Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:11535
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 text/xml public 2026-05-19T12:00:24 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL26.25165 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 text/html public 2026-05-12T13:33:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL26.25165 Vervolgberoep bewaring, artikel 59, lid 1, onder a, Vw, maximale termijn inbewaringstelling niet verstreken, redelijk vooruitzicht op verwijdering, belangenafweging, geen lichter middel, ongegrond, geen schadevergoeding, geen proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25165 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 16 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage (M120) overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2026 (in de zaak NL26.14610) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 maart 2026. Maximale duur inbewaringstelling 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maximale duur (achttien maanden) voor inbewaringstelling, zoals genoemd in het arrest Aroja , is verstreken. Eiser voert aan dat het aan de minister is om het overzicht van eerdere inbewaringstellingen in de voortgangsrapportage (M120) compleet te maken en te motiveren dat de maximale termijn voor inbewaringstelling niet is verstreken. Dit overzicht ontbreekt. Het is wel duidelijk en bekend dat er een eerdere periode van inbewaringstelling is geweest. Nog altijd is dan ook te vernemen dat in 2024 een periode van inbewaringstelling is geweest, maar is de duur daarvan onbekend. Weliswaar heeft de rechtbank al overwogen dat eiser zich hierover heeft uitgelaten, maar het kan niet aan hem worden overgelaten om vast te stellen wat de totale duur van zijn inbewaringstelling is. Het aanleveren van juiste informatie ligt op de weg van de minister. 5. De rechtbank volgt eiser daarin niet en verwijst daarbij naar de uitspraak van 31 maart 2026 , waarin zij op het vorige vervolgberoep van eiser heeft beslist. In die uitspraak is overwogen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de maximale duur van inbewaringstelling, zoals genoemd in het arrest Aroja, is verstreken. Dat eiser nu aanvoert dat het niet aan hem is om vast te stellen wat de totale duur van zijn inbewaringstelling is geweest, doet daar niets aan af. De minister heeft namelijk op de zitting van 26 maart 2026 duidelijk uitgelegd en voldoende gemotiveerd dat eiser in de periode 2024/2025 niet in vreemdelingenbewaring is gesteld en dat de maximale termijn dus niet is verstreken. Dat de voortgangsrapportage daarvan nog wel melding maakt, vat de rechtbank daarom op als een verschrijving. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de minister te verzoeken de voortgangsrapportage compleet te maken en zich nader te motiveren. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat er in de systemen van de rechtbank ook geen procedure met betrekking tot een inbewaringstelling van eiser bekend is in de periode 2024/2025. De periode tussen sluiting van het vorige onderzoek op 26 maart 2026 en sluiting van het huidige onderzoek op 8 mei 2026 is niet zodanig dat de maximale termijn voor inbewaringstelling inmiddels is verstreken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Redelijk vooruitzicht op verwijdering 6. Eiser voert aan dat er ondanks diverse rappels en een geplande presentatie in persoon op 14 april 2026 die niet is doorgegaan, geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering naar Gambia. 7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering naar Gambia. In zijn algemeenheid en ook in eisers geval is er geen aanleiding om hieraan te twijfelen, zoals deze rechtbank al heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 31 maart 2026. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister regelmatig rappelleert, het laatste rappel was op 23 april 2026. Daarnaast volgt uit het vertrekgesprek van 15 april 2026 dat op korte termijn opnieuw een presentatie voor de Gambiaanse ambassade zal worden gepland. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Uit het dossier blijkt dat eiser dat niet heeft gedaan door zich weigerachtig op te stellen en niet te verschijnen op de geplande presentatie op 14 april 2026 voor de Gambiaanse ambassade. Deze beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging 8. Eiser voert verder aan dat voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en deze niet langer proportioneel is. Het belang van de minister om de maatregel voort te zetten, weegt niet langer op tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser een lichter middel te gunnen. Mede van belang is daarbij de lange duur van de inbewaringstelling. 9. Gelet op wat in de vorige rechtsoverwegingen is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een te maken belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. De enkele omstandigheid dat de bewaring nu bijna vier maanden voortduurt, is daarvoor onvoldoende. Reden hiervoor is dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Het komt dan ook voor rekening en risico van eiser dat de bewaring langer duurt. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak in het eerste beroep, waarin al is overwogen dat niet met een lichter middel kan worden volstaan omdat sprake is van een risico op onttrekking. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en stelt zich nog steeds weigerachtig op. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien een lichter middel toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing 10. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Conclusie 11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Zie het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Aroja van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1832.