Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:11887
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
18,273 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 text/xml public 2026-05-18T07:52:48 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL25.14394 en NL25.17936 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 text/html public 2026-05-18T07:52:15 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL25.14394 en NL25.17936 Verweerder 1 heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft ernstige levensbedreigende aandoeningen doorgemaakt en zware medische behandelingen daarvoor ondergaan. De kans op recidief van deze aandoeningen is niet denkbeeldig, zo volgt uit de BMA-adviezen. Periodieke controles voor de duur van vijf jaar zijn geïndiceerd. Het uitblijven van deze controle kan leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Gelet op de ernst van de aandoeningen, de aard van de ingezette medische behandelingen, en de langdurige nacontroles die eiseres moet ondergaan bij zowel de hematoloog als de gynaecoloog, is de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel dat het onevenredig bezwarend is voor eiseres dat verweerder 1 in bestreden besluit 1 heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank vraagt zich dan ook af waarom in de specifieke omstandigheden van dit geval niet bijvoorbeeld is aangeknoopt bij de termijnen van de nacontroles die eiseres moet ondergaan bij de hematoloog en de gynaecoloog. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder 1 in het specifieke geval van eiseres onderzoek had moeten (laten) doen naar de behandelmogelijkheden op de Filipijnen. Nu het bestreden besluit 1 van verweerder 1 geen stand kan houden, kan het hieraan gekoppelde bestreden besluit 2 waarmee de Rva-verstrekkingen van eiseres zijn stopgezet ook geen stand houden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.14394 (beroep) NL25.17936 (beroep) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder 1 en Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder 2 hierna ook samen: verweerders (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ door verweerder 1 en het besluit van verweerder 1 dat eiseres geen verder uitstel van vertrek krijgt. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over de afwijzing van de aanvraag en het niet verlenen van verder uitstel van vertrek.. 1.1. Deze uitspraak gaat ook over de stopzetting van Rva -verstrekkingen aan eiseresd oor verweerder 2. Eiseres is het niet eens met deze stopzetting. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over de stopzetting van de Rva-verstrekkingen. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag van eiseres onvoldoende gemotiveerd is afgewezen en dat de stopzetting van de Rva-verstrekkingen geen stand kan houden. Eiseres krijgt dus gelijk en beide beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond en procesverloop 2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Eiseres was werkzaam op een cruiseschip. In februari 2022 legde dit cruiseschip aan in de haven van Rotterdam. Omdat eiseres zich niet goed voelde is zij in Rotterdam naar het ziekenhuis gegaan. Daar werd bloedkanker bij haar vastgesteld. Naar aanleiding van deze diagnose is een medische behandeling opgestart. Voor deze behandeling heeft verweerder 1 aan eiseres uitstel van vertrek op medische gronden verleend van 26 april 2023 tot 26 april 2024. 2.1. In januari 2024 is ook baarmoederkanker bij eiseres vastgesteld. Ook hier is een medische behandeling voor opgestart. 2.2. Eiseres heeft op 18 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’. 2.3. Bij besluit van 24 april 2024 heeft verweerder 1 aan eiseres nader uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op haar aanvraag van 18 januari 2024. 2.4. Met het besluit van 28 oktober 2024 heeft verweerder 1 de aanvraag van eiseres afgewezen en haar uitstel van vertrek verleend tot 1 februari 2025 in verband met een operatie die gepland stond voor november 2024. 2.5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 oktober 2024. Verweerder 1 heeft bij besluit van 4 april 2025 aan eiseres uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op haar bezwaar. 2.6. Met het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder 1 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij geen verder uitstel van vertrek verleend. 2.7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Verweerder 1 heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.8. Op 25 maart 2025 heeft verweerder 2 aan eiseres een voornemen gestuurd tot beëindiging van haar recht op Rva-verstrekkingen. Eiseres heeft op dit voornemen gereageerd. Met het besluit van 15 april 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder 2 besloten dat eiseres per 22 april 2025 geen recht meer heeft op Rva-verstrekkingen. 2.9. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Verweerder 2 heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.10. Eiseres is wegens betalingsonmacht in beide zaken vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.11. De rechtbank heeft de beroepen op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, C.E.M. van Lingen als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van verweerders. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek in beide zaken gesloten. 2.12. Bij beslissing van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken heropend om verweerders in de gelegenheid te stellen om te reageren op door eiseres overgelegde nadere medische stukken. Ook heeft de rechtbank in die beslissing de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit 1 en het beroep tegen bestreden besluit 2 gevoegd. 2.13. Verweerder 1 heeft op 31 juli 2025 laten weten naar aanleiding van de door eiseres overgelegde stukken opnieuw advies te willen vragen aan het BMA . Op 13 oktober 2025 heeft verweerder 1 een BMA-nota van 3 oktober 2025 overgelegd, waaruit volgt dat het BMA geen nieuw inhoudelijk advies kon uitbrengen wegens een gebrek aan informatie. Eiseres heeft hierop gereageerd. 2.14. Op 13 januari 2026 heeft verweerder 1 een nieuw inhoudelijk BMA-advies van 31 december 2025 overgelegd. Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder 1 vastgehouden aan het in bestreden besluit 1 ingenomen standpunt, dat eiseres geen recht heeft op een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ en dat zij ook geen verder uitstel van vertrek krijgt. 2.15. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank In de zaak NL25.14394 De BMA-adviezen 3. Verweerder 1 heeft in deze procedure het BMA verschillende keren om advies gevraagd. 3.1. Het eerste BMA-advies van 12 juni 2023 vermeldt het volgende: “Uit de informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat betrokkene gediagnosticeerd is met: Diffuus grootcellig B cel lymfoom (DGBCL): een vorm van lymfklierkanker. De ziekte ontstaat meestal in een lymfeklier of het beenmerg, maar kan ook ontstaan op andere plaatsen van het lymfestelstel, zoals in de milt of lever. Betrokkene presenteerde zich met een mediastinale massa (tumoren die zich ontwikkelen aan de voorzijde van borst). Als gevolg hiervan lijdt ze aan vena cava superior syndroom. Het is een aandoening waarbij de bovenste holle ader bekneld raakt.