Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:12586
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 text/xml public 2026-05-19T14:39:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL25.32549 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 text/html public 2026-05-19T14:39:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL25.32549 De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen. Eiser komt uit Turkije en is betrokken bij de Gülenbeweging. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat bij eiser sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare geringe indicaties waardoor hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Turkije als hij zijn levensovertuiging (Gülenist) wil blijven uiten. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32549 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Muhammed Kartal, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.C. Ohrtman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4. staan de van belang zijnde onderdelen uit het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is de beleidswijziging voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rechtmatig; is aannemelijk dat eiser een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt; wordt van eiser verlangd dat hij zich bij terugkeer terughoudend opstelt; heeft de minister uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 2 april 2025. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 september 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 28 februari 2024 deze aanvraag afgewezen. In de uitspraak van 2 april 2025 is dit besluit vernietigd. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft de minister opnieuw de asielaanvraag van eiser afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Arpat als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en komt uit Turkije. Hij is Gülenist en vreest om die reden voor strafrechtelijke vervolging. Zijn broer is om dezelfde reden vervolgd, en deze procedure loopt nog. In militaire dienst is eisers rang verlaagd zonder opgave van redenen. Hij heeft persoonlijk geen problemen ondervonden met de Turkse autoriteiten. Dit geldt ook voor zijn andere gezinsleden. Eiser heeft verklaard dat hij op een dershane van de Hizmet-beweging heeft gezeten (gelieerd aan de Gülen-beweging), dat hij in een huis van de beweging heeft verbleven en dat hij activiteiten voor de beweging heeft verricht. Omdat de overheid volgens eiser het minste bewijs al aangrijpt om iemand ergens van te beschuldigen, vreest hij vanwege het voorgaande dat hem hetzelfde te wachten staat. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; eiser is betrokken bij de Gülen-beweging. De minister vindt beide elementen geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten of dat dit bij terugkeer zo zal zijn. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. Is de beleidswijziging voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rechtmatig? 5. Eiser voert aan dat het enkel zijn van een Gülen-aanhanger voldoende is om in aanmerking te komen voor een asielvergunning en dat de beleidswijziging ten aanzien van Gülen-aanhangers onrechtmatig is. Volgens eiser worden Gülen-aanhangers nog altijd vervolgd in Turkije. Van een verbetering van de situatie in Turkije is geen sprake. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de algemene ambtsberichten van Turkije, het rapport van de Finse Migratiediensten van juni 2024 en het landenrapport van augustus 2025 van het Britse UK Home Office. 6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met ingang van 1 december 2023 heeft de minister het risicogroepenbeleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten gewijzigd. Hierdoor geldt niet meer dat, bij het ontbreken van geringe indicaties, de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”. In drie uitspraken van 25 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Is aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade? 7. Verder voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd door de autoriteiten. Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij verwijst hiervoor naar de problemen die zijn broer heeft gehad met de Turkse autoriteiten, zijn degradatie tijdens de dienstplicht en zijn vermeende geldschuld bij de dershane. Verder merkt eiser nog op dat hij in Nederland activiteiten verricht voor de Stichting [naam 1] . 8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat bij eiser sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare geringe indicaties waardoor hij een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daarvoor heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. 8.1. De minister heeft niet aannemelijk mogen vinden dat eiser vanwege de problemen van zijn broer persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat dan wel zal komen te staan. De minister gelooft dat eisers broer Gülenist is, hij als onderofficier is ontslagen en de Turkse overheid een strafzaak tegen hem is begonnen. Dit betekent echter niet dat eiser hetzelfde lot staat te wachten. Ook betekent dit niet dat de Turkse overheid op de hoogte is van eisers Gülenisme. Daarvoor heeft de minister onder andere het tijdsverloop relevant mogen vinden. De problemen met eisers broer begonnen in 2018. Hoewel eiser Gülenist is en in dat kader vreest voor zijn leven, is eiser zelf pas halverwege 2022 vertrokken uit Turkije.