Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:1213
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/654294 / KG ZA 23-809 Vonnis in kort geding van 9 januari 2026 in de zaak van [eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam 1] te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen) te Den Haag, gedaagde, advocaten voorheen mrs. J. Duyster en L.J. Overwater te Den Haag thans mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag. Hoewel de bewindvoerder de formele procespartij is, zal de eisende partij hierna vooral worden aangeduid als ‘ [naam 1] ’. De gedaagde partij zal hierna worden aangeduid als ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarbij de correspondentie over de meerdere pro forma aanhoudingen niet is opgenomen: - de dagvaarding van 11 oktober 2023, met producties 1 tot en met 12 en de daarna toezonden producties 13 tot en met 19 en 20; - de conclusie van antwoord, met productie 1 en de daarna toegezonden producties 2, 3 en 4; - de op 31 oktober 2023 gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten hebben toegelicht en een datum voor voortzetting is bepaald; - de brief van mr. Thiescheffer van 22 november 2023, met producties 21 en 22; - de brief van mr. Thiescheffer van 10 januari 2024, met producties 23 tot en met 25; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 12 januari 2024, met producties 26 en 27; - de brief van mr. Langbroek van 12 januari 2024, met producties 5 tot en met 7; - de op 15 januari 2024 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak na verdere behandeling pro forma is aangehouden; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 10 maart 2025; - de e-mail van mr. Langbroek van 17 maart 2025; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 20 maart 2025; - de e-mail van mr. Langbroek van 24 maart 2025; - de akte van [naam 1] houdende een vermeerdering van eis en overlegging producties 28 en 30 tot en met 32; - de separaat door mr. Thiescheffer ingediende productie 29; - de e-mail van mr. Langbroek van 1 mei 2025; - de nadere conclusie van de Staat, met producties 8 tot en met 11; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 15 mei 2025, met producties 33 en 34; - de brief van mr. Langbroek van 16 mei 2025, met productie 12; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 16 mei 2025 waarin wordt meegedeeld dat de procedure op naam van de bewindvoerder wordt voortgezet; - de op 19 mei 2025 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak na verdere behandeling opnieuw pro forma is aangehouden; - de e-mail van mr. Thiescheffer van 30 september 2025, met producties 35 tot en met 37; - de op 3 december 2025 door mr. Thiescheffer overgelegde producties 38 tot en met 44; - de op 8 december 2025 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de Staat pleitnotities heeft overgelegd en de vader van [naam 1] een door [naam 1] geschreven bief, die ter zitting is voorgelezen. 1.2. Op 8 december 2025 is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [naam 1] is de ex-partner van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag (KOT). Samen hebben zij drie thans nog minderjarige kinderen die momenteel bij [naam 1] verblijven. 2.2. De ex-partner van [naam 1] is in het kader van de hersteloperatie toeslagen gecompenseerd. Zij heeft destijds in het kader van de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag forfaitair een bedrag van € 30.000,-- ter compensatie van geleden schade toegekend gekregen. Bij beschikking van 6 augustus 2021 heeft de Belastingdienst Toeslagen het definitieve aan de ex-partner van [naam 1] toekomende compensatiebedrag vastgesteld op € 20.318,--. Het verschil tussen dit compensatiebedrag en het reeds uitgekeerd [naam 1] , de vader van [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] zijn op 12 juni 2025 als getuigen gehoord. Van deze verhoren is een proces-verbaal opgemaakt. [naam 4] heeft blijkens dit proces-verbaal onder meer als volgt verklaard: (…) (…) 3 Het geschil 3.1. [naam 1] heeft – zakelijk weergegeven – bij akte vermeerdering van eis gevorderd om de Staat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om bij wege van voorschot aan hem een bedrag te betalen van € 194.000,-- (€ 250.000,-- minus € 56.000,--), zulks met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [naam 1] – samengevat – aan dat hij gebukt gaat onder een forse schuldenlast en diverse fysieke en mentale klachten, die direct verband houden met de KOT-affaire. Diverse schuldeisers dreigen volgens [naam 1] als gevolg van het uitblijven van betaling met het nemen van (verdergaande) executiemaatregelen, waaronder [bedrijfsnaam] . Dit heeft volgens [naam 1] potentieel vergaande gevolgen voor zowel hem als voor zijn bij hem wonende drie minderjarige kinderen. Primair stelt [naam 1] dat tijdens de bespreking op 24 mei 2024 een finaal akkoord is bereikt althans alle aanwezigen de intentie hadden om te komen tot een allesomvattende oplossing, waarbij a) zijn immateriële schade conform de kaders van de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) (‘Methode Laurentien’) zou worden afgewikkeld, b) alle schulden zouden worden gesaneerd en c) [bedrijfsnaam] volledig zou worden gecompenseerd. Volgens [naam 1] is zijn immateriële schade daarbij vastgesteld op € 228.000,-- en dient [bedrijfsnaam] voor een bedrag van € 313.925,76 te worden gecompenseerd. De omstandigheid dat de Staat € 50.000,-- als voorschot op de immateriële schadevergoeding, € 6.000,-- voor levensonderhoud, € 20.000,-- voor gebitsrenovatie en € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling aan hem heeft betaald, onderschrijft naar de mening van [naam 1] de juistheid van zijn stelling dat op 24 mei 2024 bindende afspraken zijn gemaakt. Daarbij merkt [naam 1] op dat bedragen van € 20.000,-- en € 10.000,-- niet behoeven te worden verrekend met het uiteindelijk nog door de Staat te betalen bedrag. Subsidiair stelt [naam 1] dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door hem niet (verdergaand) te hulp te schieten. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Ter zitting van 8 december 2025 heeft de advocaat van [naam 1] toegelicht dat hij een voorschot vordert van € 250.000,--, waarop in zijn visie een aantal reeds aan hem betaalde bedragen in mindering strekt. Nadat aanvankelijk hierover verschil van mening tussen partijen leek te bestaan, is ter zitting van 8 december 2025 door beide partijen erkend dat tot op heden door de Staat/het UHT een bedrag van € 106.000,-- aan [naam 1] is betaald. Daarbij gaat het om a) een in november 2023 betaald bedrag van € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling b) een in mei 2024 betaald bedrag van € 6.000,-- voor levensonderhoud c) een op 12 juli 2024 betaald bedrag van € 50.000,--, d) een op 26 maart 2025 betaald bedrag van € 20.000,-- en e) een op 28 mei 2025 betaald bedrag van € 20.000,--. Volgens de Staat strekken deze betalingen van in totaal € 106.000,-- volledig in mindering op het door [naam 1] genoemde voorschotbedrag van € 250.000,--. [naam 1] heeft in zijn akte vermeerdering van eis uitsluitend de betaalde bedragen van € 50.000,-- en € 6.000,-- op het bedrag van € 250.000,-- in mindering gebracht. Ter zitting heeft [naam 1] erkend dat de twee betaalde bedragen van elk € 20.000,-- eveneens op het bedrag van € 250.000,-- in mindering strekken. Ten aanzien van het bedrag van € 10.000,-- heeft [naam 1] volhard in zijn standpunt dat dit bedrag niet met het gevorderde voorschotbedrag behoeft te worden verrekend. Hoewel [naam 1] zijn vordering ter zitting van 8 december 2025 niet meer heeft gewijzigd, begrijpt de voorzieningenrechter die vordering aldus dat [naam 1] uitei Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet voldaan zijn aan de vereisten van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden blijkens dit artikel aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. 4.7. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, stelt [naam 1] dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door niet te voorzien in een verdergaande financiële compensatie. Beoordeeld dient te worden of de Staat hiermee inbreuk maakt op een aan [naam 1] toekomend recht dan wel in strijd handelt met een wettelijke plicht of de maatschappelijke zorgvuldigheid. De Staat heeft weersproken dat hij onrechtmatig jegens [naam 1] handelt en heeft betwist tot verdere bevoorschotting gehouden te zijn. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dat verweer. Daartoe is het volgende redengevend. De Staat dient zich in het kader van de hersteloperatie toeslagen te houden aan het bepaalde in de Wht. Op grond van de Wht valt [naam 1] onder het bereik van de ex-partnerregeling. Vaststaat immers dat niet [naam 1] maar zijn ex-partner de teruggevorderde KOT heeft aangevraagd. [naam 1] is om die reden niet als gedupeerde aangemerkt en de juistheid van die beslissing, waartegen [naam 1] reeds vergeefs bestuursrechtelijk is opgekomen, kan in dit civielrechtelijke kort geding niet (opnieuw) ter discussie worden gesteld. Het is aan [naam 1] , als eisende partij, om aannemelijk te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de toeslagaffaire overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de bedragen die hij tot dusverre heeft ontvangen. Door [naam 1] is vervolgens in dit kort geding niet aannemelijk gemaakt dat de Staat de ex-partnerregeling ten aanzien van hem onjuist of onvolledig heeft toegepast. Daartoe is van belang dat [naam 1] , na de eerste zitting in deze kortgedingprocedure, de forfaitaire schadevergoeding van € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling heeft ontvangen. Daarnaast heeft [naam 1] zijn private schulden kunnen indienen bij SBN, heeft hij aanvullende bedragen ontvangen en heeft hij steun ontvangen van de gemeente en IPW. In totaal heeft [naam 1] , naast het bedrag van € 26.000,- van zijn ex-partner, van UHT een bedrag van € 106.000,- ontvangen, is door IPW een bedrag van € 20.611,44 uitgekeerd en heeft SBN voor € 59.527,41 aan schulden van [naam 1] afbetaald. 4.8. Dat [naam 1] – zoals hij stelt – recht heeft op een verdergaande financiële compensatie, valt in het bestek van deze kortgedingprocedure niet vast te stellen. [naam 1] heeft geen actueel overzicht overgelegd van de bedragen waarop hij meent recht te hebben, zodat de voorzieningenrechter onvoldoende inzicht heeft in de posten waaruit zijn vordering is opgebouwd. Reeds daarom is het niet mogelijk om te beoordelen of is voldaan aan alle vereisten voor compensatie op grond van de Wht en is het bestaan van een schadevordering ten belope van minimaal het thans gevorderde voorschotbedrag onvoldoende aannemelijk, nog daargelaten dat een diepgravende inhoudelijke beoordeling van de private schulden van [naam 1] het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure ver te buiten gaat. Daar komt nog bij dat het (ook) niet duidelijk is of in de vordering private schulden zijn opgenomen die bij SBN zijn ingediend, maar niet zijn afbetaald door SBN. Tegen de beslissing van SBN om bepaalde private s