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 text/xml public 2026-05-18T07:52:48 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL25.14394 en NL25.17936 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 text/html public 2026-05-18T07:52:15 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11887 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL25.14394 en NL25.17936 Verweerder 1 heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft ernstige levensbedreigende aandoeningen doorgemaakt en zware medische behandelingen daarvoor ondergaan. De kans op recidief van deze aandoeningen is niet denkbeeldig, zo volgt uit de BMA-adviezen. Periodieke controles voor de duur van vijf jaar zijn geïndiceerd. Het uitblijven van deze controle kan leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Gelet op de ernst van de aandoeningen, de aard van de ingezette medische behandelingen, en de langdurige nacontroles die eiseres moet ondergaan bij zowel de hematoloog als de gynaecoloog, is de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel dat het onevenredig bezwarend is voor eiseres dat verweerder 1 in bestreden besluit 1 heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank vraagt zich dan ook af waarom in de specifieke omstandigheden van dit geval niet bijvoorbeeld is aangeknoopt bij de termijnen van de nacontroles die eiseres moet ondergaan bij de hematoloog en de gynaecoloog. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder 1 in het specifieke geval van eiseres onderzoek had moeten (laten) doen naar de behandelmogelijkheden op de Filipijnen. Nu het bestreden besluit 1 van verweerder 1 geen stand kan houden, kan het hieraan gekoppelde bestreden besluit 2 waarmee de Rva-verstrekkingen van eiseres zijn stopgezet ook geen stand houden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.14394 (beroep) NL25.17936 (beroep) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder 1 en Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder 2 hierna ook samen: verweerders (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ door verweerder 1 en het besluit van verweerder 1 dat eiseres geen verder uitstel van vertrek krijgt. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over de afwijzing van de aanvraag en het niet verlenen van verder uitstel van vertrek.. 1.1. Deze uitspraak gaat ook over de stopzetting van Rva -verstrekkingen aan eiseresd oor verweerder 2. Eiseres is het niet eens met deze stopzetting. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over de stopzetting van de Rva-verstrekkingen. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag van eiseres onvoldoende gemotiveerd is afgewezen en dat de stopzetting van de Rva-verstrekkingen geen stand kan houden. Eiseres krijgt dus gelijk en beide beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond en procesverloop 2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Eiseres was werkzaam op een cruiseschip. In februari 2022 legde dit cruiseschip aan in de haven van Rotterdam. Omdat eiseres zich niet goed voelde is zij in Rotterdam naar het ziekenhuis gegaan. Daar werd bloedkanker bij haar vastgesteld. Naar aanleiding van deze diagnose is een medische behandeling opgestart. Voor deze behandeling heeft verweerder 1 aan eiseres uitstel van vertrek op medische gronden verleend van 26 april 2023 tot 26 april 2024. 2.1. In januari 2024 is ook baarmoederkanker bij eiseres vastgesteld. Ook hier is een medische behandeling voor opgestart. 2.2. Eiseres heeft op 18 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’. 2.3. Bij besluit van 24 april 2024 heeft verweerder 1 aan eiseres nader uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op haar aanvraag van 18 januari 2024. 2.4. Met het besluit van 28 oktober 2024 heeft verweerder 1 de aanvraag van eiseres afgewezen en haar uitstel van vertrek verleend tot 1 februari 2025 in verband met een operatie die gepland stond voor november 2024. 2.5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 oktober 2024. Verweerder 1 heeft bij besluit van 4 april 2025 aan eiseres uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op haar bezwaar. 2.6. Met het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder 1 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij geen verder uitstel van vertrek verleend. 2.7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Verweerder 1 heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.8. Op 25 maart 2025 heeft verweerder 2 aan eiseres een voornemen gestuurd tot beëindiging van haar recht op Rva-verstrekkingen. Eiseres heeft op dit voornemen gereageerd. Met het besluit van 15 april 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder 2 besloten dat eiseres per 22 april 2025 geen recht meer heeft op Rva-verstrekkingen. 2.9. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Verweerder 2 heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.10. Eiseres is wegens betalingsonmacht in beide zaken vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.11. De rechtbank heeft de beroepen op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, C.E.M. van Lingen als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van verweerders. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek in beide zaken gesloten. 2.12. Bij beslissing van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken heropend om verweerders in de gelegenheid te stellen om te reageren op door eiseres overgelegde nadere medische stukken. Ook heeft de rechtbank in die beslissing de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit 1 en het beroep tegen bestreden besluit 2 gevoegd. 2.13. Verweerder 1 heeft op 31 juli 2025 laten weten naar aanleiding van de door eiseres overgelegde stukken opnieuw advies te willen vragen aan het BMA . Op 13 oktober 2025 heeft verweerder 1 een BMA-nota van 3 oktober 2025 overgelegd, waaruit volgt dat het BMA geen nieuw inhoudelijk advies kon uitbrengen wegens een gebrek aan informatie. Eiseres heeft hierop gereageerd. 2.14. Op 13 januari 2026 heeft verweerder 1 een nieuw inhoudelijk BMA-advies van 31 december 2025 overgelegd. Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder 1 vastgehouden aan het in bestreden besluit 1 ingenomen standpunt, dat eiseres geen recht heeft op een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ en dat zij ook geen verder uitstel van vertrek krijgt. 2.15. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank In de zaak NL25.14394 De BMA-adviezen 3. Verweerder 1 heeft in deze procedure het BMA verschillende keren om advies gevraagd. 3.1. Het eerste BMA-advies van 12 juni 2023 vermeldt het volgende: “Uit de informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat betrokkene gediagnosticeerd is met: Diffuus grootcellig B cel lymfoom (DGBCL): een vorm van lymfklierkanker. De ziekte ontstaat meestal in een lymfeklier of het beenmerg, maar kan ook ontstaan op andere plaatsen van het lymfestelstel, zoals in de milt of lever. Betrokkene presenteerde zich met een mediastinale massa (tumoren die zich ontwikkelen aan de voorzijde van borst). Als gevolg hiervan lijdt ze aan vena cava superior syndroom. Het is een aandoening waarbij de bovenste holle ader bekneld raakt.
