Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:12191
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,663 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 text/xml public 2026-05-18T10:05:50 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 C/09/685022 / FA RK 25-3503 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 text/html public 2026-05-18T09:53:43 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / C/09/685022 / FA RK 25-3503 Aanhouden verzoek tot eenhoofdig gezag, omdat vader niet juist is opgeroepen. Verklaring voor recht dat vader in het gezag is geschorst. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3503 Zaaknummer: C/09/685022 Datum beschikking: 3 april 2026 (bij vervroeging) Gezag Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van de moeder van 13 mei 2025. Op 17 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en met haar vader; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader is niet verschenen. [minderjarige 2], [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek. Verzoek en verweer Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt te bepalen dat zij voortaan wordt belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2011 tot [datum 2] 2020. - Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats 2], [land]. - De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. Beoordeling Gezag Zoals ter zitting is besproken, constateert de rechtbank dat de vader niet goed is opgeroepen. Hij is uitsluitend openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de op 5 februari 2026 verschenen editie van de Staatscourant. In de Basisregistratie Personen (BRP) van de vader staat echter sinds 23 maart 2012 opgenomen “Registratie Niet Ingezetenen” (RNI) met een adres in [plaats 1], [land]. Er is wel een afschrift van het verzoekschrift naar dit adres gezonden, maar geen oproep voor de zitting. De advocaat van de moeder heeft desgevraagd het laatst bekende adres van de vader aan de rechtbank verstrekt. De moeder heeft ter zitting toegelicht dat dit het adres is dat de vader het afgelopen jaar zelf ook een keer op een toestemmingsformulier heeft vermeld als zijn adres. Op grond van artikel 10 van het Haags Betekeningsverdrag 1965 dient de vader alsnog – zowel per aangetekende als per reguliere brief – te worden opgeroepen op zowel het adres in [plaats 1] dat is vermeld in de BRP als het adres in [plaats 2] dat door de moeder is verstrekt. Daarnaast zal de vader wederom worden opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten aanhouden en de vader op de hiervoor beschreven wijze oproepen voor een nieuwe zitting. Als de vader daar wederom niet verschijnt, zal een eindbeschikking volgen. Verklaring voor recht Ter zitting is gebleken dat de moeder problemen ervaart bij het nemen van gezagsbeslissingen over de kinderen, zoals de inschrijving bij een school, omdat zij geen contact kan krijgen met de vader. In artikel 1:253r BW, in samenhang met artikel 1:253q BW, is bepaald dat als één van de met gezag belaste ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen of de verblijfplaats van die ouder onbekend is, de andere ouder van rechtswege alleen het gezag uitoefent. Het gezag van de ouder die in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen of waarvan de verblijfplaats onbekend is, is dan geschorst tot die ouder het gezag weer kan uitoefenen of zijn verblijfplaats bekend wordt. De rechtbank stelt vast dat de vader al geruime tijd onbereikbaar is voor de moeder. Er is wel sporadisch contact tussen de vader en de kinderen. De kinderen hebben de vader recent gevraagd om toestemming om met hun moeder op vakantie te mogen en de vader heeft die toestemming verleend. De rechtbank acht het echter in strijd met de belangen van de kinderen dat zij voor alle gezagsbeslissingen namens hun moeder toestemming moeten vragen aan hun vader. Bovendien kunnen de kinderen zelf geen contact opnemen met hun vader, maar zijn zij volledig afhankelijk van het initiatief van hun vader om contact op te nemen met hen. Dit doet de vader gemiddeld eens in de 2 à 3 maanden. Nu de vader het voor de moeder en kinderen onmogelijk heeft gemaakt om contact met hem op te nemen en hij zelf maar eens in de paar maanden contact met de kinderen zoekt, waardoor hij niet weet wat er in het leven van de kinderen speelt en niet bereikbaar is op het moment dat er gezagsbeslissingen genomen moeten worden, concludeert de rechtbank dat de vader momenteel in de feitelijke onmogelijkheid verkeert om het gezag over de kinderen uit te oefenen. Door zich volledig onbereikbaar te houden voor de moeder, staat de vader bovendien behoorlijke uitoefening van het gezag door de moeder in de weg. Daarmee schaadt hij de belangen van de kinderen. De rechtbank concludeert dan ook dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:253r, eerste lid, onderdeel b, BW. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het gezag van de vader op de voet van het bepaalde in artikel 1:253r, tweede lid, BW van rechtswege is geschorst. Aangezien de moeder daarbij belang heeft, zal de rechtbank een daartoe strekkende verklaring voor recht geven. Beslissing De rechtbank: verklaart voor recht dat de vader geschorst is in het gezag over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats 2], [land]; * bepaalt dat de vader voor een nieuwe mondelinge behandeling moet worden opgeroepen door verzending van een oproep, zowel per reguliere post als per aangetekende post, op de volgende adressen: [adres 1], [plaats 2], [land] [adres 2], [plaats 1] alsmede middels plaatsing van een oproep in de Staatscourant; * houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag aan tot 1 augustus 2026 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 text/xml public 2026-05-18T10:05:50 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 C/09/685022 / FA RK 25-3503 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 text/html public 2026-05-18T09:53:43 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12191 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / C/09/685022 / FA RK 25-3503 Aanhouden verzoek tot eenhoofdig gezag, omdat vader niet juist is opgeroepen. Verklaring voor recht dat vader in het gezag is geschorst. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3503 Zaaknummer: C/09/685022 Datum beschikking: 3 april 2026 (bij vervroeging) Gezag Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van de moeder van 13 mei 2025. Op 17 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en met haar vader; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader is niet verschenen. [minderjarige 2], [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek. Verzoek en verweer Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt te bepalen dat zij voortaan wordt belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2011 tot [datum 2] 2020. - Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats 2], [land]. - De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. Beoordeling Gezag Zoals ter zitting is besproken, constateert de rechtbank dat de vader niet goed is opgeroepen. Hij is uitsluitend openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de op 5 februari 2026 verschenen editie van de Staatscourant. In de Basisregistratie Personen (BRP) van de vader staat echter sinds 23 maart 2012 opgenomen “Registratie Niet Ingezetenen” (RNI) met een adres in [plaats 1], [land]. Er is wel een afschrift van het verzoekschrift naar dit adres gezonden, maar geen oproep voor de zitting. De advocaat van de moeder heeft desgevraagd het laatst bekende adres van de vader aan de rechtbank verstrekt. De moeder heeft ter zitting toegelicht dat dit het adres is dat de vader het afgelopen jaar zelf ook een keer op een toestemmingsformulier heeft vermeld als zijn adres. Op grond van artikel 10 van het Haags Betekeningsverdrag 1965 dient de vader alsnog – zowel per aangetekende als per reguliere brief – te worden opgeroepen op zowel het adres in [plaats 1] dat is vermeld in de BRP als het adres in [plaats 2] dat door de moeder is verstrekt. Daarnaast zal de vader wederom worden opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten aanhouden en de vader op de hiervoor beschreven wijze oproepen voor een nieuwe zitting. Als de vader daar wederom niet verschijnt, zal een eindbeschikking volgen. Verklaring voor recht Ter zitting is gebleken dat de moeder problemen ervaart bij het nemen van gezagsbeslissingen over de kinderen, zoals de inschrijving bij een school, omdat zij geen contact kan krijgen met de vader. In artikel 1:253r BW, in samenhang met artikel 1:253q BW, is bepaald dat als één van de met gezag belaste ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen of de verblijfplaats van die ouder onbekend is, de andere ouder van rechtswege alleen het gezag uitoefent. Het gezag van de ouder die in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen of waarvan de verblijfplaats onbekend is, is dan geschorst tot die ouder het gezag weer kan uitoefenen of zijn verblijfplaats bekend wordt. De rechtbank stelt vast dat de vader al geruime tijd onbereikbaar is voor de moeder. Er is wel sporadisch contact tussen de vader en de kinderen. De kinderen hebben de vader recent gevraagd om toestemming om met hun moeder op vakantie te mogen en de vader heeft die toestemming verleend. De rechtbank acht het echter in strijd met de belangen van de kinderen dat zij voor alle gezagsbeslissingen namens hun moeder toestemming moeten vragen aan hun vader. Bovendien kunnen de kinderen zelf geen contact opnemen met hun vader, maar zijn zij volledig afhankelijk van het initiatief van hun vader om contact op te nemen met hen. Dit doet de vader gemiddeld eens in de 2 à 3 maanden. Nu de vader het voor de moeder en kinderen onmogelijk heeft gemaakt om contact met hem op te nemen en hij zelf maar eens in de paar maanden contact met de kinderen zoekt, waardoor hij niet weet wat er in het leven van de kinderen speelt en niet bereikbaar is op het moment dat er gezagsbeslissingen genomen moeten worden, concludeert de rechtbank dat de vader momenteel in de feitelijke onmogelijkheid verkeert om het gezag over de kinderen uit te oefenen. Door zich volledig onbereikbaar te houden voor de moeder, staat de vader bovendien behoorlijke uitoefening van het gezag door de moeder in de weg. Daarmee schaadt hij de belangen van de kinderen. De rechtbank concludeert dan ook dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:253r, eerste lid, onderdeel b, BW. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het gezag van de vader op de voet van het bepaalde in artikel 1:253r, tweede lid, BW van rechtswege is geschorst. Aangezien de moeder daarbij belang heeft, zal de rechtbank een daartoe strekkende verklaring voor recht geven. Beslissing De rechtbank: verklaart voor recht dat de vader geschorst is in het gezag over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats 2], [land]; * bepaalt dat de vader voor een nieuwe mondelinge behandeling moet worden opgeroepen door verzending van een oproep, zowel per reguliere post als per aangetekende post, op de volgende adressen: [adres 1], [plaats 2], [land] [adres 2], [plaats 1] alsmede middels plaatsing van een oproep in de Staatscourant; * houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag aan tot 1 augustus 2026 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.