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 text/xml public 2026-05-19T14:39:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL25.32549 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 text/html public 2026-05-19T14:39:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12586 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL25.32549 De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen. Eiser komt uit Turkije en is betrokken bij de Gülenbeweging. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat bij eiser sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare geringe indicaties waardoor hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Turkije als hij zijn levensovertuiging (Gülenist) wil blijven uiten. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32549 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Muhammed Kartal, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.C. Ohrtman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4. staan de van belang zijnde onderdelen uit het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is de beleidswijziging voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rechtmatig; is aannemelijk dat eiser een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt; wordt van eiser verlangd dat hij zich bij terugkeer terughoudend opstelt; heeft de minister uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 2 april 2025. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 september 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 28 februari 2024 deze aanvraag afgewezen. In de uitspraak van 2 april 2025 is dit besluit vernietigd. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft de minister opnieuw de asielaanvraag van eiser afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Arpat als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en komt uit Turkije. Hij is Gülenist en vreest om die reden voor strafrechtelijke vervolging. Zijn broer is om dezelfde reden vervolgd, en deze procedure loopt nog. In militaire dienst is eisers rang verlaagd zonder opgave van redenen. Hij heeft persoonlijk geen problemen ondervonden met de Turkse autoriteiten. Dit geldt ook voor zijn andere gezinsleden. Eiser heeft verklaard dat hij op een dershane van de Hizmet-beweging heeft gezeten (gelieerd aan de Gülen-beweging), dat hij in een huis van de beweging heeft verbleven en dat hij activiteiten voor de beweging heeft verricht. Omdat de overheid volgens eiser het minste bewijs al aangrijpt om iemand ergens van te beschuldigen, vreest hij vanwege het voorgaande dat hem hetzelfde te wachten staat. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; eiser is betrokken bij de Gülen-beweging. De minister vindt beide elementen geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten of dat dit bij terugkeer zo zal zijn. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. Is de beleidswijziging voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rechtmatig? 5. Eiser voert aan dat het enkel zijn van een Gülen-aanhanger voldoende is om in aanmerking te komen voor een asielvergunning en dat de beleidswijziging ten aanzien van Gülen-aanhangers onrechtmatig is. Volgens eiser worden Gülen-aanhangers nog altijd vervolgd in Turkije. Van een verbetering van de situatie in Turkije is geen sprake. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de algemene ambtsberichten van Turkije, het rapport van de Finse Migratiediensten van juni 2024 en het landenrapport van augustus 2025 van het Britse UK Home Office. 6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met ingang van 1 december 2023 heeft de minister het risicogroepenbeleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten gewijzigd. Hierdoor geldt niet meer dat, bij het ontbreken van geringe indicaties, de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”. In drie uitspraken van 25 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Is aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade? 7. Verder voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd door de autoriteiten. Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij verwijst hiervoor naar de problemen die zijn broer heeft gehad met de Turkse autoriteiten, zijn degradatie tijdens de dienstplicht en zijn vermeende geldschuld bij de dershane. Verder merkt eiser nog op dat hij in Nederland activiteiten verricht voor de Stichting [naam 1] . 8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat bij eiser sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare geringe indicaties waardoor hij een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daarvoor heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. 8.1. De minister heeft niet aannemelijk mogen vinden dat eiser vanwege de problemen van zijn broer persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat dan wel zal komen te staan. De minister gelooft dat eisers broer Gülenist is, hij als onderofficier is ontslagen en de Turkse overheid een strafzaak tegen hem is begonnen. Dit betekent echter niet dat eiser hetzelfde lot staat te wachten. Ook betekent dit niet dat de Turkse overheid op de hoogte is van eisers Gülenisme. Daarvoor heeft de minister onder andere het tijdsverloop relevant mogen vinden. De problemen met eisers broer begonnen in 2018. Hoewel eiser Gülenist is en in dat kader vreest voor zijn leven, is eiser zelf pas halverwege 2022 vertrokken uit Turkije.
