Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:11589
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,150 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 text/xml public 2026-05-19T18:00:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL25.40452 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 text/html public 2026-05-13T11:14:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL25.40452 Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Beroep ongegrond. Problemen door demonstratie in Ethiopië ongeloofwaardig. Politieke activiteiten in Nederland te marginaal om tot vervolging of schade in de zin van artikel 3 EVRM te leiden. Vergunning o.g.v. buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdelingen terecht niet verleend. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40452 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de leeftijd en het referentiekader van eiser. Verder heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de gestelde problemen van eiser in Ethiopië ongeloofwaardig zijn en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland. Tot slot heeft de minister ook kunnen concluderen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking kwam voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Wat is het asielrelaas van eiser? 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Oromo en heeft in 2020 meegedaan aan een grote demonstratie. Hij liep daarbij vooraan en heeft ook pamfletten voor de demonstratie geprint. Na de demonstratie hoorde eiser van zijn moeder dat de politie hem thuis wilde arresteren. Hierna is hij ondergedoken. Toen zijn naam twee jaar later bij een volksvergadering werd genoemd, omdat de autoriteiten hem wilden oppakken, heeft hij besloten het land te verlaten. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan drie bijeenkomsten die werden georganiseerd door de Vereniging Hawasa Oromo Nederland. Hij vreest dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten en bij terugkeer daarom slecht behandeld zal worden. Wat staat er in het bestreden besluit? 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: -de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; -de deelname van eiser aan een demonstratie in Ethiopië en de daaruit volgende problemen; -de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De gestelde problemen door de deelname van eiser aan een demonstratie in Ethiopië gelooft de minister niet. De deelname van eiser aan demonstraties in Nederland vindt de minister wel geloofwaardig. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de leeftijd en het referentiekader van eiser? Wat betoogt eiser? 5. Eiser voert ten eerste aan dat de minister zijn geboortedatum onterecht heeft aangepast tijdens de procedure en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Toen hij opeens als volwassene werd behandeld heeft dit impact op hem gehad. Eiser stelt dat dit mogelijk ook van invloed is geweest op zijn verklaringen tijdens het nader gehoor. Daarbij is het volgens eiser vreemd dat de minister zijn geboortedatum eerst officieel heeft aangepast en vervolgens in het voornemen wel is uitgegaan van de door hem gestelde geboortedatum. Hiervoor ontbreekt een motivering in het bestreden besluit. 5.1. Ten tweede betoogt eiser dat de minister het referentiekader van eiser niet heeft gedefinieerd in de besluitvorming. Daarom is het ook niet duidelijk welk referentiekader er bij de beoordeling van zijn verklaringen is gebruikt. Hij was minderjarig bij het doen van zijn aanvraag en is laagopgeleid. Dit is volgens eiser van belang voor de mate van diepgang en gedetailleerdheid die van hem verwacht mag worden in zijn verklaringen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5.2. De rechtbank stelt vast dat Nidos op 24 november 2023 een bericht van de minister heeft ontvangen waarin staat dat de geboortedatum van eiser met ingang van diezelfde datum wordt aangepast van [geboortedatum] 2006 naar [geboortedatum] 2002. Vervolgens is op het voorblad van het voornemen en van het bestreden besluit de door eiser gestelde geboortedatum ([geboortedatum] 2006) als geboortedatum vermeld. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad inconsistent is, maar dat hierdoor de belangen van eiser in de asielprocedure niet zijn geschaad. In het bestreden besluit is zijn identiteit immers geloofwaardig geacht, met inbegrip van zijn gestelde geboortedatum. 5.3. Wat betreft het referentiekader, volgt de rechtbank het betoog van eiser niet. Hoewel de minister in zowel het voornemen als het bestreden besluit het referentiekader van eiser niet afzonderlijk uiteen heeft gezet en heeft benoemd, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het bestreden besluit wel dat de minister rekening heeft gehouden met de leeftijd en het opleidingsniveau van eiser. De minister heeft namelijk een aantal tegenwerpingen, die zagen op het ontbreken van kennis over politieke organisaties en politieke overtuiging, laten vallen in het bestreden besluit . Daarnaast was eiser al volwassen tijdens het nader gehoor en heeft de minister een gehoormedewerker ingezet, die is opgeleid om zowel minderjarigen als volwassenen te horen. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat aan eiser is gevraagd om het aan te geven als hij een vraag niet begrijpt of iets niet weet en dat tegen eiser is gezegd dat hij het kan aangeven als er vragen zijn waar hij moeite mee heeft. Ook blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat de gehoormedewerker vragen heeft uitgelegd als eiser deze niet begreep. Niet is gebleken dat eiser vanwege zijn leeftijd en/of opleidingsniveau niet in staat was om antwoord te geven op de vragen die hem zijn gesteld over zijn eigen ervaringen en waarnemingen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. 