Volledig
Het kan hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) verzoorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend op korte termijn. De behandeling bestaat uit 6x kuren immunochemotherapie die iedere drie weken worden gegeven. Anemie. Bloedarmoede behandeld met medicatie. (…)” “Follow up bij hematoloog voor behandeling van diffuus grootcellig B cel lymfoom (DGBCL). De behandeling bestaat uit zes keer kuren immunochemotherapie die iedere drie weken worden gegeven. Omdat er een levenslang risico bestaat op late behandeling bijwerkingen en op een recidief is levenslange controle vereist. Follow up bij hematoloog voor behandeling van anemie. Tijdelijke behandeling en medicatie. (…) Uitblijven van de behandeling voor diffuus grootcellig B cel lymfoom kan op korte termijn leiden tot verergering van het vena cava superior sybdroom, wat de vorming van slokdarmvarices (spataderen in de slokdarm) en trombose (bloedstolsels) kan veroorzaken. Het kan ook hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) veroorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend op korte termijn. Uitblijven van behandeling voor anemie kan leiden tot een verhoogd lange termijn risico of het ontwikkelen van complicaties die het hart of de longen aantasten, zoals een abnormaal snelle hartslag (tachycardie) of hartfalen. Bij uitblijven van genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie op korte termijn, omdat het kan leiden tot verergering van het vena cava superior syndroom. Het is levensbedreigend op korte termijn. Op basis van de anemie verwacht ik geen medische noodsituatie op korte termijn.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 12 juni 2023 is geconcludeerd dat er op de Filipijnen geen of onvoldoende behandelmogelijkheden voor eiseres zijn. 3.2. De aanvullende BMA-nota van 22 februari 2024 vermeldt het volgende: “Uit de informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat betrokkene bekend is met: - Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom (PMLBL) met een vena cava superior syndroom. PMBCL is een vorm van bloedkanker. (…). Betrokkene is gestart met R-CHOP chemotherapie maar vanwege extravasatie van doxorubicine bij kuur 1, is vervolgens doorgegaan met 5 kuren R-CEOP chemotherapie. Een extravasatie is het onbedoeld buiten het bloedvat lopen van een intraveneus bedoeld geneesmiddel. Het kan ernstige weefselschade veroorzaken. De end-of-treatment PET scan liet een rest massa ventraal van het hart zien, waarvoor in september 2023 protonen therapie is gegeven in Delft. Een PET-scan (positron emissie tomografie) is een vorm van nucleair beeldvormend onderzoek. 6 weken na afronden van protonen therapie werd op 27-11-2023 een nieuwe PET scan verricht. (…). Er is op 15-12-2023 gestart met 2de lijns chemotherapie middels Rituximab-Gemcitabine, Dexametason en Cisplatin (R-GDP). Op 25-01-2024 volgt een nieuwe PET scan. lndien de ziekte voldoende gerespondeerd heeft, zal er een 3de R-GDP kuur worden toegediend waarop autologe stamcellen van betrokkene worden verzameld. Zij zal dan naar verwachting in maart 2024 worden opgenomen voor hoge dosis chemotherapie (Carmustine, Etoposide, Cytarabine, Meìfalan) gevolgd door autologe stamceltransplantatie. Bij een autologe stamceltransplantatie krijgt betrokkene haar eigen stamcellen. Dit is een in opzet curatieve behandeling. lndien de respons op de PET scan van 25-01-2024 onvoldoende is, zal betrokkene voorgesteld worden voor immunotherapie met anti-CD19 CAR T cel therapie. -Endometrioïd adenocarcinoom, graad 1: baarmoederkanker. Betrokkene werd voor verder onderzoek doorverwezen naar een oncoloog-gynaecoloog. Therapie: Follow up bij hematoloog voor behandeling van Refractair Primair Mediastinaal grootcellig b cel lymfoom. Het is van blijvende aard. Follow up bij oncoloog-gynaecoloog voor behandeling van Endometrioïd adenocarcinoom, graad 1. Het is van blijvende aard. Chemotherapie en PET scan (…). Uitblijven van behandeling voor Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom kan leiden tot verergering van het vena cava superior syndroom, wat de vorming van slokdarmvarices (spataderen in de slokdarm) en trombose (bloedstolsels) kan veroorzaken. Het kan ook hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) veroorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend . Uitblijven van behandeling voor endometrioïd adenocarcinoom kan leiden tot uitzaaiingen naar de lymfeklieren, eierstokken, blaas, darmen, longen, lever, hersenen en botten. Dit zal uiteindelijk tot de dood leiden. Bij uitblijven van de genoemde behandeling voor Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom (PMLBL) verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn. Bij uitblijven van de genoemde behandeling voor endometrioïd adenocarcinoom (graad 1) verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat het een langzaam proces is. Betrokkene wordt momenteel behandeld met verschillende chemotherapiemedicijnen en afhankelijk van de respons zal zij een autologe stamceltransplantatie ondergaan. Daarom wordt aanbevolen om na 6 maanden een nieuw advies op te stellen. Op dat moment zou de medische status van de betrokkene duidelijker zijn.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 22 februari 2024 de landgebonden vragen niet beantwoord zijn. 3.3. Het BMA advies van 17 oktober 2024 vermeldt het volgende: “Op 22 februari 2024 is een eerder advies uitgebracht. De conclusies van dat advies en het huidige advies komen niet overeen. Op het vorige advies werd betrokkene behandeld met verschillende chemotherapiemedicijnen. Betrokkene heeft in de afgelopen zes maanden een stamceltransplantatie en een hysterectomie ondergaan (met goede respons). Ze gebruikt geen medicatie. Momenteel is er geen sprake van een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Uit de informatie verkregen van de gemachtige behandelaars komt naar voren dat betrokkene bekend is met Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B-cel lymfoom (PMBCL) met een vena cava superior syndroom. PMBCL is een vorm van bloedkanker. (…) Behandeld met meerdere chemotherapie kuren gevolgd – in april 2024 – door autologe stamceltransplantatie. Bij een autologe stamceltransplantatie krijgt betrokkene haar eigen stamcellen. Dit is een in opzet curatieve behandeling. Betrokkene heeft de eerste ronde van vaccinatie afgerond. Ze gebruikt geen medicatie. (…) In juni 2024 werd een laparoscopische hysterectomie (baarmoederverwijdering) uitgevoerd. Postoperatief bleek het een endometriumcarcinoom FIGO 1B (niet agressieve histologische typen met invasie van de helft of meer van de baarmoeder) te zijn. Het advies voor dit type tumor is om ook de eierstokken te verwijderen. In november 2024 staat een laparoscopische verwijdering van de eierstokken gepland. Gebruikt geen medicatie.” Therapie: Controle bij hematoloog voor het opsporen/behandelen van infecties en secundaire kankers. Het is van blijvende aard. Controle bij gynaecoloog na verwijdering baarmoeder en eierstokken. Tijdelijk controle – 5 jaar. (…) Betrokkene krijgt vaccinaties volgens een schema. Het duurt doorgaans 12 tot 18 maanden voordat de immuniteit na een stamceltransplantatie is hersteld. Het risico op infectie is daarom het grootst in de eerste twee jaar. In latere jaren overheersten secundaire kankers. Regelmatige controles bij hematoloog om infecties en secundaire kankers op te sporen en te behandelen zijn daarom geïndiceerd. Uitblijven van controle van endometriumcarcinoom (na verwijdering van baarmoeder) leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Preventieve verwijdering van de eierstokken is eveneens geïndiceerd. Bij uitblijven van behandeling voor primair mediastinaal grootcellig B-cel lymfoom (PMBCL) verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat betrokkene een curatieve behandeling met stamceltransplantatie heeft ondergaan.
