden vastgezet en afgeperst door de politie tijdens zijn laatste twee bezoeken aan Tunesië in 2022 en 2023. Hij heeft ook een document overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2022 is aangehouden. Eiser zal ook gevaar lopen als hij terug moet naar Tunesië omdat hij is verwesterd, tatoeages heeft en geen moslim meer is. 10. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen reëel risico is op refoulement en dat er in het kader van het arrest Ararat een voldoende actuele beoordeling is gemaakt. Eiser heeft zijn stellingen niet nader geconcretiseerd en de overgelegde documenten tonen niet aan dat eiser is onderworpen aan strafrechtelijke vervolging. Ter zitting heeft de minister ten aanzien van het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM verder toegelicht dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Tunesië te maken krijgt met een evidente schending van artikel 3 van het EVRM. Tunesië wordt namelijk over het algemeen gezien als een veilig land van herkomst. De aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geldt echter niet ten aanzien van personen die te maken krijgen met (strafrechtelijke) vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Tunesië bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.