5.4. De beroepsgronden slagen niet.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 text/xml public 2026-05-19T18:00:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL25.40452 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 text/html public 2026-05-13T11:14:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11589 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL25.40452 Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Beroep ongegrond. Problemen door demonstratie in Ethiopië ongeloofwaardig. Politieke activiteiten in Nederland te marginaal om tot vervolging of schade in de zin van artikel 3 EVRM te leiden. Vergunning o.g.v. buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdelingen terecht niet verleend. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40452 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de leeftijd en het referentiekader van eiser. Verder heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de gestelde problemen van eiser in Ethiopië ongeloofwaardig zijn en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland. Tot slot heeft de minister ook kunnen concluderen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking kwam voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Wat is het asielrelaas van eiser? 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Oromo en heeft in 2020 meegedaan aan een grote demonstratie. Hij liep daarbij vooraan en heeft ook pamfletten voor de demonstratie geprint. Na de demonstratie hoorde eiser van zijn moeder dat de politie hem thuis wilde arresteren. Hierna is hij ondergedoken. Toen zijn naam twee jaar later bij een volksvergadering werd genoemd, omdat de autoriteiten hem wilden oppakken, heeft hij besloten het land te verlaten. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan drie bijeenkomsten die werden georganiseerd door de Vereniging Hawasa Oromo Nederland. Hij vreest dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten en bij terugkeer daarom slecht behandeld zal worden. Wat staat er in het bestreden besluit? 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: -de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; -de deelname van eiser aan een demonstratie in Ethiopië en de daaruit volgende problemen; -de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De gestelde problemen door de deelname van eiser aan een demonstratie in Ethiopië gelooft de minister niet. De deelname van eiser aan demonstraties in Nederland vindt de minister wel geloofwaardig. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de leeftijd en het referentiekader van eiser? Wat betoogt eiser? 5. Eiser voert ten eerste aan dat de minister zijn geboortedatum onterecht heeft aangepast tijdens de procedure en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Toen hij opeens als volwassene werd behandeld heeft dit impact op hem gehad. Eiser stelt dat dit mogelijk ook van invloed is geweest op zijn verklaringen tijdens het nader gehoor. Daarbij is het volgens eiser vreemd dat de minister zijn geboortedatum eerst officieel heeft aangepast en vervolgens in het voornemen wel is uitgegaan van de door hem gestelde geboortedatum. Hiervoor ontbreekt een motivering in het bestreden besluit. 5.1. Ten tweede betoogt eiser dat de minister het referentiekader van eiser niet heeft gedefinieerd in de besluitvorming. Daarom is het ook niet duidelijk welk referentiekader er bij de beoordeling van zijn verklaringen is gebruikt. Hij was minderjarig bij het doen van zijn aanvraag en is laagopgeleid. Dit is volgens eiser van belang voor de mate van diepgang en gedetailleerdheid die van hem verwacht mag worden in zijn verklaringen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5.2. De rechtbank stelt vast dat Nidos op 24 november 2023 een bericht van de minister heeft ontvangen waarin staat dat de geboortedatum van eiser met ingang van diezelfde datum wordt aangepast van [geboortedatum] 2006 naar [geboortedatum] 2002. Vervolgens is op het voorblad van het voornemen en van het bestreden besluit de door eiser gestelde geboortedatum ([geboortedatum] 2006) als geboortedatum vermeld. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad inconsistent is, maar dat hierdoor de belangen van eiser in de asielprocedure niet zijn geschaad. In het bestreden besluit is zijn identiteit immers geloofwaardig geacht, met inbegrip van zijn gestelde geboortedatum. 5.3. Wat betreft het referentiekader, volgt de rechtbank het betoog van eiser niet. Hoewel de minister in zowel het voornemen als het bestreden besluit het referentiekader van eiser niet afzonderlijk uiteen heeft gezet en heeft benoemd, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het bestreden besluit wel dat de minister rekening heeft gehouden met de leeftijd en het opleidingsniveau van eiser. De minister heeft namelijk een aantal tegenwerpingen, die zagen op het ontbreken van kennis over politieke organisaties en politieke overtuiging, laten vallen in het bestreden besluit . Daarnaast was eiser al volwassen tijdens het nader gehoor en heeft de minister een gehoormedewerker ingezet, die is opgeleid om zowel minderjarigen als volwassenen te horen. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat aan eiser is gevraagd om het aan te geven als hij een vraag niet begrijpt of iets niet weet en dat tegen eiser is gezegd dat hij het kan aangeven als er vragen zijn waar hij moeite mee heeft. Ook blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat de gehoormedewerker vragen heeft uitgelegd als eiser deze niet begreep. Niet is gebleken dat eiser vanwege zijn leeftijd en/of opleidingsniveau niet in staat was om antwoord te geven op de vragen die hem zijn gesteld over zijn eigen ervaringen en waarnemingen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. 5.4. De beroepsgronden slagen niet.
