Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:12214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,375 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 text/xml public 2026-05-20T09:52:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 AWB 25 / 18935 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 text/html public 2026-05-18T10:13:56 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / AWB 25 / 18935 Verzoek om proceskostenvergoeding na opheffing inreisverbod. De rechtbank is van oordeel dat de opheffing van het inreisverbod niet voortvloeit uit het beroep, maar uit het feit dat de autoriteiten van Portugal niet hebben gereageerd op de vraag van de minister over eisers verblijfsrecht daar. De minister is daarom niet aan eiser tegemoetgekomen op een wijze die een veroordeling in de proceskosten rechtvaardigt. Voor zover het beroep tegen het inreisverbod is gericht heeft eiser daarom geen recht op een proceskostenvergoeding. Voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit is gericht, overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet is ingetrokken. Eiser heeft daarom ook voor wat betreft het beroep tegen het terugkeerbesluit geen recht op een proceskostenvergoeding. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 25/18935 V-nummer: [v-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. T. Mustafazade), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. I. Vugs). Procesverloop 1. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering in het SIS opgelegd. 1.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2026. De minister heeft het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, op 25 april 2024 doorgestuurd aan de rechtbank omdat tegen deze onderdelen van het besluit rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van eiser tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod als beroepschrift geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/7422. 1.2. Op 4 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht zaaknummer AWB 24/7422 af te sluiten, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit ten overvloede was aangemaakt. De rechtbank heeft gehoor gegeven aan dit verzoek. Toen de gemachtigde van eiser later tot de realisatie kwam dat dit niet het geval was, heeft de rechtbank de behandeling dit beroep op verzoek van de gemachtigde van eiser voortgezet onder het nieuwe zaaknummer AWB 25/18935. 1.3. Bij besluit van 7 januari 2025 heeft de minister het inreisverbod opgeheven en de signalering van eiser in SIS gewijzigd naar een signalering in het systeem E&S . De rechtbank heeft (de gemachtigde van) eiser daarop verzocht om een reactie op het opheffingsbesluit. 1.4. Op 5 maart 2026, een dag voor de mondelinge behandeling op zitting, heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ingetrokken. Zij heeft daarbij de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen. 1.6. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Overwegingen 2. De gemachtigde van eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister tegemoet is gekomen aan eiser door het inreisverbod op te heffen. 3. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de opheffing van het inreisverbod niet het gevolg is van het beroep. Omdat eiser een verblijfsrecht heeft in Portugal, heeft de minister na de oplegging van het inreisverbod de autoriteiten van Portugal gevraagd of zij voornemens waren eisers verblijfsrecht daar te handhaven. Hier is geen reactie op gekomen. De minister heeft daarom het inreisverbod opgeheven. Nu deze opheffing niet het gevolg is van het beroep, is de minister niet aan eiser tegemoetgekomen en heeft hij ook geen recht op een proceskostenvergoeding. 4. De rechtbank is met (de gemachtigde van) de minister van oordeel dat de opheffing van het inreisverbod niet voortvloeit uit het beroep, maar uit het feit dat de autoriteiten van Portugal niet hebben gereageerd op de vraag van de minister over eisers verblijfsrecht daar. De minister is daarom niet aan eiser tegemoetgekomen op een wijze die een veroordeling in de proceskosten rechtvaardigt. Voor zover het beroep tegen het inreisverbod is gericht heeft eiser daarom geen recht op een proceskostenvergoeding. Voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit is gericht, overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet is ingetrokken. Met het besluit van 7 januari 2025 is dit terugkeerbesluit in stand gelaten. Hier kunnen nog steeds rechtsgevolgen uit voortvloeien. De minister is daarom voor wat betreft het terugkeerbesluit ook niet aan eiser tegemoetgekomen en eiser heeft daarom ook voor wat betreft het beroep tegen het terugkeerbesluit geen recht op een proceskostenvergoeding. 5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding op deze gronden af. 6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Schengen Informatiesysteem. Op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Executie en Signalering.