Volledig
Het kan hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) verzoorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend op korte termijn. De behandeling bestaat uit 6x kuren immunochemotherapie die iedere drie weken worden gegeven. Anemie. Bloedarmoede behandeld met medicatie. (…)” “Follow up bij hematoloog voor behandeling van diffuus grootcellig B cel lymfoom (DGBCL). De behandeling bestaat uit zes keer kuren immunochemotherapie die iedere drie weken worden gegeven. Omdat er een levenslang risico bestaat op late behandeling bijwerkingen en op een recidief is levenslange controle vereist. Follow up bij hematoloog voor behandeling van anemie. Tijdelijke behandeling en medicatie. (…) Uitblijven van de behandeling voor diffuus grootcellig B cel lymfoom kan op korte termijn leiden tot verergering van het vena cava superior sybdroom, wat de vorming van slokdarmvarices (spataderen in de slokdarm) en trombose (bloedstolsels) kan veroorzaken. Het kan ook hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) veroorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend op korte termijn. Uitblijven van behandeling voor anemie kan leiden tot een verhoogd lange termijn risico of het ontwikkelen van complicaties die het hart of de longen aantasten, zoals een abnormaal snelle hartslag (tachycardie) of hartfalen. Bij uitblijven van genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie op korte termijn, omdat het kan leiden tot verergering van het vena cava superior syndroom. Het is levensbedreigend op korte termijn. Op basis van de anemie verwacht ik geen medische noodsituatie op korte termijn.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 12 juni 2023 is geconcludeerd dat er op de Filipijnen geen of onvoldoende behandelmogelijkheden voor eiseres zijn. 3.2. De aanvullende BMA-nota van 22 februari 2024 vermeldt het volgende: “Uit de informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat betrokkene bekend is met: - Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom (PMLBL) met een vena cava superior syndroom. PMBCL is een vorm van bloedkanker. (…). Betrokkene is gestart met R-CHOP chemotherapie maar vanwege extravasatie van doxorubicine bij kuur 1, is vervolgens doorgegaan met 5 kuren R-CEOP chemotherapie. Een extravasatie is het onbedoeld buiten het bloedvat lopen van een intraveneus bedoeld geneesmiddel. Het kan ernstige weefselschade veroorzaken. De end-of-treatment PET scan liet een rest massa ventraal van het hart zien, waarvoor in september 2023 protonen therapie is gegeven in Delft. Een PET-scan (positron emissie tomografie) is een vorm van nucleair beeldvormend onderzoek. 6 weken na afronden van protonen therapie werd op 27-11-2023 een nieuwe PET scan verricht. (…). Er is op 15-12-2023 gestart met 2de lijns chemotherapie middels Rituximab-Gemcitabine, Dexametason en Cisplatin (R-GDP). Op 25-01-2024 volgt een nieuwe PET scan. lndien de ziekte voldoende gerespondeerd heeft, zal er een 3de R-GDP kuur worden toegediend waarop autologe stamcellen van betrokkene worden verzameld. Zij zal dan naar verwachting in maart 2024 worden opgenomen voor hoge dosis chemotherapie (Carmustine, Etoposide, Cytarabine, Meìfalan) gevolgd door autologe stamceltransplantatie. Bij een autologe stamceltransplantatie krijgt betrokkene haar eigen stamcellen. Dit is een in opzet curatieve behandeling. lndien de respons op de PET scan van 25-01-2024 onvoldoende is, zal betrokkene voorgesteld worden voor immunotherapie met anti-CD19 CAR T cel therapie. -Endometrioïd adenocarcinoom, graad 1: baarmoederkanker. Betrokkene werd voor verder onderzoek doorverwezen naar een oncoloog-gynaecoloog. Therapie: Follow up bij hematoloog voor behandeling van Refractair Primair Mediastinaal grootcellig b cel lymfoom. Het is van blijvende aard. Follow up bij oncoloog-gynaecoloog voor behandeling van Endometrioïd adenocarcinoom, graad 1. Het is van blijvende aard. Chemotherapie en PET scan (…). Uitblijven van behandeling voor Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom kan leiden tot verergering van het vena cava superior syndroom, wat de vorming van slokdarmvarices (spataderen in de slokdarm) en trombose (bloedstolsels) kan veroorzaken. Het kan ook hersenoedeem (zwelling van het hersenweefsel) veroorzaken, leidend tot coma en larynxoedeem (strottenhoofdoedeem), leidend tot ademhalingsfalen (zuurstofgebrek). Het is levensbedreigend . Uitblijven van behandeling voor endometrioïd adenocarcinoom kan leiden tot uitzaaiingen naar de lymfeklieren, eierstokken, blaas, darmen, longen, lever, hersenen en botten. Dit zal uiteindelijk tot de dood leiden. Bij uitblijven van de genoemde behandeling voor Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B cel lymfoom (PMLBL) verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn. Bij uitblijven van de genoemde behandeling voor endometrioïd adenocarcinoom (graad 1) verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat het een langzaam proces is. Betrokkene wordt momenteel behandeld met verschillende chemotherapiemedicijnen en afhankelijk van de respons zal zij een autologe stamceltransplantatie ondergaan. Daarom wordt aanbevolen om na 6 maanden een nieuw advies op te stellen. Op dat moment zou de medische status van de betrokkene duidelijker zijn.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 22 februari 2024 de landgebonden vragen niet beantwoord zijn. 3.3. Het BMA advies van 17 oktober 2024 vermeldt het volgende: “Op 22 februari 2024 is een eerder advies uitgebracht. De conclusies van dat advies en het huidige advies komen niet overeen. Op het vorige advies werd betrokkene behandeld met verschillende chemotherapiemedicijnen. Betrokkene heeft in de afgelopen zes maanden een stamceltransplantatie en een hysterectomie ondergaan (met goede respons). Ze gebruikt geen medicatie. Momenteel is er geen sprake van een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Uit de informatie verkregen van de gemachtige behandelaars komt naar voren dat betrokkene bekend is met Refractair Primair Mediastinaal grootcellig B-cel lymfoom (PMBCL) met een vena cava superior syndroom. PMBCL is een vorm van bloedkanker. (…) Behandeld met meerdere chemotherapie kuren gevolgd – in april 2024 – door autologe stamceltransplantatie. Bij een autologe stamceltransplantatie krijgt betrokkene haar eigen stamcellen. Dit is een in opzet curatieve behandeling. Betrokkene heeft de eerste ronde van vaccinatie afgerond. Ze gebruikt geen medicatie. (…) In juni 2024 werd een laparoscopische hysterectomie (baarmoederverwijdering) uitgevoerd. Postoperatief bleek het een endometriumcarcinoom FIGO 1B (niet agressieve histologische typen met invasie van de helft of meer van de baarmoeder) te zijn. Het advies voor dit type tumor is om ook de eierstokken te verwijderen. In november 2024 staat een laparoscopische verwijdering van de eierstokken gepland. Gebruikt geen medicatie.” Therapie: Controle bij hematoloog voor het opsporen/behandelen van infecties en secundaire kankers. Het is van blijvende aard. Controle bij gynaecoloog na verwijdering baarmoeder en eierstokken. Tijdelijk controle – 5 jaar. (…) Betrokkene krijgt vaccinaties volgens een schema. Het duurt doorgaans 12 tot 18 maanden voordat de immuniteit na een stamceltransplantatie is hersteld. Het risico op infectie is daarom het grootst in de eerste twee jaar. In latere jaren overheersten secundaire kankers. Regelmatige controles bij hematoloog om infecties en secundaire kankers op te sporen en te behandelen zijn daarom geïndiceerd. Uitblijven van controle van endometriumcarcinoom (na verwijdering van baarmoeder) leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Preventieve verwijdering van de eierstokken is eveneens geïndiceerd. Bij uitblijven van behandeling voor primair mediastinaal grootcellig B-cel lymfoom (PMBCL) verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat betrokkene een curatieve behandeling met stamceltransplantatie heeft ondergaan.