Volledig
Heeft de minister de gestelde problemen van eiser in Ethiopië ongeloofwaardig kunnen vinden? Wat betoogt eiser? 6. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een dragende motivering in het bestreden besluit, omdat de minister heeft nagelaten aan te geven aan welke overwegingen waarde wordt gehecht en waarom zij de conclusie uit het voornemen kunnen dragen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.1. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de deelname van eiser aan een demonstratie en de daaruit volgende problemen in Ethiopië ongeloofwaardig zijn. Uit het bestreden besluit is namelijk wel degelijk op te maken welke drie argumenten uit het voornemen de minister handhaaft. Dit is ten eerste dat eiser te summier heeft verklaard over het verloop van de demonstratie. Ten tweede dat de verklaringen van eiser over dat hij wordt gezocht en door wie zijn gebaseerd op vermoedens. En ten derde dat eiser drie jaar heeft gewacht om zijn land te verlaten, terwijl hij naar eigen zeggen direct na de demonstratie al werd gezocht. De motivering die de minister hierbij heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank voldoende dragend. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM? Wat betoogt eiser? 7. Eiser betoogt dat hij door zijn deelname aan een drietal politieke bijeenkomsten in Nederland, waarvan beelden zijn gepost door OMN , in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ethiopische autoriteiten. Ook verwijst eiser naar een tweetal uitspraken, waaruit is af te leiden dat negatieve belangstelling van de autoriteiten op de loer ligt als er sprake is van meer dan marginale politieke activiteiten . De minister moet volgens eiser motiveren dat het niet aannemelijk is dat de geposte beelden bij de Ethiopische autoriteiten bekend zijn geworden. Verder voert eiser aan dat in het ambtsbericht staat vermeld dat een persoon die in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, het risico loopt op een slechte behandeling bij terugkeer naar Ethiopië. Tot slot wordt zijn betoog volgens hem bevestigd door de brief van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland van 15 september 2025, die hij heeft overgelegd. Daarin staat dat de Ethiopische autoriteiten Oromo activisten als terroristen beschouwen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit geloofwaardig heeft gevonden dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar meent dat de door eiser gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM die voortkomt uit deze politieke overtuiging niet aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit voldoende gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 7.2. Om te beginnen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser al onder negatieve aandacht stond van de Ethiopische autoriteiten tijdens zijn verblijf in Ethiopië, omdat de door hem gestelde problemen vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Ethiopië ongeloofwaardig zijn en niet is gebleken dat hij zich destijds op een andere wijze negatief heeft uitgelaten over de autoriteiten. 7.3. Ook heeft de minister van belang kunnen vinden dat de politieke activiteiten van eiser zeer marginaal zijn. In Ethiopië is eiser geen lid geweest van een politieke partij en in Nederland heeft hij alleen een aantal demonstraties en vergaderingen van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland bijgewoond. Daar komt bij dat eiser onweersproken een geringe rol heeft (gehad) bij de uitvoering van deze activiteiten in Nederland. De twee uitspraken, waar eiser in beroep naar verwijst, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze twee uitspraken zien namelijk op vreemdelingen waarbij wel sprake was van meer dan marginale politieke activiteiten. 7.4. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van zijn (politieke) activiteiten in Nederland. Dat er foto’s van de demonstraties in Nederland, waarop eiser te zien is, zijn gepost op OMN, maakt nog niet dat deze beelden ook bekend zijn bij de Ethiopische autoriteiten. De stelling van eiser dat de minister moet motiveren dat de beelden van OMN niet bij de Ethiopische autoriteiten bekend zijn geworden slaagt niet. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat de Ethiopische autoriteiten deze beelden wel hebben gezien en hem daarop hebben herkend. Daarnaast blijkt uit de informatie uit de ambtsberichten weliswaar dat de Ethiopische autoriteiten geïnteresseerd zijn in de activiteiten van opposanten in het buitenland, maar dat zij niet meer de capaciteit en de middelen hebben om de diaspora op een efficiënte manier te monitoren. Bovendien volgt uit deze bronnen dat vooral mensenrechtenactivisten en personen die significant kritiek hebben geuit en uiten (via sociale media) op de regering in Ethiopië en daarbuiten werden gemonitord. Zoals hierboven al is overwogen, is daar bij eiser geen sprake van. 7.5. Tot slot leidt ook de brief van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland niet tot een ander oordeel. Deze brief bevat vooral algemene informatie over de situatie van de Oromo in Ethiopië. De informatie uit de brief maakt niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Ethiopische autoriteiten. Daarbij komt dat het niet om informatie uit een objectieve bron gaat. 7.6. De beroepsgronden slagen niet. Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen moeten verlenen? Wat betoogt eiser? 8. Eiser voert aan dat de minister het onderzoek naar adequate opvang niet voortvarend genoeg heeft opgepakt. De minister ging er tijdens het eerste deel van de procedure ten onrechte vanuit dat hij meerderjarig was en is pas twee jaar na de asielaanvraag met de behandeling daarvan begonnen. Als de aanvraag sneller door de minister was behandeld, hadden de onderzoeksresultaten wat betreft de beschikbaarheid van adequate opvang daarbij betrokken kunnen worden. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestond om eiser met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV-ers) te verlenen. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser, omdat de periode vanaf de indiening van de asielaanvraag tot aan het moment dat eiser meerderjarig is geworden niet langer is dan anderhalf jaar . Eiser is namelijk meerderjarig geworden op [geboortedatum] 2024 en hij heeft zijn asielaanvraag zo’n vijf maanden daarvoor (op 22 juli 2023) ingediend. Hij is dus meerderjarig geworden ruim vóór de uiterste datum waarop de minister het besluit moest nemen wat betreft het onderzoek naar adequate opvang. Daar komt bij dat de minister ook van belang heeft kunnen vinden dat er twijfel bestond over de gestelde minderjarigheid van eiser gelet op de schouwen, de ontvangen informatie uit Italië en het ontbreken van identiteitsdocumenten. Dat het onderzoek van de minister zich in eerste instantie heeft gericht op de betrouwbaarheid van de gestelde minderjarigheid van eiser is dan ook logisch. Bovendien had het niet tot een ander resultaat geleid, wanneer de minister het onderzoek naar adequate opvang eerder was opgestart. Eiser is immers meerderjarig geworden binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden en voldeed vanaf dat moment al niet meer aan het buitenschuldbeleid voor AMV-ers. Onder deze omstandigheden kan de minister niet verweten worden dat het onderzoek naar adequate opvang niet voortvarend is opgepakt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.
Volledig
Heeft de minister de gestelde problemen van eiser in Ethiopië ongeloofwaardig kunnen vinden? Wat betoogt eiser? 6. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een dragende motivering in het bestreden besluit, omdat de minister heeft nagelaten aan te geven aan welke overwegingen waarde wordt gehecht en waarom zij de conclusie uit het voornemen kunnen dragen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.1. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de deelname van eiser aan een demonstratie en de daaruit volgende problemen in Ethiopië ongeloofwaardig zijn. Uit het bestreden besluit is namelijk wel degelijk op te maken welke drie argumenten uit het voornemen de minister handhaaft. Dit is ten eerste dat eiser te summier heeft verklaard over het verloop van de demonstratie. Ten tweede dat de verklaringen van eiser over dat hij wordt gezocht en door wie zijn gebaseerd op vermoedens. En ten derde dat eiser drie jaar heeft gewacht om zijn land te verlaten, terwijl hij naar eigen zeggen direct na de demonstratie al werd gezocht. De motivering die de minister hierbij heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank voldoende dragend. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM? Wat betoogt eiser? 7. Eiser betoogt dat hij door zijn deelname aan een drietal politieke bijeenkomsten in Nederland, waarvan beelden zijn gepost door OMN , in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ethiopische autoriteiten. Ook verwijst eiser naar een tweetal uitspraken, waaruit is af te leiden dat negatieve belangstelling van de autoriteiten op de loer ligt als er sprake is van meer dan marginale politieke activiteiten . De minister moet volgens eiser motiveren dat het niet aannemelijk is dat de geposte beelden bij de Ethiopische autoriteiten bekend zijn geworden. Verder voert eiser aan dat in het ambtsbericht staat vermeld dat een persoon die in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, het risico loopt op een slechte behandeling bij terugkeer naar Ethiopië. Tot slot wordt zijn betoog volgens hem bevestigd door de brief van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland van 15 september 2025, die hij heeft overgelegd. Daarin staat dat de Ethiopische autoriteiten Oromo activisten als terroristen beschouwen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit geloofwaardig heeft gevonden dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar meent dat de door eiser gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM die voortkomt uit deze politieke overtuiging niet aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit voldoende gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 7.2. Om te beginnen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser al onder negatieve aandacht stond van de Ethiopische autoriteiten tijdens zijn verblijf in Ethiopië, omdat de door hem gestelde problemen vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Ethiopië ongeloofwaardig zijn en niet is gebleken dat hij zich destijds op een andere wijze negatief heeft uitgelaten over de autoriteiten. 