Volledig
Dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van de vrees dat eiser hetzelfde lot te wachten staat. Verder heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser heeft verklaard dat zijn andere familieleden tot op heden van de overheid geen problemen hebben ondervonden. Dit doet ook afbreuk aan de aannemelijkheid van de vrees dat eiser hetzelfde lot staat te wachten als zijn broer. 8.2. Verder heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eisers degradatie tijdens de militaire dienstplicht te maken had met zijn betrokkenheid bij het Gülenisme of dat van zijn broer. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de rang van eiser en die van andere personen is gewijzigd. Uit dit stuk blijkt niet de reden van de wijziging. Eiser verklaart hierover dat hij niet weet waarom hij in rang werd verlaagd. Hij moest zich samen met dertien mensen melden in de trainingsruimte. Daar werd hen medegedeeld dat hun functie als onderofficier kwam te vervallen en dat zij hier afstand van moesten doen. Dat eiser denkt dat hij is gedegradeerd vanwege de problemen van zijn broer, is slechts een niet nader onderbouwd vermoeden. Daar heeft de minister niet de waarde aan hoeven toekennen die eiser daaraan toekent. Verder heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser zijn militaire dienstperiode vervolgens volledig en zonder problemen heeft afgerond. 8.3. Ook heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser vanwege het volgen van onderwijs aan de dershane in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of komt te staan. Eiser heeft een document overgelegd waaruit volgt dat er een bedrag van 2.500 Turkse lira open staat voor het onderwijs dat hij heeft gevolgd. Dit document is naar zijn vader gestuurd met het verzoek dit te betalen. Uit dit document volgt niet dat eiser hiermee in verband wordt gebracht met de Gülen-beweging. Van belang is dat in het document niet valt te lezen welke onderwijsinstelling het betreft of wie de incassant is. Verder heeft de minister het tijdsverloop van belang mogen vinden. De schuld is ontstaan tijdens het schooljaar 2015/2016. De brief gericht aan eisers vader dateert uit 2018. Eiser is naar eigen zeggen in 2022 hiervan op de hoogte gekomen. Al die tijd heeft eiser geen problemen ondervonden van de Turkse overheid. Hij heeft kunnen werken en heeft zonder problemen identiteitsdocumenten kunnen aanvragen. Ook heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser in 2022 probleemloos Turkije op legale wijze heeft kunnen verlaten. Eiser heeft verklaard dat zijn familieleden evenmin problemen hebben ondervonden. 8.4. Het wordt aannemelijk geacht dat eiser deelneemt aan de activiteiten van de Stichting [naam 1] en wat hij hierover heeft verklaard. Dat hij hierdoor in de negatieve aandacht van de Turkse overheid staat of kan komen te staan, heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden. Hiervoor heeft de minister van belang mogen vinden dat, zoals staat in het ambtsbericht Turkije uit 2023, de Turkse overheid Gülenisten in het buitenland monitort die al in het land van herkomst in de negatieve aandacht stonden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Turkije in de negatieve aandacht stond of staat bij de Turkse autoriteiten. Verder heeft de minister geen concreet aanknopingspunt hoeven zien dat eiser vanwege zijn activiteiten in Nederland in de negatieve aandacht is komen te staan. In Nederland gaat hij naar bijeenkomsten van de Stichting [naam 1] , braderieën en verricht hij vrijwilligerswerk voor Stichting [naam 2] [plaats] . Eiser heeft verklaard dat alleen mensen van de beweging aanwezig zijn op de bijeenkomsten en op de website niets staat wat te herleiden is naar de beweging. Ook hierbij heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser heeft te vrezen voor de Turkse overheid of dat hij hiermee geringe indicaties aantoont. 8.5. Eiser wijst er op dat Gülenisten in Turkije te maken hebben met serieuze vormen van discriminatie en uitsluiting. Hoewel uit de landeninformatie blijkt dat Gülenisten in Turkije in een moeilijke maatschappelijke positie verkeren en hinder kunnen ondervinden op de arbeidsmarkt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit in het geval van eiser geen geringe indicatie oplevert. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser tot aan zijn vertrek uit Turkije geen problemen heeft ondervonden van de Turkse overheid. Zijn familieleden evenmin. Verder is niet gebleken dat hij geen werk of woonruimte had. Wordt van eiser verlangd dat hij zich bij terugkeer terughoudend moet opstellen? 