Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:11677
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:11677 text/xml public 2026-05-18T09:00:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL24.39775 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11677 text/html public 2026-05-13T15:40:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11677 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL24.39775 Asiel – Syrië – Druzen - onvoldoende gemotiveerd – beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.39775 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. H. Loth), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. D. de Laat). Procesverloop Bij besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Partijen zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 12 december 2025. De mondelinge behandeling heeft toen geen doorgang gevonden. Op verzoek van verweerder en met instemming van eiseres heeft de rechtbank de zaak aangehouden. Verweerder heeft op 5 januari 2026 een aanvullend besluit uitgebracht. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede op dit besluit betrekking. Eiseres heeft de gronden van het beroep aangevuld. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Syrische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 10 januari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij als Druus zijnde is gediscrimineerd. Ze vreest ook voor de veiligheid en toekomst van haar dochters. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 7 oktober 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. Op 8 december 2024 heeft er een regimewisseling plaatsgevonden in Syrië. Naar aanleiding hiervan is de zaak aangehouden zodat verweerder eiseres aanvullend kon horen. Dit is op 1 september 2025 gebeurd. Eiseres heeft verklaard dat zij ook onder het nieuwe regime gevaar loopt in Syrië vanwege de algemene veiligheidssituatie ten aanzien van de Druzen. Zij zal als Druus onderdrukt worden, door onder andere de overheid. 3. Bij het aanvullend besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Verweerder acht haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder stelt dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat op grond van haar verklaringen niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging. De vrees om als Druus onderdrukt te worden is niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar direct op zwaarwegendheid. Verweerder meent dat hetgeen zij heeft verklaard over wat haar familie meemaakt, geen individuele omstandigheden zijn die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheid. Verweerder volgt niet dat eiseres bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder neemt voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Eiseres heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheden waardoor zij meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 4. In de aanvullende gronden stelt eiseres zich niet te kunnen verenigen met het aanvullend besluit en beroept zij zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 2 februari 2026. Zij meent dat deze uitspraak ziet op een gelijkluidende feitelijke zaak en wijst daarbij ook expliciet op de voetnoten en daarin genoemde bronnen. Eiseres stelt dat de vreemdeling in deze zaak heeft gesteld dat hij vreest voor vervolging omdat hij behoort tot de Druzengemeenschap. Hij verwees hiervoor naar diverse internationale rapporten en jurisprudentie. Subsidiair heeft de vreemdeling gesteld dat de humanitaire situatie in Syrië, met zwaar beschadigde infrastructuur en oorlogsgeweld, een risico voor hem vormt. Eiseres wijst voorts uitdrukkelijk naar de gemaakte individuele beoordeling wegens het feit dat het zijn van Druus een risico beïnvloedbare factor is en beroept zich daartoe op de EUAA Country Guidance van 1 december 2025. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. De rechtbank stelt voorop dat de beschikking van 7 oktober 2024 niet langer relevant is. Hetgeen daarin is overwogen moet worden gezien in het licht van het Assad-regime. Aangezien er inmiddels een regimewisseling heeft plaatsgevonden, betekent dit dat de overwegingen in de beschikking van 7 oktober 2024 achterhaald zijn. Dit betekent dat dit besluit vernietigd dient te worden. De rechtbank zal dit besluit en de daartegen gerichte beroepsgronden dan ook niet nader bespreken. 6. In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daarbij kent willekeurig geweld verschillende gradaties. In de hoogste gradatie, de meest uitzonderlijke, is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in een gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft in het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire geconcludeerd dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit houdt in dat door de vreemdeling individuele, risico verhogende omstandigheden moeten worden aangevoerd om te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. 7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de enkele verwijzing van eiseres naar ‘anekdotische gebeurtenissen’ van haar familie of mensen in haar voormalige woonomgeving en openbare bronnen onvoldoende zijn om in haar persoonlijke geval te kunnen spreken van individuele omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als risicoverhogende omstandigheden. De rechtbank volgt dit niet. Eiseres heeft zich namelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Druzen sinds de val van het Assad-regime slachtoffer zijn geworden van ernstige mensenrechtenschendingen van de zijde van aan de regering gelieerde milities en dat er sinds juli 2025 grootschalige uitbarstingen van geweld hebben plaatsgevonden in [plaats] , alwaar eiseres vandaan komt. Hetgeen eiseres daarover heeft verklaard in het aanvullend gehoor komt daarmee overeen. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat deze situatie nog steeds voortduurt en haar familie elke dag leeft met de dreiging dat er iets gewelddadigs kan gebeuren. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en uit de door eiseres aangehaalde stukken van Vluchtelingenwerk Nederland en de publicaties blijkt dat er met name in juli 2025, maar ook daarna, gerichte aanvallen op de Druzische gemeenschap hebben plaatsgevonden. De ervaringen van haar familie, waar eiseres uitgebreid over heeft verklaard, worden dan ook bevestigd door openbare bronnen. Als eiseres terug moet keren naar haar voormalige woonomgeving in Syrië en haar familie zal zij in deze situatie terugkeren. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd waarom eiseres hiermee niet zou hebben voldaan aan het aanvoeren van individuele risicoverhogende omstandigheden. Verweerder heeft het aanvullende besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd. 8. Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd in de beroepsgronden behoeft dan ook geen nadere bespreking.