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 text/xml public 2026-05-20T09:52:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 AWB 25 / 18935 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 text/html public 2026-05-18T10:13:56 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12214 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / AWB 25 / 18935 Verzoek om proceskostenvergoeding na opheffing inreisverbod. De rechtbank is van oordeel dat de opheffing van het inreisverbod niet voortvloeit uit het beroep, maar uit het feit dat de autoriteiten van Portugal niet hebben gereageerd op de vraag van de minister over eisers verblijfsrecht daar. De minister is daarom niet aan eiser tegemoetgekomen op een wijze die een veroordeling in de proceskosten rechtvaardigt. Voor zover het beroep tegen het inreisverbod is gericht heeft eiser daarom geen recht op een proceskostenvergoeding. Voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit is gericht, overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet is ingetrokken. Eiser heeft daarom ook voor wat betreft het beroep tegen het terugkeerbesluit geen recht op een proceskostenvergoeding. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 25/18935 V-nummer: [v-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. T. Mustafazade), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. I. Vugs). Procesverloop 1. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering in het SIS opgelegd. 1.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2026. De minister heeft het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, op 25 april 2024 doorgestuurd aan de rechtbank omdat tegen deze onderdelen van het besluit rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van eiser tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod als beroepschrift geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/7422. 1.2. Op 4 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht zaaknummer AWB 24/7422 af te sluiten, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit ten overvloede was aangemaakt. De rechtbank heeft gehoor gegeven aan dit verzoek. Toen de gemachtigde van eiser later tot de realisatie kwam dat dit niet het geval was, heeft de rechtbank de behandeling dit beroep op verzoek van de gemachtigde van eiser voortgezet onder het nieuwe zaaknummer AWB 25/18935. 1.3. Bij besluit van 7 januari 2025 heeft de minister het inreisverbod opgeheven en de signalering van eiser in SIS gewijzigd naar een signalering in het systeem E&S . De rechtbank heeft (de gemachtigde van) eiser daarop verzocht om een reactie op het opheffingsbesluit. 1.4. Op 5 maart 2026, een dag voor de mondelinge behandeling op zitting, heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ingetrokken. Zij heeft daarbij de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen. 1.6. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Overwegingen 2. De gemachtigde van eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister tegemoet is gekomen aan eiser door het inreisverbod op te heffen. 3. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de opheffing van het inreisverbod niet het gevolg is van het beroep. Omdat eiser een verblijfsrecht heeft in Portugal, heeft de minister na de oplegging van het inreisverbod de autoriteiten van Portugal gevraagd of zij voornemens waren eisers verblijfsrecht daar te handhaven. Hier is geen reactie op gekomen. De minister heeft daarom het inreisverbod opgeheven. Nu deze opheffing niet het gevolg is van het beroep, is de minister niet aan eiser tegemoetgekomen en heeft hij ook geen recht op een proceskostenvergoeding. 4. De rechtbank is met (de gemachtigde van) de minister van oordeel dat de opheffing van het inreisverbod niet voortvloeit uit het beroep, maar uit het feit dat de autoriteiten van Portugal niet hebben gereageerd op de vraag van de minister over eisers verblijfsrecht daar. De minister is daarom niet aan eiser tegemoetgekomen op een wijze die een veroordeling in de proceskosten rechtvaardigt. Voor zover het beroep tegen het inreisverbod is gericht heeft eiser daarom geen recht op een proceskostenvergoeding. Voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit is gericht, overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet is ingetrokken. Met het besluit van 7 januari 2025 is dit terugkeerbesluit in stand gelaten. Hier kunnen nog steeds rechtsgevolgen uit voortvloeien. De minister is daarom voor wat betreft het terugkeerbesluit ook niet aan eiser tegemoetgekomen en eiser heeft daarom ook voor wat betreft het beroep tegen het terugkeerbesluit geen recht op een proceskostenvergoeding. 5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding op deze gronden af. 6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Schengen Informatiesysteem. Op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Executie en Signalering.