9. Verder voert eiser aan dat het zijn van een Gülen-aanhanger een levensovertuiging is, die zijn grondslag vindt in de Islam. Van hem kan niet worden verlangd dat hij zijn levensovertuiging slechts terughoudend kan uiten om vervolging te voorkomen. Dat is wel wat er volgens eiser gebeurt als hij moet terugkeren naar Turkije. Volgens eiser heeft de minister hier geen rekening mee gehouden. 10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Turkije als hij zijn levensovertuiging wil blijven uiten. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het niet aannemelijk dat eiser wordt vervolgd in Turkije vanwege zijn levensovertuiging. Er wordt gelet hierop vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer op eenzelfde wijze uiting kan geven aan zijn overtuiging zonder dat hij hierdoor problemen zal ondervinden. Uit zijn verklaringen volgt dat dit bestond uit het bijwonen van bijeenkomsten, braderieën en sportactiviteiten. Dat is niet veel anders dan hij nu in Nederland doet. De minister heeft daarom terecht gesteld dat van eiser bij terugkeer naar Turkije geen terughoudendheid wordt verwacht. Heeft de minister uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank? 11. Tot slot voert eiser aan dat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2025. 12. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 2 april 2025 is -kort samengevat- geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Turkse autoriteiten. Verder is geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het in het landgebonden beleid voor Turkije geldende risicoprofiel “(toegedichte) Gülen-aanhangers”. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister die nadere motivering met het bestreden besluit heeft gegeven. Conclusie en gevolgen 13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Turkije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. NL23.40361, niet gepubliceerd. Zaak NL25.32550, op de zitting ingetrokken. Zie het wijzigingsbesluit van 24 november 2023, WBV 2023/24, Stcrt. 2023, nr. 30427. ECLI:NL:RVS:2026:1607, ECLI:NL:RVS:2026:1739 en ECLI:NL:RVS:2026:1743. Pagina 18 van het verslag van het nader gehoor. Pagina 9 van het verslag van het nader gehoor.
Volledig
Dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van de vrees dat eiser hetzelfde lot te wachten staat. Verder heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser heeft verklaard dat zijn andere familieleden tot op heden van de overheid geen problemen hebben ondervonden. Dit doet ook afbreuk aan de aannemelijkheid van de vrees dat eiser hetzelfde lot staat te wachten als zijn broer. 8.2. Verder heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eisers degradatie tijdens de militaire dienstplicht te maken had met zijn betrokkenheid bij het Gülenisme of dat van zijn broer. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de rang van eiser en die van andere personen is gewijzigd. Uit dit stuk blijkt niet de reden van de wijziging. Eiser verklaart hierover dat hij niet weet waarom hij in rang werd verlaagd. Hij moest zich samen met dertien mensen melden in de trainingsruimte. Daar werd hen medegedeeld dat hun functie als onderofficier kwam te vervallen en dat zij hier afstand van moesten doen. Dat eiser denkt dat hij is gedegradeerd vanwege de problemen van zijn broer, is slechts een niet nader onderbouwd vermoeden. Daar heeft de minister niet de waarde aan hoeven toekennen die eiser daaraan toekent. Verder heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser zijn militaire dienstperiode vervolgens volledig en zonder problemen heeft afgerond. 8.3. Ook heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser vanwege het volgen van onderwijs aan de dershane in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of komt te staan. Eiser heeft een document overgelegd waaruit volgt dat er een bedrag van 2.500 Turkse lira open staat voor het onderwijs dat hij heeft gevolgd. Dit document is naar zijn vader gestuurd met het verzoek dit te betalen. Uit dit document volgt niet dat eiser hiermee in verband wordt gebracht met de Gülen-beweging. Van belang is dat in het document niet valt te lezen welke onderwijsinstelling het betreft of wie de incassant is. Verder heeft de minister het tijdsverloop van belang mogen vinden. De schuld is ontstaan tijdens het schooljaar 2015/2016. De brief gericht aan eisers vader dateert uit 2018. Eiser is naar eigen zeggen in 2022 hiervan op de hoogte gekomen. Al die tijd heeft eiser geen problemen ondervonden van de Turkse overheid. Hij heeft kunnen werken en heeft zonder problemen identiteitsdocumenten kunnen aanvragen. Ook heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser in 2022 probleemloos Turkije op legale wijze heeft kunnen verlaten. Eiser heeft verklaard dat zijn familieleden evenmin problemen hebben ondervonden. 