Volledig
Bij uitblijven van genoemde behandeling van endometriumcarcinoom verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn. Echter kan er na zes maanden wel een situatie ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden bij uitblijven van behandeling.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 17 oktober 2024 de landsgebonden vragen niet beantwoord zijn. 3.4. De aanvullende BMA-nota van 23 december 2024 vermeldt het volgende: “De informatie die is toegestuurd bevat een bevestiging van de gynaecoloog dat de operatie aan de eierstokken op 6-11-2024 is uitgevoerd en ongecompliceerd is verlopen.” De rechtbank stelt vast dat in de BMA-nota van 23 december 2024 niet wordt ingegaan op de landsgebonden vragen. 3.5. In het BMA-advies van 31 december 2025 vermeld het volgende: “Betrokkene staat onder controle van de internist-hematoloog. Zij wordt om de 3 maanden poliklinisch gezien voor monitoring van een eventueel recidief van haar ziekte. Deze controles zullen 5 jaar aanhouden. Vanwege aanhoudende hoestklachten is betrokkene onder controle en behandeling van een longarts. De longarts is gestart met medicatie en betrokkene zal binnen 2-3 maanden worden teruggezien. Het is dan afhankelijk van de klachten en de longfunctie hoe het beleid verder zijn. Als de klachten over zijn kan zij daarna eventueel retour naar een huisarts. Betrokkene staat ook nog onder controle van de gynaecoloog in verband met het endometrium carcinoom. Betrokkene is voor onderzoek bij de MDL-arts geweest, maar hoeft daar niet meer terug te komen. Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn. Ten aanzien van zowel het lymfoom als het endometrium carcinoom is betrokkene curatief behandeld en komt zijn alleen nog voor controle bij de internist-hematoloog en gynaecoloog. Het is niet de verwachting dat bij het uitblijven van deze controles er zich binnen een indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden een situatie zal voordoen waarbij er sprake is van overlijden, volledige ADL-afhankelijk of een noodzaak tot (gedwongen) opname.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 31 december 2025 de landgebonden vragen niet beantwoord zijn. Bestreden besluit 1 4. Verweerder 1 heeft met bestreden besluit 1 vastgehouden aan het standpunt dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ en ook geen verder uitstel van vertrek toekomt. Uit het BMA-advies van 17 oktober 2024 en de aanvullende BMA-nota van 23 december 2024 volgt namelijk dat geen medische noodsituatie te verwachten valt binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van verdere medische behandeling. Dit is nogmaals bevestigd in het BMA-advies van 31 december 2025. Mogelijk kan er na zes maanden een ernstige situatie ontstaan bij het uitblijven van verdere behandeling. Dit vormt echter geen aanleiding voor verweerder 1 om alsnog de door eiseres gevraagde vergunning te verlenen. Dit omdat er geen uitspraak gedaan kan worden over de vraag of er ná zes maanden een medische noodsituatie optreedt. Er kunnen namelijk in de loop van de tijd wijzigingen in de medische situatie van eiseres plaatsvinden die voor een arts niet te voorspellen zijn. Daarnaast kunnen op de lange termijn ook niet-medische omgevingsfactoren van invloed zijn op het beloop van een ziekte of aandoening. Enkel in zeer uitzonderlijke gevallen kan alsnog tot verlening van de door eiseres gevraagde verblijfsvergunning worden overgegaan op grond van de evenredigheidstoets. Daarvoor is vereist dat eiseres stelt en onderbouwt dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat in het verblijf van eiseres in Nederland moet worden berust. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat een dergelijke situatie zich hier voordoet, maar heeft dit niet onderbouwd. Standpunten van eiseres en verweerder 1 5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder 1 bij de vraag of er een medische noodsituatie te verwachten valt hij het uitblijven van verdere medische behandeling ten onrechte een gefixeerde termijn van zes maanden hanteert. Verweerder 1 gaat er namelijk aan voorbij dat uit het BMA-advies van 17 oktober 2024 volgt dat er na zes maanden bij het uitblijven van behandeling – in de vorm van controles – een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden in de vorm van uitzaaiingen. Gelet op dit gegeven stelt eiseres zich primair op het standpunt dat verweerder 1 haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat verweerder 1 haar, gelet op dit gegeven, verder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 had moeten verlenen. 5.1. Verweerder 1 heeft in het verweerschrift vastgehouden aan het standpunt dat hij terecht een indicatieve termijn van drie tot zes maanden heeft gehanteerd. Verweerder 1 wijst ter onderbouwing van de legitimiteit van deze indicatieve termijn op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023 . Juridisch kader ‘medische noodsituatie’ 6. Op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Richtlijn) vaardigen lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Op grond van artikel 5, onder c, van de Richtlijn houden lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Richtlijn rekening met de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn kunnen lidstaten voorts op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Lidstaten houden daarbij met name rekening met de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land. 6.1. Artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn is uitgewerkt in artikel 64 van de Vw 2000 en paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000 . Hierin is bepaald dat een vreemdeling uitstel van vertrek krijgt als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Op grond van paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000 is hiervoor onder andere vereist dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie. 6.2. Ook voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ geldt het criterium dat er een medische noodsituatie ontstaat als de behandeling wordt stopgezet. Dit volgt uit paragraaf B8/9.1.1. van de Vc 2000. 6.3. Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder 1: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Oordeel rechtbank 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder 1, in het specifieke geval van eiseres, onvoldoende gemotiveerd heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank legt dit hierna uit. 7.1. Het evenredigheidsbeginsel is een algemeen beginsel van Unierecht dat in heel het Unierecht doorwerkt. Bij toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel komen de volgende vragen aan bod: i) is het besluit geschikt om het doel te bereiken? ii) is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? iii) is de maatregel evenwichtig (evenredigheid in stricto sensu )? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende? 7.2. De intensiteit van toetsing aan deze beoordelingscriteria varieert van terughoudend tot indringend, afhankelijk van de aard van de bevoegdheid, de aard van de aangetaste belangen en de omstandigheden van het geval. 7.3. Eiseres heeft geen gronden gericht tegen de geschiktheid en de noodzaak van het bestreden besluit. Haar grond richt zich tegen de evenwichtigheid daarvan. De rechtbank toetst daarom alleen of bestreden besluit 1 niet onredelijk bezwarend is voor eiseres. 7.4.