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 text/xml public 2026-05-19T12:00:24 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL26.25165 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 text/html public 2026-05-12T13:33:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11535 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL26.25165 Vervolgberoep bewaring, artikel 59, lid 1, onder a, Vw, maximale termijn inbewaringstelling niet verstreken, redelijk vooruitzicht op verwijdering, belangenafweging, geen lichter middel, ongegrond, geen schadevergoeding, geen proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25165 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 16 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage (M120) overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2026 (in de zaak NL26.14610) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 maart 2026. Maximale duur inbewaringstelling 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maximale duur (achttien maanden) voor inbewaringstelling, zoals genoemd in het arrest Aroja , is verstreken. Eiser voert aan dat het aan de minister is om het overzicht van eerdere inbewaringstellingen in de voortgangsrapportage (M120) compleet te maken en te motiveren dat de maximale termijn voor inbewaringstelling niet is verstreken. Dit overzicht ontbreekt. Het is wel duidelijk en bekend dat er een eerdere periode van inbewaringstelling is geweest. Nog altijd is dan ook te vernemen dat in 2024 een periode van inbewaringstelling is geweest, maar is de duur daarvan onbekend. Weliswaar heeft de rechtbank al overwogen dat eiser zich hierover heeft uitgelaten, maar het kan niet aan hem worden overgelaten om vast te stellen wat de totale duur van zijn inbewaringstelling is. Het aanleveren van juiste informatie ligt op de weg van de minister. 5. De rechtbank volgt eiser daarin niet en verwijst daarbij naar de uitspraak van 31 maart 2026 , waarin zij op het vorige vervolgberoep van eiser heeft beslist. In die uitspraak is overwogen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de maximale duur van inbewaringstelling, zoals genoemd in het arrest Aroja, is verstreken. Dat eiser nu aanvoert dat het niet aan hem is om vast te stellen wat de totale duur van zijn inbewaringstelling is geweest, doet daar niets aan af. De minister heeft namelijk op de zitting van 26 maart 2026 duidelijk uitgelegd en voldoende gemotiveerd dat eiser in de periode 2024/2025 niet in vreemdelingenbewaring is gesteld en dat de maximale termijn dus niet is verstreken. Dat de voortgangsrapportage daarvan nog wel melding maakt, vat de rechtbank daarom op als een verschrijving. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de minister te verzoeken de voortgangsrapportage compleet te maken en zich nader te motiveren. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat er in de systemen van de rechtbank ook geen procedure met betrekking tot een inbewaringstelling van eiser bekend is in de periode 2024/2025. De periode tussen sluiting van het vorige onderzoek op 26 maart 2026 en sluiting van het huidige onderzoek op 8 mei 2026 is niet zodanig dat de maximale termijn voor inbewaringstelling inmiddels is verstreken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Redelijk vooruitzicht op verwijdering 6. Eiser voert aan dat er ondanks diverse rappels en een geplande presentatie in persoon op 14 april 2026 die niet is doorgegaan, geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering naar Gambia. 7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering naar Gambia. In zijn algemeenheid en ook in eisers geval is er geen aanleiding om hieraan te twijfelen, zoals deze rechtbank al heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 31 maart 2026. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister regelmatig rappelleert, het laatste rappel was op 23 april 2026. Daarnaast volgt uit het vertrekgesprek van 15 april 2026 dat op korte termijn opnieuw een presentatie voor de Gambiaanse ambassade zal worden gepland. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Uit het dossier blijkt dat eiser dat niet heeft gedaan door zich weigerachtig op te stellen en niet te verschijnen op de geplande presentatie op 14 april 2026 voor de Gambiaanse ambassade. Deze beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging 8. Eiser voert verder aan dat voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en deze niet langer proportioneel is. Het belang van de minister om de maatregel voort te zetten, weegt niet langer op tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser een lichter middel te gunnen. Mede van belang is daarbij de lange duur van de inbewaringstelling. 9. Gelet op wat in de vorige rechtsoverwegingen is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een te maken belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. De enkele omstandigheid dat de bewaring nu bijna vier maanden voortduurt, is daarvoor onvoldoende. Reden hiervoor is dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Het komt dan ook voor rekening en risico van eiser dat de bewaring langer duurt. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak in het eerste beroep, waarin al is overwogen dat niet met een lichter middel kan worden volstaan omdat sprake is van een risico op onttrekking. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en stelt zich nog steeds weigerachtig op. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien een lichter middel toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing 10. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Conclusie 11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Zie het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Aroja van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1832.