8.4. Het wordt aannemelijk geacht dat eiser deelneemt aan de activiteiten van de Stichting [naam 1] en wat hij hierover heeft verklaard. Dat hij hierdoor in de negatieve aandacht van de Turkse overheid staat of kan komen te staan, heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden. Hiervoor heeft de minister van belang mogen vinden dat, zoals staat in het ambtsbericht Turkije uit 2023, de Turkse overheid Gülenisten in het buitenland monitort die al in het land van herkomst in de negatieve aandacht stonden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Turkije in de negatieve aandacht stond of staat bij de Turkse autoriteiten. Verder heeft de minister geen concreet aanknopingspunt hoeven zien dat eiser vanwege zijn activiteiten in Nederland in de negatieve aandacht is komen te staan. In Nederland gaat hij naar bijeenkomsten van de Stichting [naam 1] , braderieën en verricht hij vrijwilligerswerk voor Stichting [naam 2] [plaats] . Eiser heeft verklaard dat alleen mensen van de beweging aanwezig zijn op de bijeenkomsten en op de website niets staat wat te herleiden is naar de beweging. Ook hierbij heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser heeft te vrezen voor de Turkse overheid of dat hij hiermee geringe indicaties aantoont. 8.5. Eiser wijst er op dat Gülenisten in Turkije te maken hebben met serieuze vormen van discriminatie en uitsluiting. Hoewel uit de landeninformatie blijkt dat Gülenisten in Turkije in een moeilijke maatschappelijke positie verkeren en hinder kunnen ondervinden op de arbeidsmarkt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit in het geval van eiser geen geringe indicatie oplevert. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser tot aan zijn vertrek uit Turkije geen problemen heeft ondervonden van de Turkse overheid. Zijn familieleden evenmin. Verder is niet gebleken dat hij geen werk of woonruimte had. Wordt van eiser verlangd dat hij zich bij terugkeer terughoudend moet opstellen? 9. Verder voert eiser aan dat het zijn van een Gülen-aanhanger een levensovertuiging is, die zijn grondslag vindt in de Islam. Van hem kan niet worden verlangd dat hij zijn levensovertuiging slechts terughoudend kan uiten om vervolging te voorkomen. Dat is wel wat er volgens eiser gebeurt als hij moet terugkeren naar Turkije. Volgens eiser heeft de minister hier geen rekening mee gehouden. 10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Turkije als hij zijn levensovertuiging wil blijven uiten. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het niet aannemelijk dat eiser wordt vervolgd in Turkije vanwege zijn levensovertuiging. Er wordt gelet hierop vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer op eenzelfde wijze uiting kan geven aan zijn overtuiging zonder dat hij hierdoor problemen zal ondervinden. Uit zijn verklaringen volgt dat dit bestond uit het bijwonen van bijeenkomsten, braderieën en sportactiviteiten. Dat is niet veel anders dan hij nu in Nederland doet. De minister heeft daarom terecht gesteld dat van eiser bij terugkeer naar Turkije geen terughoudendheid wordt verwacht. Heeft de minister uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank? 11. Tot slot voert eiser aan dat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2025. 12. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 2 april 2025 is -kort samengevat- geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Turkse autoriteiten. Verder is geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het in het landgebonden beleid voor Turkije geldende risicoprofiel “(toegedichte) Gülen-aanhangers”. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister die nadere motivering met het bestreden besluit heeft gegeven. Conclusie en gevolgen 13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Turkije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. NL23.40361, niet gepubliceerd. Zaak NL25.32550, op de zitting ingetrokken. Zie het wijzigingsbesluit van 24 november 2023, WBV 2023/24, Stcrt. 2023, nr. 30427. ECLI:NL:RVS:2026:1607, ECLI:NL:RVS:2026:1739 en ECLI:NL:RVS:2026:1743. Pagina 18 van het verslag van het nader gehoor. Pagina 9 van het verslag van het nader gehoor.