Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:12275
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,020 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 text/xml public 2026-05-19T14:00:45 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL24.41762 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 text/html public 2026-05-18T11:50:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL24.41762 BNT – asiel – gegrond - kruisjesformulier. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41762 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark), En de minister van Asiel en Migratie , verweerder . Inleiding Eiser heeft op 25 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 7 juli 2023. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beoordeling door de rechtbank 1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. 2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De beslistermijn zou daarom op 8 januari 2024 eindigen. 3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben. Nadat eiser beroep heeft ingesteld, is een voor Iraanse vreemdelingen geldend besluitmoratorium in werking getreden. 4. Op grond van artikel 2 van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. 5. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was ten tijde van de door eiser ingediende ingebrekestelling op 9 oktober 2024. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze prematuur is ingediend. Omdat het beroep meer dan twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling is ingediend, is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep ontvankelijk is. 6. Op de datum van het van kracht worden van het besluitmoratorium was nog niet beslist op de asielaanvraag van eiser. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvoor de beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig beslissen had, aldus deze totstandkomingsgeschiedenis, ongegrond verklaard kunnen worden omdat het besluitmoratorium inmiddels van toepassing is. De rechtbank wijst ook op de rechtspraak van de Afdeling die hierop ziet. 7. Echter is de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn overschreden op 8 april 2025. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. En daarbij te bepalen dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; 8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. 9. Omdat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling het besluitmoratorium nog niet van kracht was, en eiser terecht beroep heeft ingediend, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 7. Zie rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600. Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 text/xml public 2026-05-19T14:00:45 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL24.41762 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 text/html public 2026-05-18T11:50:57 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12275 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL24.41762 BNT – asiel – gegrond - kruisjesformulier. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41762 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark), En de minister van Asiel en Migratie , verweerder . Inleiding Eiser heeft op 25 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 7 juli 2023. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beoordeling door de rechtbank 1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. 2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De beslistermijn zou daarom op 8 januari 2024 eindigen. 3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben. Nadat eiser beroep heeft ingesteld, is een voor Iraanse vreemdelingen geldend besluitmoratorium in werking getreden. 4. Op grond van artikel 2 van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. 5. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was ten tijde van de door eiser ingediende ingebrekestelling op 9 oktober 2024. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze prematuur is ingediend. Omdat het beroep meer dan twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling is ingediend, is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep ontvankelijk is. 6. Op de datum van het van kracht worden van het besluitmoratorium was nog niet beslist op de asielaanvraag van eiser. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvoor de beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig beslissen had, aldus deze totstandkomingsgeschiedenis, ongegrond verklaard kunnen worden omdat het besluitmoratorium inmiddels van toepassing is. De rechtbank wijst ook op de rechtspraak van de Afdeling die hierop ziet. 7. Echter is de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn overschreden op 8 april 2025. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. En daarbij te bepalen dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; 8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. 9. Omdat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling het besluitmoratorium nog niet van kracht was, en eiser terecht beroep heeft ingediend, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 7. Zie rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600. Besluit proceskosten bestuursrecht.