Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:11694
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,033 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 text/xml public 2026-05-20T18:00:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL26.22874 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 text/html public 2026-05-13T16:29:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL26.22874 Verlengingsbesluit. Zicht op uitzetting Algerije. Eiser werkt niet mee. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22874 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. L.J.M. Rog. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd. De minister heeft de rechtbank op 22 april 2026 van het verlengingsbesluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Bij aanvang van de zitting van 6 mei 2026 bleek dat eiser niet was aangevoerd. Gemachtigde van eiser en gemachtigde van de minister waren aanwezig op de zitting van 6 mei 2026. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. De rechtbank heeft op 6 mei 2026 telefonisch contact gehad met gemachtigde van eiser met het verzoek het beroep opnieuw op zitting te behandelen op 7 mei 2026. De gemachtigde van eiser gaf aan niet te kunnen op 7 mei 2026. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. 2. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. 3. De minister moet in het verlengingsbesluit, conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende is gemotiveerd, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. 4. De minister heeft aan het verlengingsbesluit de navolgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag gelegd, te weten de zware gronden dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en de lichte gronden dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb2 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.1 De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van de minister de maatregel dragen. Deze gronden zijn voldoende om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De minister heeft niet op dossierniveau gerappelleerd en na ruim zeven maanden is er geen sprake meer van een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister maandelijks is blijven rappelleren op de laissez passer (lp) aanvraag. Dit heeft tot op heden niet geleid tot enige reactie van de Algerijnse autoriteiten. Er is geen nationaliteitsbevestiging afgegeven. Ook is er niet gebleken van een ander aanknopingspunt voor daadwerkelijke voortgang van behandeling van de lp-aanvraag. Naar aanleiding hiervan is toch continueren van vrijheidsontneming op grond van artikel 5, lid 1, sub f, van het EVRM onrechtmatig. 5.1 Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en de minister voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De bewaring mag volgens het geldende recht maximaal achttien maanden duren. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring langer voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. In het licht van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser meerdere malen heeft aangegeven niet mee te willen werken aan terugkeer naar Algerije. Uit de vertrekgesprekken blijkt dat eisers paspoort in Frankrijk ligt en eiser niets heeft ondernomen om zijn paspoort naar Nederland te laten brengen. Eiser heeft bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd ten aanzien van de persoon in Frankrijk waar hij zijn paspoort zou hebben achtergelaten. Ter zitting heeft de minister aangegeven niet bevoegd te zijn de telefoon van eiser te doorzoeken en aangegeven dat eiser met een concreet gemotiveerd verzoek moeten komen om samen met de regievoerder zijn telefoon te doorzoeken. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Eiser kiest eroor zich weigerachtig op te stellen waardoor het proces langer duurt. Dit komt dan ook voor zijn rekening en risico. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de bewaring mocht voortzetten en met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Volgens eiser leidt wat hiervoor is besproken tot een schending van artikel 5, lid 1, sub f van het EVRM. De rechtbank is niet gebleken dat de bewaring van eiser in strijd is met voornoemd artikel. Het betoog slaagt niet. 7. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking. ECLI:EC:C:2014:1320. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 text/xml public 2026-05-20T18:00:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL26.22874 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 text/html public 2026-05-13T16:29:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11694 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL26.22874 Verlengingsbesluit. Zicht op uitzetting Algerije. Eiser werkt niet mee. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22874 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. L.J.M. Rog. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd. De minister heeft de rechtbank op 22 april 2026 van het verlengingsbesluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Bij aanvang van de zitting van 6 mei 2026 bleek dat eiser niet was aangevoerd. Gemachtigde van eiser en gemachtigde van de minister waren aanwezig op de zitting van 6 mei 2026. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. De rechtbank heeft op 6 mei 2026 telefonisch contact gehad met gemachtigde van eiser met het verzoek het beroep opnieuw op zitting te behandelen op 7 mei 2026. De gemachtigde van eiser gaf aan niet te kunnen op 7 mei 2026. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. 2. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. 3. De minister moet in het verlengingsbesluit, conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende is gemotiveerd, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. 4. De minister heeft aan het verlengingsbesluit de navolgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag gelegd, te weten de zware gronden dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en de lichte gronden dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb2 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.1 De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van de minister de maatregel dragen. Deze gronden zijn voldoende om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De minister heeft niet op dossierniveau gerappelleerd en na ruim zeven maanden is er geen sprake meer van een reëel uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister maandelijks is blijven rappelleren op de laissez passer (lp) aanvraag. Dit heeft tot op heden niet geleid tot enige reactie van de Algerijnse autoriteiten. Er is geen nationaliteitsbevestiging afgegeven. Ook is er niet gebleken van een ander aanknopingspunt voor daadwerkelijke voortgang van behandeling van de lp-aanvraag. Naar aanleiding hiervan is toch continueren van vrijheidsontneming op grond van artikel 5, lid 1, sub f, van het EVRM onrechtmatig. 5.1 Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en de minister voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De bewaring mag volgens het geldende recht maximaal achttien maanden duren. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring langer voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. In het licht van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser meerdere malen heeft aangegeven niet mee te willen werken aan terugkeer naar Algerije. Uit de vertrekgesprekken blijkt dat eisers paspoort in Frankrijk ligt en eiser niets heeft ondernomen om zijn paspoort naar Nederland te laten brengen. Eiser heeft bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd ten aanzien van de persoon in Frankrijk waar hij zijn paspoort zou hebben achtergelaten. Ter zitting heeft de minister aangegeven niet bevoegd te zijn de telefoon van eiser te doorzoeken en aangegeven dat eiser met een concreet gemotiveerd verzoek moeten komen om samen met de regievoerder zijn telefoon te doorzoeken. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Eiser kiest eroor zich weigerachtig op te stellen waardoor het proces langer duurt. Dit komt dan ook voor zijn rekening en risico. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de bewaring mocht voortzetten en met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Volgens eiser leidt wat hiervoor is besproken tot een schending van artikel 5, lid 1, sub f van het EVRM. De rechtbank is niet gebleken dat de bewaring van eiser in strijd is met voornoemd artikel. Het betoog slaagt niet. 7. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking. ECLI:EC:C:2014:1320. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.