7.3. Ook heeft de minister van belang kunnen vinden dat de politieke activiteiten van eiser zeer marginaal zijn. In Ethiopië is eiser geen lid geweest van een politieke partij en in Nederland heeft hij alleen een aantal demonstraties en vergaderingen van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland bijgewoond. Daar komt bij dat eiser onweersproken een geringe rol heeft (gehad) bij de uitvoering van deze activiteiten in Nederland. De twee uitspraken, waar eiser in beroep naar verwijst, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze twee uitspraken zien namelijk op vreemdelingen waarbij wel sprake was van meer dan marginale politieke activiteiten. 7.4. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van zijn (politieke) activiteiten in Nederland. Dat er foto’s van de demonstraties in Nederland, waarop eiser te zien is, zijn gepost op OMN, maakt nog niet dat deze beelden ook bekend zijn bij de Ethiopische autoriteiten. De stelling van eiser dat de minister moet motiveren dat de beelden van OMN niet bij de Ethiopische autoriteiten bekend zijn geworden slaagt niet. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat de Ethiopische autoriteiten deze beelden wel hebben gezien en hem daarop hebben herkend. Daarnaast blijkt uit de informatie uit de ambtsberichten weliswaar dat de Ethiopische autoriteiten geïnteresseerd zijn in de activiteiten van opposanten in het buitenland, maar dat zij niet meer de capaciteit en de middelen hebben om de diaspora op een efficiënte manier te monitoren. Bovendien volgt uit deze bronnen dat vooral mensenrechtenactivisten en personen die significant kritiek hebben geuit en uiten (via sociale media) op de regering in Ethiopië en daarbuiten werden gemonitord. Zoals hierboven al is overwogen, is daar bij eiser geen sprake van. 7.5. Tot slot leidt ook de brief van de Vereniging Hawaasa Oromo Nederland niet tot een ander oordeel. Deze brief bevat vooral algemene informatie over de situatie van de Oromo in Ethiopië. De informatie uit de brief maakt niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Ethiopische autoriteiten. Daarbij komt dat het niet om informatie uit een objectieve bron gaat. 7.6. De beroepsgronden slagen niet. Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen moeten verlenen? Wat betoogt eiser? 8. Eiser voert aan dat de minister het onderzoek naar adequate opvang niet voortvarend genoeg heeft opgepakt. De minister ging er tijdens het eerste deel van de procedure ten onrechte vanuit dat hij meerderjarig was en is pas twee jaar na de asielaanvraag met de behandeling daarvan begonnen. Als de aanvraag sneller door de minister was behandeld, hadden de onderzoeksresultaten wat betreft de beschikbaarheid van adequate opvang daarbij betrokken kunnen worden. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestond om eiser met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV-ers) te verlenen. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser, omdat de periode vanaf de indiening van de asielaanvraag tot aan het moment dat eiser meerderjarig is geworden niet langer is dan anderhalf jaar . Eiser is namelijk meerderjarig geworden op [geboortedatum] 2024 en hij heeft zijn asielaanvraag zo’n vijf maanden daarvoor (op 22 juli 2023) ingediend. Hij is dus meerderjarig geworden ruim vóór de uiterste datum waarop de minister het besluit moest nemen wat betreft het onderzoek naar adequate opvang. Daar komt bij dat de minister ook van belang heeft kunnen vinden dat er twijfel bestond over de gestelde minderjarigheid van eiser gelet op de schouwen, de ontvangen informatie uit Italië en het ontbreken van identiteitsdocumenten. Dat het onderzoek van de minister zich in eerste instantie heeft gericht op de betrouwbaarheid van de gestelde minderjarigheid van eiser is dan ook logisch. Bovendien had het niet tot een ander resultaat geleid, wanneer de minister het onderzoek naar adequate opvang eerder was opgestart. Eiser is immers meerderjarig geworden binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden en voldeed vanaf dat moment al niet meer aan het buitenschuldbeleid voor AMV-ers. Onder deze omstandigheden kan de minister niet verweten worden dat het onderzoek naar adequate opvang niet voortvarend is opgepakt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.