Volledig
Bij uitblijven van genoemde behandeling van endometriumcarcinoom verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn. Echter kan er na zes maanden wel een situatie ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden bij uitblijven van behandeling.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 17 oktober 2024 de landsgebonden vragen niet beantwoord zijn. 3.4. De aanvullende BMA-nota van 23 december 2024 vermeldt het volgende: “De informatie die is toegestuurd bevat een bevestiging van de gynaecoloog dat de operatie aan de eierstokken op 6-11-2024 is uitgevoerd en ongecompliceerd is verlopen.” De rechtbank stelt vast dat in de BMA-nota van 23 december 2024 niet wordt ingegaan op de landsgebonden vragen. 3.5. In het BMA-advies van 31 december 2025 vermeld het volgende: “Betrokkene staat onder controle van de internist-hematoloog. Zij wordt om de 3 maanden poliklinisch gezien voor monitoring van een eventueel recidief van haar ziekte. Deze controles zullen 5 jaar aanhouden. Vanwege aanhoudende hoestklachten is betrokkene onder controle en behandeling van een longarts. De longarts is gestart met medicatie en betrokkene zal binnen 2-3 maanden worden teruggezien. Het is dan afhankelijk van de klachten en de longfunctie hoe het beleid verder zijn. Als de klachten over zijn kan zij daarna eventueel retour naar een huisarts. Betrokkene staat ook nog onder controle van de gynaecoloog in verband met het endometrium carcinoom. Betrokkene is voor onderzoek bij de MDL-arts geweest, maar hoeft daar niet meer terug te komen. Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik geen medische noodsituatie binnen deze termijn. Ten aanzien van zowel het lymfoom als het endometrium carcinoom is betrokkene curatief behandeld en komt zijn alleen nog voor controle bij de internist-hematoloog en gynaecoloog. Het is niet de verwachting dat bij het uitblijven van deze controles er zich binnen een indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden een situatie zal voordoen waarbij er sprake is van overlijden, volledige ADL-afhankelijk of een noodzaak tot (gedwongen) opname.” De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 31 december 2025 de landgebonden vragen niet beantwoord zijn. Bestreden besluit 1 4. Verweerder 1 heeft met bestreden besluit 1 vastgehouden aan het standpunt dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ en ook geen verder uitstel van vertrek toekomt. Uit het BMA-advies van 17 oktober 2024 en de aanvullende BMA-nota van 23 december 2024 volgt namelijk dat geen medische noodsituatie te verwachten valt binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van verdere medische behandeling. Dit is nogmaals bevestigd in het BMA-advies van 31 december 2025. Mogelijk kan er na zes maanden een ernstige situatie ontstaan bij het uitblijven van verdere behandeling. Dit vormt echter geen aanleiding voor verweerder 1 om alsnog de door eiseres gevraagde vergunning te verlenen. Dit omdat er geen uitspraak gedaan kan worden over de vraag of er ná zes maanden een medische noodsituatie optreedt. Er kunnen namelijk in de loop van de tijd wijzigingen in de medische situatie van eiseres plaatsvinden die voor een arts niet te voorspellen zijn. Daarnaast kunnen op de lange termijn ook niet-medische omgevingsfactoren van invloed zijn op het beloop van een ziekte of aandoening. Enkel in zeer uitzonderlijke gevallen kan alsnog tot verlening van de door eiseres gevraagde verblijfsvergunning worden overgegaan op grond van de evenredigheidstoets. Daarvoor is vereist dat eiseres stelt en onderbouwt dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat in het verblijf van eiseres in Nederland moet worden berust. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat een dergelijke situatie zich hier voordoet, maar heeft dit niet onderbouwd. Standpunten van eiseres en verweerder 1 5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder 1 bij de vraag of er een medische noodsituatie te verwachten valt hij het uitblijven van verdere medische behandeling ten onrechte een gefixeerde termijn van zes maanden hanteert. Verweerder 1 gaat er namelijk aan voorbij dat uit het BMA-advies van 17 oktober 2024 volgt dat er na zes maanden bij het uitblijven van behandeling – in de vorm van controles – een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden in de vorm van uitzaaiingen. Gelet op dit gegeven stelt eiseres zich primair op het standpunt dat verweerder 1 haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat verweerder 1 haar, gelet op dit gegeven, verder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 had moeten verlenen. 5.1. Verweerder 1 heeft in het verweerschrift vastgehouden aan het standpunt dat hij terecht een indicatieve termijn van drie tot zes maanden heeft gehanteerd. Verweerder 1 wijst ter onderbouwing van de legitimiteit van deze indicatieve termijn op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023 . Juridisch kader ‘medische noodsituatie’ 6. Op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Richtlijn) vaardigen lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Op grond van artikel 5, onder c, van de Richtlijn houden lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Richtlijn rekening met de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn kunnen lidstaten voorts op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Lidstaten houden daarbij met name rekening met de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land. 6.1. Artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn is uitgewerkt in artikel 64 van de Vw 2000 en paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000 . Hierin is bepaald dat een vreemdeling uitstel van vertrek krijgt als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Op grond van paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000 is hiervoor onder andere vereist dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie. 6.2. Ook voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ geldt het criterium dat er een medische noodsituatie ontstaat als de behandeling wordt stopgezet. Dit volgt uit paragraaf B8/9.1.1. van de Vc 2000. 6.3. Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder 1: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Oordeel rechtbank 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder 1, in het specifieke geval van eiseres, onvoldoende gemotiveerd heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank legt dit hierna uit. 7.1. Het evenredigheidsbeginsel is een algemeen beginsel van Unierecht dat in heel het Unierecht doorwerkt. Bij toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel komen de volgende vragen aan bod: i) is het besluit geschikt om het doel te bereiken? ii) is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? iii) is de maatregel evenwichtig (evenredigheid in stricto sensu )? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende? 7.2. De intensiteit van toetsing aan deze beoordelingscriteria varieert van terughoudend tot indringend, afhankelijk van de aard van de bevoegdheid, de aard van de aangetaste belangen en de omstandigheden van het geval. 7.3. Eiseres heeft geen gronden gericht tegen de geschiktheid en de noodzaak van het bestreden besluit. Haar grond richt zich tegen de evenwichtigheid daarvan. De rechtbank toetst daarom alleen of bestreden besluit 1 niet onredelijk bezwarend is voor eiseres. 7.4.
Volledig
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder 1 zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit 1 niet onredelijk bezwarend is voor eiseres. Verweerder 1 heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres wel degelijk onderbouwd bijzondere omstandigheden aangevoerd. Eiseres heeft ernstige levensbedreigende aandoeningen doorgemaakt en zware medische behandelingen daarvoor ondergaan. De kans op recidief van deze aandoeningen is niet denkbeeldig. In de BMA-adviezen van 17 oktober 2024 en 31 december 2024 staat ook dat de controles bij de gynaecoloog na verwijdering van de baarmoeder en eierstokken en de controles bij de hematoloog voor het opsporen en behandelen van secundaire kankers vijf jaar beslaan. Aangenomen dat dit gerekend wordt vanaf de verwijdering van de eierstokken in november 2024, zijn deze periodieke controles dus medisch noodzakelijk tot november 2029. Het uitblijven van deze controle kan leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Het BMA-advies van 17 oktober 2024 concludeert dat er na zes maanden bij het uitblijven van behandeling een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden. Uit het BMA-advies van 31 december 2025 volgt dat deze controles nog steeds plaatsvinden. 7.5. Gelet op de ernst van de aandoeningen, de aard van de ingezette medische behandelingen, en de langdurige nacontroles die eiseres moet ondergaan bij zowel de hematoloog als de gynaecoloog, is de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel dat het onevenredig bezwarend is voor eiseres dat verweerder 1 in bestreden besluit 1 heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in Cannabisarrest van het HvJEU . Volgens dit arrest moet er, om schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te voorkomen, niet alleen maar gekeken worden naar de vraag of er bij terugkeer van de derdelander een reëel risico ontstaat op een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn omdat er geen behandeling beschikbaar is, maar ook of een reëel risico ontstaat op een significante daling van de levensverwachting, omdat geen passende zorg beschikbaar is. Bij deze beoordeling moeten volgens het HvJEU alle relevante factoren worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank vallen hieronder ook nacontroles om ervoor te zorgen dat in geval van recidief snel kan worden ingegrepen. De rechtbank vraagt zich dan ook af waarom in de specifieke omstandigheden van dit geval niet bijvoorbeeld is aangeknoopt bij de termijnen van de nacontroles die eiseres moet ondergaan bij de hematoloog en de gynaecoloog. 7.6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder 1 in het specifieke geval van eiseres onderzoek had moeten (laten) doen naar de behandelmogelijkheden op de Filipijnen. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het Cannabisarrest, waarin het HvJEU de beschikbaarheid van passende zorg in het land van herkomst expliciet noemt als een factor waarmee rekening moet worden gehouden. Verder vindt de rechtbank steun voor dit oordeel in het arrest Paposhvili van het EHRM (onderstreping RB): “The Court considers that the “other very exceptional cases” within the meaning of the judgment in N. v. the United Kingdom (§ 43) which may raise an issue under Article 3 should be understood to refer to situations involving the removal of a seriously ill person in which substantial grounds have been shown for believing that he or she, although not at imminent risk of dying, would face a real risk, on account of the absence of appropriate treatment in the receiving country or the lack of access to such treatment , of being exposed to a serious, rapid and irreversible decline in his or her state of health resulting in intense suffering or to a significant reduction in life expectancy .” Uit de hierboven genoemde rechtspraak van het HvJEU en het EHRM valt niet af te leiden dat de vraag of medische behandeling mogelijk is in het land van herkomst alleen maar beantwoord hoeft te worden als er binnen drie tot zes maanden een medische noodsituatie wordt verwacht. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ook beantwoord moet worden in het geval van eiseres, dat zich kenmerkt door ernstige levensbedreigende aandoeningen, zware medische behandeling en een langdurig natraject. 7.7. Verweerder 1 is in het bestreden besluit niet gemotiveerd ingegaan op de bovengenoemde omstandigheden en relevante factoren in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Verweerder 1 heeft slechts verwezen naar zijn beleid en geoordeeld dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, waar de rechtbank dus niet in meegaat. Het bestreden besluit is om deze reden gebrekkig gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder 1 opdragen opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. In dit nieuw te nemen besluit zal verweerder 1 alle hierboven genoemde specifieke omstandigheden moeten meenemen en het BMA moeten vragen zich uit te laten over behandelmogelijkheden op de Filipijnen. Daarna zal verweerder 1 zich opnieuw moeten beraden of het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor medische behandeling dan wel het niet opnieuw geven van uitstel van vertrek de toets aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. 7.8. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de andere beroepsgronden tegen bestreden besluit 1. In de zaak NL25.17936 Bestreden besluit 2 8. Verweerder 2 heeft zich in bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat eiseres met ingang van 22 april 2025 geen recht meer heeft op Rva-verstrekkingen, omdat zij na 25 maart 2025 geen verder uitstel van vertrek heeft gekregen van verweerder 1. Oordeel rechtbank 9. De rechtbank is hierboven tot het oordeel gekomen dat bestreden besluit 1, waarmee verweerder 1 geen verder uitstel van vertrek heeft verleend aan eiseres na 25 maart 2025 en verweerder 1 ook is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning voor medische behandeling, niet in stand kan blijven. Bestreden besluit 2, waarmee de stopzetting van Rva-verstrekkingen is gekoppeld aan bestreden besluit 1, is daarmee eveneens gebrekkig gemotiveerd en kan daarom ook niet in stand blijven. De rechtbank zal bestreden besluit 2 daarom vernietigen. 9.1. Omdat bestreden besluit 2 hierom al geen stand kan houden, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de gronden van eiseres tegen bestreden besluit 2. Conclusie en gevolgen 10. De beroepen zijn gegrond omdat zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2 in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder 1 een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder 1 hiervoor een termijn van acht weken. 10.2. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van 8:72, vijfde lid, van de Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiseres Rva-verstrekkingen blijft ontvangen in afwachting van een nieuw door verweerder 1 te nemen besluit op haar bezwaar. 10.3. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeven verweerders geen griffierecht aan haar te vergoeden. 10.4. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. 10.5.
Volledig
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder 1 zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit 1 niet onredelijk bezwarend is voor eiseres. Verweerder 1 heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres wel degelijk onderbouwd bijzondere omstandigheden aangevoerd. Eiseres heeft ernstige levensbedreigende aandoeningen doorgemaakt en zware medische behandelingen daarvoor ondergaan. De kans op recidief van deze aandoeningen is niet denkbeeldig. In de BMA-adviezen van 17 oktober 2024 en 31 december 2024 staat ook dat de controles bij de gynaecoloog na verwijdering van de baarmoeder en eierstokken en de controles bij de hematoloog voor het opsporen en behandelen van secundaire kankers vijf jaar beslaan. Aangenomen dat dit gerekend wordt vanaf de verwijdering van de eierstokken in november 2024, zijn deze periodieke controles dus medisch noodzakelijk tot november 2029. Het uitblijven van deze controle kan leiden – op termijn – tot uitzaaiingen naar de longen, lever, botten en hersenen. Het BMA-advies van 17 oktober 2024 concludeert dat er na zes maanden bij het uitblijven van behandeling een situatie kan ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden. Uit het BMA-advies van 31 december 2025 volgt dat deze controles nog steeds plaatsvinden. 7.5. Gelet op de ernst van de aandoeningen, de aard van de ingezette medische behandelingen, en de langdurige nacontroles die eiseres moet ondergaan bij zowel de hematoloog als de gynaecoloog, is de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel dat het onevenredig bezwarend is voor eiseres dat verweerder 1 in bestreden besluit 1 heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in Cannabisarrest van het HvJEU . Volgens dit arrest moet er, om schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te voorkomen, niet alleen maar gekeken worden naar de vraag of er bij terugkeer van de derdelander een reëel risico ontstaat op een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn omdat er geen behandeling beschikbaar is, maar ook of een reëel risico ontstaat op een significante daling van de levensverwachting, omdat geen passende zorg beschikbaar is. Bij deze beoordeling moeten volgens het HvJEU alle relevante factoren worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank vallen hieronder ook nacontroles om ervoor te zorgen dat in geval van recidief snel kan worden ingegrepen. De rechtbank vraagt zich dan ook af waarom in de specifieke omstandigheden van dit geval niet bijvoorbeeld is aangeknoopt bij de termijnen van de nacontroles die eiseres moet ondergaan bij de hematoloog en de gynaecoloog. 7.6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder 1 in het specifieke geval van eiseres onderzoek had moeten (laten) doen naar de behandelmogelijkheden op de Filipijnen. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het Cannabisarrest, waarin het HvJEU de beschikbaarheid van passende zorg in het land van herkomst expliciet noemt als een factor waarmee rekening moet worden gehouden. Verder vindt de rechtbank steun voor dit oordeel in het arrest Paposhvili van het EHRM (onderstreping RB): “The Court considers that the “other very exceptional cases” within the meaning of the judgment in N. v. the United Kingdom (§ 43) which may raise an issue under Article 3 should be understood to refer to situations involving the removal of a seriously ill person in which substantial grounds have been shown for believing that he or she, although not at imminent risk of dying, would face a real risk, on account of the absence of appropriate treatment in the receiving country or the lack of access to such treatment , of being exposed to a serious, rapid and irreversible decline in his or her state of health resulting in intense suffering or to a significant reduction in life expectancy .” Uit de hierboven genoemde rechtspraak van het HvJEU en het EHRM valt niet af te leiden dat de vraag of medische behandeling mogelijk is in het land van herkomst alleen maar beantwoord hoeft te worden als er binnen drie tot zes maanden een medische noodsituatie wordt verwacht. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ook beantwoord moet worden in het geval van eiseres, dat zich kenmerkt door ernstige levensbedreigende aandoeningen, zware medische behandeling en een langdurig natraject. 7.7. Verweerder 1 is in het bestreden besluit niet gemotiveerd ingegaan op de bovengenoemde omstandigheden en relevante factoren in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Verweerder 1 heeft slechts verwezen naar zijn beleid en geoordeeld dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, waar de rechtbank dus niet in meegaat. Het bestreden besluit is om deze reden gebrekkig gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder 1 opdragen opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. In dit nieuw te nemen besluit zal verweerder 1 alle hierboven genoemde specifieke omstandigheden moeten meenemen en het BMA moeten vragen zich uit te laten over behandelmogelijkheden op de Filipijnen. Daarna zal verweerder 1 zich opnieuw moeten beraden of het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor medische behandeling dan wel het niet opnieuw geven van uitstel van vertrek de toets aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. 7.8. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de andere beroepsgronden tegen bestreden besluit 1. In de zaak NL25.17936 Bestreden besluit 2 8. Verweerder 2 heeft zich in bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat eiseres met ingang van 22 april 2025 geen recht meer heeft op Rva-verstrekkingen, omdat zij na 25 maart 2025 geen verder uitstel van vertrek heeft gekregen van verweerder 1. Oordeel rechtbank 9. De rechtbank is hierboven tot het oordeel gekomen dat bestreden besluit 1, waarmee verweerder 1 geen verder uitstel van vertrek heeft verleend aan eiseres na 25 maart 2025 en verweerder 1 ook is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning voor medische behandeling, niet in stand kan blijven. Bestreden besluit 2, waarmee de stopzetting van Rva-verstrekkingen is gekoppeld aan bestreden besluit 1, is daarmee eveneens gebrekkig gemotiveerd en kan daarom ook niet in stand blijven. De rechtbank zal bestreden besluit 2 daarom vernietigen. 9.1. Omdat bestreden besluit 2 hierom al geen stand kan houden, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de gronden van eiseres tegen bestreden besluit 2. Conclusie en gevolgen 10. De beroepen zijn gegrond omdat zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2 in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder 1 een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder 1 hiervoor een termijn van acht weken. 10.2. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van 8:72, vijfde lid, van de Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiseres Rva-verstrekkingen blijft ontvangen in afwachting van een nieuw door verweerder 1 te nemen besluit op haar bezwaar. 10.3. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeven verweerders geen griffierecht aan haar te vergoeden. 10.4. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. 10.5.
Volledig
Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 1 stelt de rechtbank, aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de proceskostenvergoeding vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, 0,5 punt voor het geven van schriftelijke reactie op de brief van verweerder 1 van 13 oktober 2025 en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke reactie op de brief van verweerder 1 van 13 januari 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder 1 moet deze proceskostenvergoeding betalen. 10.6. Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2 stelt de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de proceskostenvergoeding vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder 2 moet deze proceskostenvergoeding betalen. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL25.14394: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond; - vernietigt bestreden besluit 1; - draagt verweerder 1 op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat dat verweerder 1 de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-; in de zaak NL25.17936: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond; - vernietigt bestreden besluit 2; - treft de voorlopige voorziening dat eiseres Rva-verstrekkingen blijft ontvangen in afwachting van het nieuwe besluit dat verweerder 1 moet nemen op het bezwaar van eiseres; - bepaalt dat dat verweerder 2 de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de ambtshalve getroffen voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Bureau Medische Advisering. BMA-advies van 12 juni 2023, pagina’s 2 en 3. BMA-advies van 12 uni 2023, pagina 4. BMA-nota van 22 februari 2024, pagina’s 2, 3 en 4. BMA-advies van 17 oktober 2024, pagina’s 2, 3 en 4. BMA-advies van 31 december 2025, pagina’s 3 en 4. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:4789, onder 5.1. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. Conclusie A-G R.J.G.M. Widdershoven & P.J. Wattel, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468, onder 7.3.1. BMA-advies van 17 oktober 2024, pagina 3. BMA-advies 17 oktober 2024, pagina 4. BMA-advies van 31 december 2025, pagina’s 3 en 4. Arrest van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913. Hof van Justitie van de Europese Unie. Onder 66. Onder 73. Arrest van het EHRM van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810. Europees Hof voor de Rechten van de mens. Onder 183.
Volledig
Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 1 stelt de rechtbank, aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de proceskostenvergoeding vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, 0,5 punt voor het geven van schriftelijke reactie op de brief van verweerder 1 van 13 oktober 2025 en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke reactie op de brief van verweerder 1 van 13 januari 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder 1 moet deze proceskostenvergoeding betalen. 10.6. Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2 stelt de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de proceskostenvergoeding vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder 2 moet deze proceskostenvergoeding betalen. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL25.14394: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond; - vernietigt bestreden besluit 1; - draagt verweerder 1 op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat dat verweerder 1 de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-; in de zaak NL25.17936: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond; - vernietigt bestreden besluit 2; - treft de voorlopige voorziening dat eiseres Rva-verstrekkingen blijft ontvangen in afwachting van het nieuwe besluit dat verweerder 1 moet nemen op het bezwaar van eiseres; - bepaalt dat dat verweerder 2 de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de ambtshalve getroffen voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Bureau Medische Advisering. BMA-advies van 12 juni 2023, pagina’s 2 en 3. BMA-advies van 12 uni 2023, pagina 4. BMA-nota van 22 februari 2024, pagina’s 2, 3 en 4. BMA-advies van 17 oktober 2024, pagina’s 2, 3 en 4. BMA-advies van 31 december 2025, pagina’s 3 en 4. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:4789, onder 5.1. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. Conclusie A-G R.J.G.M. Widdershoven & P.J. Wattel, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468, onder 7.3.1. BMA-advies van 17 oktober 2024, pagina 3. BMA-advies 17 oktober 2024, pagina 4. BMA-advies van 31 december 2025, pagina’s 3 en 4. Arrest van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913. Hof van Justitie van de Europese Unie. Onder 66. Onder 73. Arrest van het EHRM van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810. Europees Hof voor de Rechten van de mens. Onder 183.